← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:682

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 13 maart 2025 Zaaknummer : 200.350.714/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/02/23/177 R in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te Etten-Leur, appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. W.P. Groenendijk te Zwijndrecht. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 januari

  1. 2Het geding in hoger beroep 2.
  2. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 januari 2025, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen. 2.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari
  4. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [appellant] , bijgestaan door mr. Groenendijk; mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder; mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder. 2.
  5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 januari 2025; - de brief van de advocaat van [appellant] d.d. 11 februari 2025, met bijlagen; - de brief van de advocaat van [appellant] d.d. 13 februari 2025, met bijlage; - de brief van de bewindvoerder d.d. 18 februari 2025, met bijlagen. 3De beoordeling 3.
  6. Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de beschermingsbewindvoerder haar visie op het gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] gegeven (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021). 3.
  7. Bij vonnis van 10 oktober 2023 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. 3.
  8. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op het verzoek van de bewindvoerder van 29 maart 2024 tussentijds beëindigd, nu feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis. 3.
  9. De rechtbank heeft haar beslissing als volgt gemotiveerd: “3.3.
  10. Met de bewindvoerder is de rechtbank van oordeel dat verzoeker tijdens de toelatingszitting had moeten melden dat hij bij een vechtpartij betrokken is geweest en dat de afhandeling daarvan nog niet was voltooid. Het was daarbij niet aan verzoeker om een inschatting te maken of de kwestie voor hem (strafrechtelijke of andere) gevolgen zou hebben. De inschatting van verzoekers advocaat, waarop verzoeker zijn besluit om het voorval niet te melden kennelijk heeft gebaseerd, is naar het oordeel van de rechtbank bovendien bijzonder. Ter zitting heeft verzoeker namelijk erkend dat hij de aangever heeft geschopt, en dat voor hem ook duidelijk was dat de aangever bij het voorval letsel heeft opgelopen. Door het voorval niet te melden, heeft verzoeker de rechtbank de mogelijkheid ontnomen de kwestie in de beoordeling van het WSNP-verzoek te betrekken. 3.3.
  11. Ter zitting heeft verzoeker bevestigd dat het vonnis van de meervoudige kamer inmiddels onherroepelijk is geworden. Daarmee staat vast dat de aangever van de openlijke geweldpleging (letsel)schade heeft geleden, voor de vergoeding waarvan verzoeker (mede) verantwoordelijk wordt geacht. Naar het oordeel van de rechtbank zou deze omstandigheid, als deze tijdens de toelatingszitting bekend was geweest, tot een afwijzing van het WSNP-verzoek hebben geleid. Alsdan zou immers zijn geoordeeld dat een deel van verzoekers schulden niet te goeder trouw is ontstaan.” 3.
  12. [appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De strafrechtadvocaat van [appellant] schatte in dat de strafzaak vanwege het (geringe) aandeel van [appellant] in de vechtpartij mogelijk geseponeerd zou worden. [appellant] heeft dus niet zelf de inschatting gemaakt of de vechtpartij voor hem (strafrechtelijke of andere) gevolgen zou hebben. Hierom kan het niet vermelden van de vechtpartij [appellant] niet worden verweten. Ook als de rechter bekend was geweest met de betrokkenheid van [appellant] bij de openlijke geweldpleging, had dit geen reden hoeven te zijn geweest om het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering af te wijzen. Er was op dat moment namelijk nog geen onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling. Als de rechter het verzoek zou hebben aangehouden in afwachting van een (onherroepelijk) vonnis, had dit na de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling ook niet hoeven te leiden tot een afwijzing van het verzoek, omdat de schuld uit de schadevergoedingsmaatregel immers (om niet) door een derde betaald had kunnen worden. [appellant] wijst ten overvloede nog op de mogelijkheid dat de rechtbank bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw had kunnen toepassen. Ten onrechte betrekt de rechtbank in haar vonnis onder 3.3.3 het onherroepelijk worden van het strafvonnis. Het strafvonnis bestond nog niet op 10 oktober 2023 en het moet gaan om de feiten en omstandigheden die bestonden op 10 oktober
  13. De strafrechtelijke veroordeling en de daaruit voortvloeiende schuld zijn bovendien onvoldoende zwaarwegend in het licht van de totale schuldenlast om te kunnen oordelen dat zij hadden moeten leiden tot afwijzing van het toelatingsverzoek. Voorts heeft [appellant] wel voldaan aan de inspanningsverplichting. [appellant] heeft een fulltime arbeidsovereenkomst verkregen. Vanwege een burn-out werd hem vervolgens een ontheffing van de sollicitatieverplichting verleend tot 10 april
  14. De bewindvoerder heeft het intrekken van de beveiligingspas ten onrechte aangemerkt als een poging de schuldeisers te benadelen. Het intrekken van de pas vloeit voort uit de betrokkenheid van [appellant] bij een strafbaar feit dat voor de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft plaatsgevonden. Mevrouw [partner] , de partner van [appellant] , doorloopt ook het wettelijke schuldsaneringstraject. Indien de schuldsaneringsregeling van [appellant] zonder schone lei beëindigd zou worden, heeft mevrouw [partner] , vanwege de gemeenschap van goederen waarin partijen met elkaar gehuwd zijn, zo goed als niets aan een aan haar te verlenen schone lei. Dit is een onnodig zware sanctie voor mevrouw [partner] . De positie van mevrouw [partner] dient in de belangenafweging te worden betrokken. 3.
  15. Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende toegevoegd. De veroordeling in de strafzaak heeft op zichzelf niet geleid tot de burn-out van [appellant] . Er speelden voor de strafzaak al problemen die uiteindelijk hebben geleid tot de burn-out. Voorts heeft [appellant] verklaard dat zijn dochter bereid was geweest om de schuld uit de strafrechtelijke veroordeling direct af te lossen zodat [appellant] alsnog toegelaten had kunnen worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. 3.
  16. De bewindvoerder heeft in haar brief – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. [appellant] is zijn informatieverplichting niet nagekomen, omdat hij zijn betrokkenheid bij een openlijke geweldpleging niet heeft gemeld tijdens de toelatingszitting. Door het voorval niet te melden, heeft de rechtbank geen mogelijkheid gehad om deze omstandigheid mee te wegen bij de beoordeling van het verzoek van [appellant] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. [appellant] is door zijn betrokkenheid bij openlijke geweldpleging zijn baan bij de GGZ verloren. Tevens wordt aangegeven dat [appellant] als gevolg hiervan stress- en depressieklachten heeft en dat hij niet meer werkt. Inmiddels is door de uitkeringsinstantie ontheffing verleend van de arbeidsverplichting en is ook in de schuldsaneringsregeling ontheffing verleend. Gelet op het bovenstaande is de arbeidsongeschiktheid geheel of gedeeltelijk een gevolg van de betrokkenheid bij openlijke geweldpleging en kan hierdoor niet voldaan worden aan de inspanningsverplichting. Gezien het voorgaande worden de crediteuren benadeeld door [appellant] zijn betrokkenheid bij de openlijke geweldpleging. Het feit dat de echtgenote van [appellant] nadelige gevolgen zal ondervinden wanneer aan haar wel en aan [appellant] geen schone lei wordt verleend, is een gevolg van de huwelijksgoederengemeenschap waar zij voor gekozen hebben. 3.
  17. Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende toegevoegd. [appellant] stelt ter terechtzitting in hoger beroep dat de burn-out niet is ontstaan door de openlijke geweldpleging, maar dat hij deze klachten al eerder had. Het was de bewindvoerder niet bekend dat [appellant] deze klachten had en dus ook niet in hoeverre die klachten invloed hadden op het ontstaan en onbetaald laten van schulden. Op basis van de stukken die de bewindvoerder heeft ontvangen, ging zij er vanuit dat [appellant] geschikt was om fulltime betaalde arbeid te verrichten. Deze omstandigheden waren dus ook niet bekend bij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering. De bewindvoerder heeft voorts haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen gehandhaafd. 3.
  18. Het hof komt tot de volgende beoordeling. 3.9.
  19. Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Fw, te beoordelen of er bij [appellant] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het bekend worden van feiten en omstandigheden die op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw. 3.9.
  20. Het hof stelt voorop dat [appellant] zijn betrokkenheid bij de vechtpartij en de mogelijke strafrechtelijke gevolgen daarvan had moeten melden bij de bewindvoerder dan wel bij de rechtbank. Dit heeft [appellant] zelf ter zitting bij het hof ook erkend. De rechtbank wist niet van het voorval en daarom zal het hof een inschatting moeten maken wat de beslissing van de rechtbank zou zijn geweest als zij op de hoogte was van de betrokkenheid van [appellant] bij de vechtpartij. 3.9.
  21. Het komt het hof weinig aannemelijk voor dat de rechtbank het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zou hebben toegewezen als zij geweten zou hebben van de dreiging van een strafrechtelijke vervolging van [appellant] . Een strafrechtelijke vervolging zou immers kunnen leiden tot een strafrechtelijke veroordeling met het toewijzen van schadevergoeding aan de benadeelde partij, lees: het slachtoffer van de vechtpartij, alsmede het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel. Daarmee was er zicht op het ontstaan van een nieuwe (niet te goeder trouw ontstane) schuld uit een onherroepelijke veroordeling. Het ontstaan van een nieuwe schuld tijdens de looptijd van de schuldsanering is een tekortkoming in de nakoming van een uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting die aanleiding geeft om de saniet geen schone lei te verlenen (vgl. artikel 354 lid 1 Fw). Zoals achteraf blijkt, is daadwerkelijk een nieuwe schuld ontstaan als gevolg van de strafrechtelijke veroordeling van [appellant] . Met deze inmiddels onherroepelijke veroordeling, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, staat vast dat [appellant] (mede) aansprakelijk is voor de door de aangever van de openlijke geweldpleging geleden (letsel)schade. De omstandigheid dat een derde de schuld meteen voor [appellant] zou hebben afgelost, zou deze tekortkoming niet ongedaan hebben gemaakt. 3.9.
  22. Het hof acht het ook niet aannemelijk dat de rechtbank ervoor zou hebben gekozen om de procedure tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) aan te houden in afwachting van de uitkomst van een eventuele strafrechtelijke vervolging. Ten tijde van het bestreden vonnis heerste er onduidelijkheid over de mogelijke strafvervolging. Zo was nog niet bekend of en wanneer er een strafvervolging plaats zou vinden, of er een veroordeling zou worden uitgesproken en of deze veroordeling effect zou hebben op de schuldenlast van [appellant] . Een aanhouding van de procedure tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling door de rechtbank zou daarmee tot veel onzekerheid leiden bij [appellant] zelf, temeer omdat het niet duidelijk zou zijn hoe lang de aanhouding had moeten duren en een aanhouding de schuldenlast van [appellant] niet zou bevriezen. Het ligt daarom niet voor de hand dat de rechtbank deze onzekere situatie voor [appellant] in het leven zou hebben geroepen. 3.9.
  23. In het geval de rechtbank er toch voor zou hebben gekozen om de WSNP-procedure tot toelating aan te houden totdat er duidelijkheid zou zijn over de afloop van een strafrechtelijke vervolging, zou dit naar alle verwachting hebben geleid tot een hervatting van de WSNP-procedure tot toelating ná een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van [appellant] . Het gaat hier om een schuld ter zake van een misdrijf opgelegde schadevergoedingsmaatregel, die op grond van artikel 288 lid 2 sub c Fw tot afwijzing van het verzoek dient te leiden, te meer nu hierbij sprake is van een substantiële schuld van € 642,
  24. [appellant] heeft gesteld dat deze schuld onmiddellijk door een derde zou zijn betaald, zodat deze schuld ten tijde van de toelatingszitting niet meer zou hebben bestaan. Dit zou echter niet hebben weggenomen dat er in de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoek een schuld niet te goeder trouw is ontstaan. Het hof wijst hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0709, waaruit moet worden afgeleid dat ook de goede trouw in de periode tussen indiening van het schuldsaneringsverzoek en de beslissing daarop aannemelijk moet worden gemaakt. Dat zou [appellant] onder voorgenoemde omstandigheden niet hebben kunnen bewerkstelligen. 3.9.
  25. Voortbouwend op het voorgaande zou enkel een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw resteren. [appellant] had in dat geval voldoende aannemelijk moeten maken dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen. Gezien het feit dat de openlijke geweldpleging waaruit de nieuwe schuld is ontstaan minder dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, acht het hof niet (zonder meer) aannemelijk dat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat [appellant] die omstandigheden onder controle heeft gekregen. Een beroep op de hardheidsclausule zou daarmee niet hebben geleid tot toelating tot de wettelijke schuldsanering. 3.9.
  26. Op basis van het voorgaande oordeelt het hof dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op grond van artikel 350 lid 3 onder f Fw feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen, overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw. 3.9.
  27. Het hof onderkent dat deze beslissing gevolg heeft voor de partner mevrouw [partner] . Zij doorloopt op dit moment ook de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar zal weinig profijt hebben van een aan haar te verlenen schone lei. Zij is immers in gemeenschap van goederen gehuwd met [appellant] en daardoor komen zijn schulden ook voor haar rekening, ook nadat zij haar schone lei zal hebben verkregen. Alle omstandigheden in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat deze omstandigheid niet zo zwaar weegt dat [appellant] , in weerwil van hetgeen hiervoor eerder is overwogen, toch tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zou moeten worden toegelaten. 3.
  28. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. 4De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. Dit arrest is gewezen door mrs. L.G.J.M. van Ekert, J.B. Smits en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.