GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.310.791/01 arrest van 18 maart 2025 in de zaak van 1 [B.V. 1] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [appellant 2] ,wonende te [woonplaats ] , 3. [appellant 3] ,wonende te [woonplaats ] , 4. [appellant 4] , wonende te [woonplaats ] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] en ieder afzonderlijk als [B.V. 1] respectievelijk [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] , advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Helmond, tegen Gemeente Peel en Maas, gevestigd te Panningen, geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als de gemeente, advocaat: mr. H.C.M. van Haastert te Zwolle, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 februari 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/276543 / HA ZA 20-194 gewezen vonnis van 19 januari 2022. 8Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 20 februari 2024; de mondelinge behandeling op 26 november 2024, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 9De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 9.1 Bij genoemd tussenarrest heeft het hof een mondelinge behandeling gelast. 9.2 Bij e-mail van 10 oktober 2024 heeft mr. H.C.M. van Haastert het hof bericht dat hij, ter voorbereiding van de mondelinge behandeling op 26 november 2024, het liefste op voorhand verneemt welke vragen het hof graag beantwoord ziet. Bij e-mail van 28 oktober 2024 heeft mr. G. Goorts het hof bericht geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van dat verzoek. De behandelend kamer heeft vervolgens op 5 november 2024 aan partijen bericht: De vragen die het hof heeft betreffen, onder meer, een nadere toelichting van partijen op hun standpunten die betrekking hebben op het boetebeding. Zoals, het doel/de strekking van het boetebeding, hoe het boetebeding zich verhoudt tot de omstandigheden van het geval, waarbij al eerder delen van de locatie waarop de onderhavige overeenkomst ziet zijn overgedragen en welke voorwaarden bij overdracht genoemd in artikel 13 lid 1 van koopovereenkomst aan een derde gesteld konden worden. Tijdens de zitting zal het hof, als daartoe aanleiding bestaat, ook nog vragen kunnen stellen over andere onderwerpen. De feiten 9.3.1 [B.V. 1] stond bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als zelfstandig bevoegd bestuurder van [B.V. 2] B.V. (hierna: [B.V. 2] ). [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] zijn middellijk bestuurders van [B.V. 1] 9.3.2 Binnen de gemeente is de locatie ‘De Moennik’ gelegen. Het terrein van ‘De Moennik’ – opgedeeld in drie percelen – was eigendom van de gemeente en is gelegen aan de [adres] [nummers] te [plaats] . Op locatie ‘De Moennik’ bevonden zich het oude schoolgebouw ( [nummer] ), een bijgebouw ( [nummer] ) en een oude Meesterswoning ( [nummer] ). 9.3.3 Tussen de gemeente en [B.V. 2] is op 31 december 2011 een koopovereenkomst gesloten ter zake voornoemde percelen met, voor zover relevant de volgende bepalingen: “(…) artikel 7 Bebouwing 7.1 Koper zal op de onroerende zaak de volgende bebouwing realiseren voor de doelgroep jongeren (geboortejaar 1981 of later): a. 12 nieuwbouw starterswoningen op het achterterrein voor maximaal € 110.000 vrij op naam conform de bebouwingsvisie in bijlage II. b. 6 startersappartementen in het voormalige schoolgebouw voor maximaal € 110.000, casco, kosten koper conform de bebouwingsvisie In bijlage II. met de daarbij behorende: c. parkeer-, groen en infiltratievoorzieningen. d. met de insteek cradle-to-cradle, overeenkomstig het ingediende plan bij de prijsvraag (…) 7.3 Binnen twee jaar na datum van het ondertekenen van de notariële akte moet de op de onroerende zaak te stichten bebouwing voltooid en gebruiksklaar zijn; Indien daartoe aanleiding bestaat, kan deze termijn op verzoek van de koper door het college van burgemeester en wethouders met maximaal een jaar worden verlengd. 7.4 Indien na verloop van de in lid 3 genoemde termijn de bebouwing nog niet is aangevangen is koper aan gemeente een schadevergoeding verschuldigd ter grootte van 10% van de koopprijs en heeft gemeente het recht de ontbinding van de koopovereenkomst te vorderen. De kosten van teruglevering zijn in dat geval voor rekening van koper, zodat gemeente vrij op naam krijgt teruggeleverd. (…) artikel 13 Verbod overdracht contractpositie 13.1 Het is koper niet toegestaan om rechten en/of verplichtingen die zij op grond van deze koopovereenkomst heeft, over te dragen aan derden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente. Aan een dergelijke toestemming kan de gemeente voorwaarden verbinden ter verzekering van de nakoming van deze koop- en samenwerkingsovereenkomst. Hieronder valt niet de juridische levering aan de kopers van een individuele woning c.q. appartement of de overdracht van bouwblokken c.q. planonderdelen aan een belegger. Beide overdrachten kunnen desgewenst middels een ABC akte al dan niet na splitsing door de gemeente in appartementsrechten op kosten van koper, plaatsvinden. 13.2 Bij overtreding van het in lid 1 bepaalde, verbeurt de overtredende partij jegens de gemeente een zonder rechterlijke tussenkomst of ingebrekestelling direct opeisbare en niet voor rechtelijke matiging vatbare boete van € 250.000,-- (zegge: tweehonderd vijftig duizend euro). (…)”. (…) artikel 15 Onvoorziene omstandigheden 15.1 Indien de omstandigheden waaronder de onderhavige overeenkomst is gesloten zodanige herzieningen ondergaan, dat van partijen of één van de partijen in redelijkheid niet meer gevergd kan worden dat de onderhavige overeenkomst ongewijzigd geheel of gedeeltelijk wordt nagekomen of kan worden nagekomen, heeft de meest gerede partij het recht van de andere partij te verlangen dat partijen een ontbindingsovereenkomst sluiten. 15.2 Indien partijen niet tot overeenstemming komen is de geschillenregeling zoals bedoeld in artikel 19 van overeenkomstige toepassing. 15.3 Onder onvoorziene omstandigheden in de zin van dit artikel wordt mede verstaan: o de onmogelijkheid om de ter zake van de uitvoering van wezenlijke delen van het Plan benodigde vergunningen van hogere overheden te verkrijgen; o het wegvallen van de haalbaarheid van de ontwikkeling, hetgeen door koper moet worden aangetoond, o hetgeen in deze overeenkomst is overeengekomen laat onverlet dat de gemeente als gevolg van haar publiekrechtelijke bevoegdheden en verplichtingen, bijvoorbeeld door ingediende zienswijzen ex artikel 4 lid 2, tot gewijzigde inzichten kan komen met als gevolg herziening in of weigering van de door koper verzochte planologische maatregel. Partijen treden met elkaar in overleg indien blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet of slechts gedeeltelijk kan worden gerealiseerd. (…) artikel 20 Einde van de overeenkomst De onderhavige overeenkomst eindigt op het moment dat aan alle verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst is voldaan. (…).” 9.3.4 Op 9 november 2012 heeft de juridische levering van de locatie ‘De Moennik’ aan [B.V. 2] plaatsgevonden. 9.3.5 Bij akte van 2 februari 2016 heeft [B.V. 2] het gedeelte van locatie ‘De Moennik’ waarop het schoolgebouw is gelegen overgedragen aan een derde. Hiervoor had [B.V. 2] schriftelijke toestemming van de gemeente. 9.3.6 Bij akte van 31 juli 2017 heeft [B.V. 2] de oude Meesterswoning overgedragen aan particulieren met schriftelijke toestemming van de gemeente. De kopers van de Meesterswoning hebben nadien zelf de renovatie van de Meesterswoning ter hand genomen. 9.3.7 Eind 2017/begin 2018 is [betrokkene 3] van [B.V. 3] B.V. (hierna: [B.V. 3] ) in contact gekomen met [appellant 4] en heeft het initiatief genomen om het restant van de grond van [B.V. 2] te kopen. 9.3.8 Bij brief van 20 februari 2018 heeft [B.V. 2] de gemeente bericht als volgt: “(…) Betreft : wijziging overeenkomst 2011 ontwikkeling De Moennik tussen de gemeente en [B.V. 2] BV te [vestigingsplaats] Geacht college van Burgemeester en Wethouders, In 2011 hebben de Gemeente Peel en Maas en [B.V. 2] BV een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de locatie De Moennik in [vestigingsplaats] . Op 9 november 2012 zijn de gronden in eigendom gekomen van [B.V. 2] BV. De overeenkomst is gebaseerd op de prijsvraag die [B.V. 2] BV destijds heeft gewonnen. Na enkele jaren het oorspronkelijk plan zonder succes in de verkoop te hebben gehad, is in onderling overleg met Gemeente geconcludeerd dat het huidige plan niet levensvatbaar is. Derhalve is vanaf 2014 veelvuldig overleg met u als Gemeente gevoerd om tot een alternatief plan te komen, wat ook financieel haalbaar is. Met instemming van u als Gemeente zijn het schoolgebouw en de andere woning inmiddels verkocht (in 2015 resp. in 2017) en resteert nu nog ongeveer 1.330m2 bouwgrond. Een lokale ondernemer ziet kans om nieuwbouwwoningen te realiseren op de bouwgrond en heeft [B.V. 2] BV verzocht of zij bereid is de (overgebleven) grond aan haar te verkopen. [B.V. 2] BV is bereid deze grond aan de ondernemer te verkopen mits de Gemeente bereid is toestemming te geven voor de overdracht ingevolge artikel 13.1 van de koopovereenkomst. Daarnaast verzoek ik de Gemeente om te bevestigen dat de nieuwe eigenaar niet zal worden belast met de bepalingen zoals opgenomen in artikelen 7.4, 7.5 en 7.6 van de koopovereenkomst. Ik verneem graag of u met bovenstaande kunt instemmen en medewerking verleent aan de verdere uitwerking/verkoop van de bouwgrond. Met vriendelijke groet, [appellant 4] Namens [B.V. 2] BV” 9.3.9 Op 27 maart 2018 heeft [betrokkene 4] , Adviseur Omgevingsontwikkeling, bij de gemeente aan [betrokkene 3] van [B.V. 3] bericht: “(…) Zoals gezegd heeft [betrokkene 1] aan de huidige eigenaar van de locatie de Moennik gevraagd om een gesprek te arrangeren n.a.v. het ingediende verzoek om doorverkoop. (…) Ik ga er van uit dat u daar als koper van het perceel ook bij aanwezig bent. In dit gesprek zullen alle aspecten m.b.t. de locatie de Moennik aan de orde komen. Bij dit gesprek zal [betrokkene 1] als projectleider van de locatie de Moennik ook aanwezig zijn. (…)”. 9.3.10 Op 16 april 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de gemeente, [appellant 4] en [B.V. 3] . Tijdens dit gesprek is gesproken over de verkoop van het restant van de grond door [B.V. 2] aan [B.V. 3] . 9.3.11 Bij e-mail van 5 juli 2018 heeft [appellant 4] namens [B.V. 2] in de volgende bewoordingen aan de gemeente voorgelegd de voorgenomen verkoop en overdracht van het restant van locatie ‘De Moennik’ aan [B.V. 3] : “Geachte [betrokkene 1] We hebben op 16 april jl een gesprek gehad bij u op het gemeentehuis m.b.t. de voorgenomen verkoop van de gronden aan de [adres] in [vestigingsplaats] aan [betrokkene 3] dan wel een door hem aan te wijzen “nader te noemen meester” Onderling is daar overeenstemming bereikt We hebben aan u als Gemeente verzocht of er van uw kant bezwren cq. voorwaarden zijn aan deze verkoop. U zou daar op korte termijn bij mij op terugkomen Aangezien wij niets meer van u hebben vernomen e ner inmiddels een aantal positieve gesprekken hebben plaatsgehad tussen koper en de Gemeente, ga ik er van uit dat er van u kant geen voorwaarden/problemen zijn Mocht het anders zijn, verneem ik graag pper omgaande van u Ik dank u alvast voor de genomen moeite (…).” 9.3.12 Bij leveringsakte van 23 november 2018 heeft [B.V. 2] het restant - te weten het perceel kadastraal bekend gemeente Helden, [sectieletter] , [sectienummer] -overgedragen aan [B.V. 3] . De koopprijs bedroeg € 235.950,00 inclusief btw. Voor deze overdracht heeft de gemeente geen schriftelijke toestemming gegeven. 9.3.13 [B.V. 2] is direct na de voornoemde overdracht van 23 november 2018 ontbonden. De liquidatie van [B.V. 2] is op 28 november 2018 beëindigd wegens het ontbreken van bekende baten. Per 17 december 2018 is [B.V. 2] uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Vorderingen en uitspraak in eerste aanleg 9.4.1 In eerste aanleg heeft de Gemeente gevorderd, kort gezegd, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. [appellanten] hoofdelijk uit hoofde van onrechtmatige daad te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan de gemeente van € 250.000,--, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 2. [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding te veroordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 3. [appellanten] hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening. 9.4.2 Aan haar vordering heeft de gemeente, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [B.V. 1] jegens de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij, vertegenwoordigd door haar bestuurders, actief heeft bewerkstelligd dat [B.V. 2] haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen, waardoor [B.V. 1] de gemeente schade heeft berokkend. Op grond van artikel 2:11 BW zijn ook de bestuurders van [B.V. 1] aansprakelijk. De schade is € 250.000,-- een bedrag gelijk aan de contractuele boete die [B.V. 2] , volgens de gemeente, aan haar verschuldigd is. 9.4.3 [appellanten] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 9.5 Na een mondelinge behandeling op 23 november 2021 heeft de rechtbank bij vonnis van 19 januari 2022, waarvan beroep onder meer geoordeeld als volgt: - vast staat dat [B.V. 2] de op grond van artikel 13 van de koopovereenkomst vereiste schriftelijke toestemming van de gemeente voor de overdracht aan [B.V. 3] van het restant van locatie ‘De Moennik’ niet heeft. Door de - ongeoorloofde - overdracht aan [B.V. 3] is de contractuele boete verbeurd. Die boete is niet voldaan zodat geen sprake is van een situatie waarin aan alle verplichtingen uit de koopovereenkomst is voldaan. Daarmee is ook geen sprake van het eindigen van de koopovereenkomst. Dat betekent dat de gemeente een vordering had op [B.V. 2] van € 250.000,-- (rechtsoverweging 4.3.2.); - tussen partijen is niet in geschil dat [B.V. 2] direct na de overdracht van het perceel aan [B.V. 3] en de ontvangst van de koopsom met betrekking tot het perceel is ontbonden (rechtsoverweging 4.3.4.); - de verkoopopbrengst is kennelijk aangewend om een betaling te verrichten aan [B.V. 1] , de bestuurder van [B.V. 2] . Deze betaling was onverschuldigd. Door voornoemde betaling heeft [B.V. 1] bewerkstelligd dat de gemeente voor de boete geen verhaal meer kon nemen op de verkoopopbrengst. Gelet daarop is [B.V. 1] aansprakelijk voor de schade die de gemeente daardoor heeft geleden (rechtsoverweging 4.3.7); - het enkel verbeurd (doen) raken van de contractuele boete brengt geen bestuurdersaansprakelijkheid mee. Aan het verbeuren van die boete is een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst vooraf gegaan, bestaande uit het zonder schriftelijke toestemming overdragen van het perceel aan [B.V. 3] . Dat [B.V. 1] op het moment dat zij tot die overdracht besloot wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat voor de als gevolg daarvan te verbeuren contractuele boete voor de gemeente geen verhaal mogelijk zou zijn is gesteld noch gebleken. Tegenover de overdracht stond immers een significante opbrengst. De onrechtmatigheid zit in het frustreren van verhaal door ontbinding van [B.V. 2] direct na ontvangst van de verkoopopbrengst en het aanwenden van de verkoopopbrengst om [B.V. 1] onverschuldigd te betalen (rechtsoverweging 4.3.9.); - de schade bedraagt geen € 250.000,--, maar € 195.000,--. De netto verkoopopbrengst (na afdracht van btw) bedroeg € 195.000,-- dit bedrag had [B.V. 2] aan de gemeente kunnen en moeten voldoen en van overige verhaalsmogelijkheden voor de gemeente is niet gebleken (rechtsoverweging 4.3.11.); - nu er geen sprake is van een situatie dat de billijkheid dit klaarblijkelijk eist ziet de rechtbank geen reden om over te gaan tot matiging van de boete. Dat de gemeente aanvankelijk een fors hogere koopprijs voor de door haar aan [B.V. 2] geleverde percelen wenste te ontvangen dan de prijs die later in de koopovereenkomst met [B.V. 2] is overeengekomen, is tussen partijen niet in geschil. Niet is betwist dat [B.V. 1] door haar handelen het recht van de gemeente, althans de afdwingbare verplichting voor de eigenaar van locatie ‘De Moennik’, op realisatie van twaalf circulair gebouwde jongerenwoningen, teniet heeft gedaan. De gemeente en [B.V. 3] hadden op het moment van overdracht van het perceel door [B.V. 2] aan [B.V. 3] nog geen overeenstemming bereikt over het (eventueel) door [B.V. 3] te realiseren project. Het verweer van [appellanten] dat tussen de gemeente en [B.V. 3] op het moment van overdracht al overeenstemming was bereikt is namelijk onvoldoende onderbouwd en door de gemeente gemotiveerd betwist. De rechtbank kan niet van de juistheid van de stelling van [appellanten] dat het project dat [B.V. 3] thans realiseert ‘strek vergelijkbaar is en voldoet aan de plannen van de gemeente’ uitgaan, nog daargelaten dat realisatie van een ‘sterk vergelijkbaar project’ ook afdoet aan de belangen van de gemeente om precies het project te laten realiseren dat haar voor ogen stond en niet slechts iets dat daarbij in de buurt komt. Een boete in de orde van grootte van € 250.000,-- leidt tegenover het voorgaande niet tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat (rechtsoverweging 4.3.12.); - het contractuele boetebeding betreft een prikkel tot nakoming en heeft geen schade fixerende functie, zodat toepassing van het beroep van [appellanten] op de schadebeperkingsplicht en eigen schuld van de gemeente niet aan de orde is. [appellanten] hebben als (middellijk) bestuurders van [B.V. 2] bewust gekozen om over te gaan tot overdracht van het perceel aan [B.V. 3] en niet gekozen voor andere contractuele of wettelijke mogelijkheden om geheel of gedeeltelijk onder hun verplichtingen jegens de gemeente uit te komen, zodat een beroep op onvoorziene omstandigheden in het kader van deze procedure niet kan slagen (rechtsoverweging 4.3.13.); - de boetebepaling bepaalt niet dat de contractuele boete slechts (geheel) wordt verbeurd indien aan alle verplichtingen uit de koopovereenkomst niet wordt voldaan. De rechtbank ziet daarom geen reden om te oordelen dat de boete slechts voor 1/3e deel is verbeurd, omdat voor de overdracht van de andere twee percelen door de gemeente wel toestemming is verleend (rechtsoverweging 4.3.14.). De rechtbank heeft [appellanten] , kort gezegd, hoofdelijk veroordeeld om aan de gemeente een bedrag van € 195.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 19 januari 2022 tot de dag van volledige betaling daarover, te betalen en [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld. voorlopig getuigenverhoor 9.6 Bij beschikking van 18 augustus 2022 heeft het hof het verzoek van [verzoeker 1] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de in die beschikking genoemde getuigen, toegewezen. De voorlopige getuigenverhoren zijn gehouden op 19 januari 2023, 20 januari 2023 en op 26 januari 2023. Het hoger beroep 9.7.1 [appellanten] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente in al haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen, met, kort gezegd, veroordeling van de gemeente in de proceskosten van beide instanties inclusief de getuigentaxe en de kosten voor het opstellen van het verzoek. 9.7.2 Bij memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep heeft de gemeente in incidenteel hoger beroep één grief gericht tegen het vonnis waarvan beroep en in principaal en incidenteel hoger beroep geconcludeerd om, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - [appellanten] niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar vorderingen in principaal hoger beroep te ontzeggen; - het incidenteel hoger beroep van de gemeente gegrond te verklaren; - het vonnis waarvan beroep voor zover betrekking hebbend op de grief van de gemeente in incidenteel hoger beroep te vernietigen en dat vonnis voor het overige te bekrachtigen. De gemeente heeft voorts, kort gezegd, geconcludeerd tot hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, inclusief de aan het voorlopig getuigenverhoor verbonden kosten (deze kosten nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet), te vermeerderen met de wettelijke rente. 9.7.3 Bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft [appellanten] geconcludeerd, om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente niet ontvankelijk te verklaren in het incidenteel hoger beroep, althans de grief van de gemeente in incidenteel hoger beroep af te wijzen en, kort gezegd, het vonnis waarvan beroep uitsluitend voor het betreffende gedeelte te bekrachtigen behoudens voor zover dit door [appellanten] in principaal hoger beroep is bestreden, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten (inclusief de kosten van het voorlopig getuigenverhoor). De grieven 9.8.1 Met grief 1 betoogt [appellanten] dat de rechtbank heeft nagelaten te onderzoeken of [B.V. 2] de boete zou hebben verbeurd. De rechtbank heeft, zo betoogt, [appellanten] de weren van [appellanten] onvoldoende in aanmerking genomen, en dan met name die weren die [B.V. 2] zouden toekomen als zij nog zou bestaan. Pas wanneer zou moeten worden geoordeeld dat [B.V. 2] de boete heeft verbeurd komt de bestuurdersaansprakelijkheid aan de orde. Volgens [appellanten] zou [B.V. 2] de boete niet hebben verbeurd. Uit artikel 20 van de koopovereenkomst volgt dat de overeenkomst eindigt indien aan alle verplichtingen is voldaan. Op het moment dat het laatste perceel is overgedragen eindigt de overeenkomst van 31 december 2011 tussen [B.V. 2] en de gemeente van rechtswege. Indien de gemeente een andere mening zou zijn toegedaan zou [B.V. 2] de overeenkomst hebben ontbonden dan wel een beëindigingsovereenkomst zijn aangegaan. Voorts betoogt [appellanten] dat [B.V. 2] de boete niet zou hebben verbeurd omdat sprake is van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 15 van de koopovereenkomst. In artikel 15.3 zijn partijen overeengekomen dat onder onvoorziene omstandigheden wordt verstaan het wegvallen van de haalbaarheid van de ontwikkeling. De gemeente mocht in redelijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de koopovereenkomst verwachten. [B.V. 2] zou een beroep op artikel 15 van de koopovereenkomst hebben gedaan. [B.V. 2] zou zich, zo betoogt [appellanten] met grief 1 ook hebben beroepen op matiging van het boete tot nihil, op eigen schuld van de gemeente en op het niet hebben geleden van schade door de gemeente, waarbij komt dat het boetebeding een aansporingsfunctie en geen schade-fixerende functie heeft, zodat de gemeente voor haar schade geen aansluiting kan zoeken bij het boetebeding en gelet op deze weren de boete niet verschuldigd is. 9.8.2 Het hof oordeelt dat het beroep op het eindigen van de koopovereenkomst op grond van artikel 20 van de koopovereenkomst niet opgaat, omdat die overeenkomst van 31 december 2011 tussen [B.V. 2] en de gemeente niet eindigt op het moment dat het laatste perceel is overgedragen. De overeenkomst bevat ook artikel 13. Lid 2 van dat artikel verbindt gevolg aan overdracht zonder schriftelijke toestemming van de gemeente en is niet uitgewerkt door overdracht van het laatste perceel. Dat [appellanten] , aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, redelijkerwijs zou hebben mogen begrijpen dat artikel 13 lid 2 van die overeenkomst bij overdracht van het laatste perceel zou zijn uitgewerkt, ook indien die overdracht zonder schriftelijke toestemming van de gemeente zou geschieden, is niet onderbouwd. Evenmin brengt het betoog van [appellanten] dat [B.V. 2] de overeenkomst zou hebben ontbonden c.q. dat [B.V. 2] een beëindigingsovereenkomst zou zijn aangegaan, indien de gemeente van mening zou zijn geweest dat de overeenkomst met de overdracht van het laatste perceel niet zou zijn geëindigd, mee dat [B.V. 2] de boete niet zou hebben verbeurd. Vaststaat immers dat die situaties zich niet voordoen. Ten aanzien van het betoog van [appellanten] dat de gemeente op grond van artikel 15 van de koopovereenkomst in redelijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mocht verwachten en dat [B.V. 2] een beroep op dat artikel zou hebben gedaan, oordeelt het hof dat ook dat betoog niet betekent dat [B.V. 2] de boete niet zou hebben verbeurd. [B.V. 2] heeft immers geen beroep op dat artikel gedaan, terwijl zij het perceel wel heeft overgedragen. In zoverre faalt grief 1. Het hof zal het beroep van [appellanten] op matiging van de boete, eigen schuld van de gemeente en het niet hebben geleden van schade door de gemeente, behandelen bij de beoordeling van de grief 4. 9.8.3 Grief 2 is gericht tegen rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.3.3 van het vonnis waarvan beroep. Volgens [appellanten] zou [B.V. 2] als zij nog zou bestaan de boete niet hebben verbeurd om de volgende redenen: - het doel van artikel 13 van de koopovereenkomst is dat de gemeente voorwaarden aan de toestemming tot overdracht kan verbinden om te waarborgen dat de koop- en samenwerkingsovereenkomst wordt nagekomen, waarbij het schriftelijkheidsvereiste slechts een formaliteit is. Nakoming van voornoemde overeenkomst was evenwel niet mogelijk. De oorspronkelijke planopzet was niet haalbaar, omdat er geen markt was voor dat plan, de gemeente heeft nooit goedkeuring verleend voor de door [B.V. 2] aan de gemeente aangeboden herziene bouwplannen, de oorspronkelijke planopzet was met instemming van de gemeente verlaten doordat de gemeente met verkoop van de andere twee percelen had ingestemd, aan welke instemming geen voorwaarden waren verbonden; - [B.V. 2] heeft de gemeente in februari 2018 verzocht om in te stemmen met de overdracht, maar op dat verzoek en twee herinneringen, te weten mondeling op 16 april 2018 en een herinneringsmail van 5 juli 2018 heeft de gemeente niet gereageerd, terwijl de gemeente wel de onderhandelingen met [B.V. 3] voortzette. Het niet reageren door de gemeente is verwijtbaar althans is een omstandigheid die aan de gemeente toegerekend kan worden. De gemeente dient het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:14 BW in acht te nemen. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een aan [B.V. 2] toerekenbare tekortkoming, [B.V. 2] mocht er in de gegeven omstandigheden op vertrouwen dat de gemeente geen bezwaar had tegen de overdracht aan [B.V. 3] en is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de gemeente een beroep doet op het ontbreken van de schriftelijke toestemming. Bijzondere omstandigheden kunnen aan een beroep op het ontbreken van schriftelijke toestemming in de weg staan. Deze omstandigheden zijn dat de overeenkomst niet meer kon worden nagekomen, de gemeente actief een rol op zich heeft genomen door met [B.V. 3] gesprekken te voeren zonder aan [B.V. 2] aan te geven dat er wellicht nog bezwaren zouden volgen, de gemeente heeft niet gesteld dat zij toestemming wilde weigeren en/of voorwaarden aan de toestemming wilde verbinden, terwijl evenmin duidelijk is welke voorwaarden dat dan zouden zijn en onduidelijk is waarom geen voorwaarden aan [B.V. 3] zijn gesteld. Bij het voorgaande komt, zo betoogt [appellanten] , dat de gemeente wist dat het plan van [B.V. 3] alleen kon worden gerealiseerd als [B.V. 3] de grond van [B.V. 2] zou verkrijgen en de gemeente actief medewerking heeft verleend aan het bouwplan van [B.V. 3] , terwijl de gemeente wist dat er een verbod was op overdracht van de contractpositie. De gemeente heeft verder in de anterieure overeenkomst met [B.V. 3] slechts een boetebedrag van € 50.000,-- gehanteerd voor overdracht van haar contractpositie door [B.V. 3] zonder toestemming. Dat de gemeente aan [B.V. 3] geen voorwaarden kon opleggen omdat de grond al aan [B.V. 3] was overgedragen is onjuist omdat de gemeente daartoe bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke mogelijkheden had, aldus nog steeds [appellanten] Vertrouwen? 9.8.4.1 Naar het hof begrijpt heeft [appellanten] haar betoog dat [B.V. 2] er op mocht vertrouwen dat de gemeente geen bezwaar had tegen de overdracht van het resterende perceel door haar aan [B.V. 3] , mede gebaseerd op de door haar gestelde omstandigheid dat de gemeente en [B.V. 3] (mondeling) overeenstemming hadden bereikt over de ontwikkeling door [B.V. 3] van het perceel voordat dat perceel door [B.V. 2] aan [B.V. 3] werd overgedragen. Bij conclusie van antwoord heeft [appellanten] betoogd dat deze overeenstemming tijdens het gesprek van 16 april 2018 tot stand is gekomen en bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is door haar betoogd dat [betrokkene 3] heeft aangegeven dat de gemeente heeft ingestemd en [betrokkene 3] toen heeft aangedrongen op levering van de grond. Het hof oordeelt dat door [appellanten] onvoldoende is onderbouwd dat bedoelde overeenkomst/overeenstemming tussen de gemeente en [B.V. 3] bestond voordat het perceel op 23 november 2018 aan [B.V. 3] werd overgedragen. Een overeenkomst noch een besluit daar toe is overgelegd. Dat bedoelde overeenkomst op 16 april 2018 mondeling tot stand is gekomen, is evenmin voldoende onderbouwd. Als getuige heeft [betrokkene 3] op 19 januari 2023, in het voorlopig getuigenverhoor, verklaard “(…) Het plan om de woningen daar te ontwikkelen op die locatie is met open armen ontvangen. (…)”. Dat is naar het oordeel van het hof nog onvoldoende om het bestaan van een overeenkomst of overeenstemming aan te nemen, waarbij komt dat [betrokkene 3] als getuige toen vervolgens in het kader van de totstandkoming van de anterieure overeenkomst tussen [B.V. 3] en de gemeente heeft verklaard “(…) wij moesten een stukje grond van de gemeente kopen en daar hebben we discussie overgehad. Over de prijs (…)”. Naar het hof het standpunt van partijen begrijpt is in november 2018 door [B.V. 3] bij de gemeente een verzoek voor het opstellen van een anterieure overeenkomst gedaan. Volgens de gemeente is de eerste versie van de anterieure overeenkomst van januari 2019. Gelet daarop en de verklaring van [betrokkene 3] kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat tussen de gemeente en [B.V. 3] overeenstemming bestond over de ontwikkeling van het perceel door [B.V. 3] voordat het perceel op 23 november 2018 aan [B.V. 3] werd overgedragen. Weliswaar heeft [appellanten] betoogd dat de versie van januari 2019 waarschijnlijk niet de eerste versie van de anterieure overeenkomst was, maar in het licht van het betoog van de gemeente dat de eerste versie van de anterieure overeenkomst dateert van januari 2019 en de definitieve versie van augustus 2019 - terwijl [appellanten] de e-mail van 31 januari 2019 tussen [persoon A] en [persoon B] van de gemeente waarover zij stellen te beschikken en waaruit volgens haar zou blijken dat er waarschijnlijk nog een eerdere versie is, niet heeft overgelegd - had het op de weg van [appellanten] gelegen haar standpunt dat vóór overdracht van het perceel op 23 november 2018 overeenstemming tussen de gemeente en [B.V. 3] bestond nader te onderbouwen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de definitieve versie van de anterieure overeenkomst dateert van 29 augustus 2019 zodat mede daarom, zonder nadere onderbouwing die [appellanten] niet heeft gegeven, niet gezegd kan worden dat vóór die datum overeenstemming tussen [B.V. 3] en de gemeente bestond. 9.8.4.2 Ten aanzien van het verdere betoog van [appellanten] dat [B.V. 2] er op mocht vertrouwen dat de gemeente geen bezwaar had tegen de overdracht van het perceel door [B.V. 2] aan [B.V. 3] oordeelt het hof als volgt. De omstandigheid dat nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst niet mogelijk was en de gemeente niet op het verzoek van [B.V. 2] van februari 2018 en de herinneringen daartoe van 16 april 2018 en 5 juli 2018 om toestemming tot overdracht van het perceel aan [B.V. 3] heeft gereageerd, betekent niet - ook niet in het licht dat de gemeente geen goedkeuring verleende voor aangeboden herziene bouwplannen van [B.V. 2] , de oorspronkelijke planopzet met instemming van de gemeente was verlaten, de gemeente met de verkoop van de andere twee percelen had ingestemd en de omstandigheid dat de gemeente onderhandelingen voerde met [B.V. 3] - dat [B.V. 2] er op mocht vertrouwen dat de gemeente geen bezwaar had tegen overdracht van het perceel aan [B.V. 3] . Dat [B.V. 2] er op mocht vertrouwen dat toestemming voor de overdracht, was verleend door de daartoe bij de gemeente bevoegde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.