GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.341.434/01 arrest van 18 maart 2025 gewezen in het incident ex artikel 234 Rv van [appellant] , wonende te [woonplaats] (L), appellant, verweerder in het incident, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. P.J.L. Tacx te Someren, tegen [geïntimeerde] , i.h.v. vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, eiseres in het incident, hierna te noemen: de vereffenaar, advocaat: mr. J.B. Gubbels te Roermond. als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 augustus 2024 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/321523 / KG ZA 23-309 gewezen vonnis van 26 april 2024. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 6 augustus 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 oktober 2024; de memorie van grieven van [appellant] ; de memorie van antwoord tevens een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de vereffenaar; antwoordconclusie in het incident van [appellant] ; akte van [appellant] ; antwoordakte van de vereffenaar. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 6De verdere beoordeling In het incident 6.1. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter [appellant] veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van dat vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) te verlaten en te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken niet van [appellant] zijn en tot de nalatenschap behoren, en ontruimd te houden alsmede de sleutels af te geven aan de vereffenaar op straffe van een dwangsom. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde is afgewezen. Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 6.2. In het onderhavige incident vordert de vereffenaar het bestreden vonnis op de voet van artikel 234 Rv alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vereffenaar heeft daartoe aangevoerd dat in de inleidende dagvaarding per abuis niet is verzocht om de verzochte beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het gevolg is dat door het instellen van het hoger beroep door [appellant] de vereffenaar nog steeds niet verder kan met de vereffening en afwikkeling van de nalatenschap waarvan de erflaatster (moeder van [appellant] ) al 7 jaar geleden is overleden. De vereffenaar stelt dat de voorzieningenrechter een belangenafweging heeft gemaakt en hierbij heeft geoordeeld dat het belang van de vereffenaar zwaarder weegt dan het belang van [appellant] . De vereffenaar verwijst naar het hierna genoemde arrest van de Hoge Raad waarin is overwogen dat het een belangrijk gezichtspunt is dat de vorige rechter de vordering toewijsbaar heeft geoordeeld en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebezigd als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Om verdere vertraging en kosten te voorkomen verzoekt de vereffenaar om het bestreden vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij stelt dat zij er recht en belang bij heeft om het in het haar voordeel uitgesproken vonnis reeds nu ten uitvoer te kunnen leggen, omdat zij anders (mogelijk) nog lange tijd zal moeten wachten totdat er een arrest is dat kan worden geëxecuteerd en zij betaling kan verkrijgen. 6.3. [appellant] heeft verweer gevoerd tegen de vordering in het incident. Daarop zal in het hiernavolgende worden ingegaan. 6.4. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring (artikel 234 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.