Parketnummer : 20-001971-24 Uitspraak : 12 maart 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant Breda, zittingsplaats, van 16 juli 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-340439-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, wonende te [adres 1] . Hoger beroep De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘opzettelijk in vereniging handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 1.200,00 euro verbeurdverklaard. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 200,00. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren. De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 16 september 2021 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 82 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 16 september 2021 te Roosendaal opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 29 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal algemeen dossier Bielefeld van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, teamrecherche Oosterscheldebekken, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie, registratienummer PL2000-2021248086, gesloten d.d. 21 december 2021, inhoudende een verzameling in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 185 en met ongenummerde bijlagen (in totaal 216 pagina’s). De inhoud daarvan is hierna telkens zakelijk weergegeven. 1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 september 2021, dossierpagina’s 45-48, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : Op 16 september 2021 heeft er een doorzoeking ter inbeslagname plaats gevonden in de woning die gelegen is op het adres [adres 2] . Op de begane grond van de woning bevonden zich de woonkamer en keuken. Verder zat er aan de achterzijde aan halletje richting de achtertuin waar de wc en de trap naar boven zaten. Op de eerste etage waren 4 ruimtes. Dit betroffen 3 slaapkamers en 1 badkamer. Goednummer: PL2000-2021248086-2376846 Categorie omschrijving: amfetamine Totale hoeveelheid: 29,5 gram netto Specificatie: 2.1.1 aangetroffen in vriezer in keuken. Goednummer: PL2000-2021248086-2376844 Categorie omschrijving: amfetamine Totale hoeveelheid: 53 gram netto amfetamine Specificatie: 2.3 aangetroffen in vriezer in keuken. Goednummer: PL2000-2021248086-2376714 Categorie omschrijving: geld Totale hoeveelheid: 1200 euro in verschillende coupures Specificatie: 3.1 aangetroffen in slaapkamer 3 op de kast in zwart doosje 2. Het proces-verbaal van bevindingen PL2000-2021248086-34, d.d. 16 september 2021, dossierpagina’s 57-58, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : In het kader van het onderzoek naar de inbeslagname van inbeslaggenomen goederen in een woning gelegen aan [adres 2] , gemeente Roosendaal werd op 16 september 2021, verklaar ik, verbalisant [verbalisant 2] , het volgende: Door mij werd deze stof, voorzien van het goednummer 2376846, later verpakt in sealbag 72227762. Na een indicatieve scan met voornoemde TruNarc zag ik dat de uitslag van deze scan amfetamine betrof. Na weging betrof het netto gewicht van de amfetamine 29,5 gram. 3. De eigen waarneming van het hof van de fotomap als bijlage bij het proces-verbaal PL2000-2021248086-34, dossierpagina’s p. 51-56, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] : Beschrijving van de foto’s op p. 53, 55 en 56: het hof neemt op de foto op p. 53 waar dat bakjes met witte brokken en wit poeder duidelijk in het zicht op de afzuigkap in de keuken aanwezig zijn; het hof neemt op de foto’s op p. 55-56 waar dat twee plastic zakjes met wit poeder voor in het vriesvak van de koelkast, volledig zichtbaar op het bovenste gedeelte liggen. 4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 september 2021, dossierpagina’s 62-63, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Omschrijving stukken van overtuiging: aantal: 1 soort: monster kleur: wit gewicht bronpartij: 29 gram resultaat indicatieve test: amfetamine SIN: AAMJ9240NL goednummer monster : 2377995 goednummer bronpartij : 2376846 5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2021, dossierpagina’s 64-66, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] : Op 28 september 2021 onderzocht ik de navolgende monsters met vermoedelijk verdovende middelen: Goednummer: PL2000-2021248086-2377995 Categorie omschrijving: Medicamenten/hulpmiddelen Object: Verdovende mid (Amfetamine) Aantal: 1 stuks Totale hoeveelheid: 1 g Land: Nederland Bijzonderheden: Monster uit goednummer 2376846 6. Het NFI-rapport NFiDENT d.d. 29 september 2021, dossierpagina 67, opgemaakt door ing. N. van Doorn: Zaaknummer: 2021.09.28.066 (aanvraag 003) Politieregistratienummer: PL2000-2021248086 Ontvangen van: Forensische Opsporing Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant Vraagstelling: Bevat het materiaal amfetamine, cocaïne, heroïne, metamfetamine en/of MDMA? Resultaten en conclusie Kenmerk: AAMJ9240NL Omschrijving FO: poeder, wit, uit 29 gram Conclusie: bevat amfetamine Aanvullende informatie: Amfetamine is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet. Bewijsoverweging De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern weergegeven – aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de amfetamine in de vriezer in haar woning. Daarbij betrekt de raadsman onder meer dat allerminst valt uit te sluiten dat de drugs kort voorafgaand aan het binnentreden door de politie in de woning zijn geplaatst, immers heeft de verdachte in de loop van de ochtend op 16 september 2021 de woning verlaten. Op 16 september 2021 om 10:10 uur vindt het contact met de medeverdachte en zoon van de verdachte, [medeverdachte] , plaats op het adres [adres 3] , waar een lab waar amfetaminepasta wordt vervaardigd wordt aangetroffen. Om 12:52 uur vindt de inval in de woning van de verdachte pas plaats. Gelet op bovenstaande is het mogelijk dat de zoon van de verdachte in de tussentijd verdovende middelen heeft geplaatst in de woning van de verdachte. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Op 16 september 2021 werd in de vriezer in de woning van de verdachte aan [adres 2] amfetamine aangetroffen. Blijkens de foto’s genomen tijdens het onderzoek in de woning lagen de twee plastic zakjes met wit poeder, wat later bleek amfetamine, voor in het vriesvak van de koelkast, volledig zichtbaar op het bovenste gedeelte. Na onderzoek blijkt het om in totaal ongeveer 82 gram amfetamine te gaan. Bij de doorzoeking van de woning zijn in de keuken van de woning, blijkens de foto’s genomen tijdens het onderzoek op de afzuigkap – en aldus in het zicht – kunststof bakjes met daarin witte brokken en wit poeder te zien. Uit onderzoek blijken de resten in deze bakjes amfetamine te bevatten. In een slaapkamer in de woning worden onder meer meerdere telefoons en € 1.200,00 in grote coupures aangetroffen. De woning aan [adres 2] betrof de woning van de verdachte. De verdachte heeft zich tijdens het verhoor van de politie beroepen haar zwijgrecht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij ten tijde van het tenlastegelegde veel tijd doorbracht in haar bed op de bovenverdieping, vanwege haar gezondheid. Zij kwam nauwelijks op de benedenverdieping en heeft de verdovende middelen in de keuken en de vriezer dan ook niet gezien. Aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen aan [adres 2] Het hof stelt vast dat de aan de verdachte tenlastegelegde hoeveelheid van ongeveer 82 gram uit twee partijen bestaat, te weten een partij van 53 gram en een partij van ongeveer 29 gram. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 september 2021, op pagina 62 van het dossier, is onder stukken van overtuiging van de verdovende middelen die zijn aangeboden aan het NFI voor nader onderzoek, opgenomen dat ten aanzien van de bronpartij met een gewicht van 53 gram het goednummer van het monster 2376790 zou zijn en het goednummer van de bronpartij 2377981 zou zijn. Hier is SIN-nummer AAMJ9241NL aan gekoppeld. De partij met SIN-nummer AAMJ9241NL is onderzocht door het NFI, met de conclusie dat de partij amfetamine bevat. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 september 2021, op pagina 37 van het dossier, is te zien dat goednummer van het monster 2376790 is gekoppeld aan een andere aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen, te weten een hoeveelheid van 206,1 gram wit poeder/pasta, aangetroffen op [adres 3] . Het goednummer dat is gekoppeld aan de partij van 53 gram, welke partij onder meer aan de verdachte ten laste is gelegd, is blijkens het proces-verbaal bevindingen d.d. 17 september 2021, op pagina 46 van het dossier, 2376844. Dit goednummer komt niet terug in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 september 2021, op pagina 62 van het dossier, onder stukken van overtuiging van de verdovende middelen die zijn aangeboden aan het NFI voor nader onderzoek. Het hof komt tot de conclusie dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de door het NFI onderzochte partij met SIN-nummer AAMJ9241NL afkomstig is uit de hoeveelheid van 53 gram. Dientengevolge kan het hof niet tot een bewezenverklaring komen ten aanzien van de hoeveelheid van 53 gram en zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde voor zover dat ziet op de hoeveelheid van 53 gram. De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet, is of de verdachte de hoeveelheid van ongeveer 29 amfetamine, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in de zin van artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet. Daartoe overweegt het hof het volgende. Medeplegen Op grond van bestendige jurisprudentie moet voor medeplegen sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag die in de onderhavige strafzaak centraal staat, is of de verdachte zo nauw en volledig met een of meer anderen heeft samengewerkt ter zake van het aanwezig hebben van de tenlastegelegde amfetamine, dat van medeplegen kan worden gesproken. Het hof oordeelt dienaangaande dat het op grond van de voorliggende bewijsmiddelen onvoldoende bewijs voorhanden acht om tot bewezenverklaring van het medeplegen van het aanwezig hebben van de amfetamine te komen. De verdachte wordt daarvan dan ook vrijgesproken. Opzettelijk aanwezig hebben Het aanwezig hebben van verdovende middelen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet, geldt als misdrijf indien wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op dat aanwezig hebben. Als dat opzet niet wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard, of als de situatie van artikel 11 lid 6 of lid 7 Opiumwet zich voordoet, levert het handelen in strijd met artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet een overtreding op. Volgens bestendige jurisprudentie is sprake van “aanwezig hebben” als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het “aanwezig hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622). Voor “opzettelijk aanwezig hebben” is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard (vgl. o.a. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1263; HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7435; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622). Kort samengevat is voor het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen vereist:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.