Parketnummer : 20-000069-24 Uitspraak : 12 maart 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-265219-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, thans volgens opgave van zijn raadsman verblijvende in Venezuela en bereikbaar middels het adres: [adres] . Hoger beroep De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van: - feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, - feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en - feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de onder de verdachte inbeslaggenomen telefoon verbeurdverklaard. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft primair: - vrijspraak bepleit van feit 2; - bepleit dat ten aanzien van feit 1 de tenlastegelegde periode dient te worden ingekort; - bepleit dat ten aanzien van feit 3 de hoeveelheid hennep dient te worden gematigd. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij, op een of meerdere momenten, in of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot en met 9 oktober 2023 te Roosendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.hij op of omstreeks 9 oktober 2023 te Roosendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1695 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3.hij op of omstreeks 9 oktober 2023 te Roosendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7116 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.hij, op momenten in de periode van 1 september 2023 tot en met 9 oktober 2023 te Roosendaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; 2.hij op 9 oktober 2023 te Roosendaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1695 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en 29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 3.hij op 9 oktober 2023 te Roosendaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 7116 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 2. Daartoe is – in de kern weergegeven – aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad met betrekking tot de aanwezigheid van de aangetroffen harddrugs in de woning van [medeverdachte] . Het feit dat de verdachte op de hoogte was van de hennep die aanwezig was, is niet voldoende om de wetenschap voor de harddrugs aan te nemen. Voorts heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 naar voren gebracht dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich gedurende de gehele tenlastegelegde pleegperiode schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gedragingen. Tot slot heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de door de politierechter bewezenverklaarde concrete hoeveelheid van 7.116 gram hennep. De verdachte heeft een verklaring afgelegd, inhoudende dat hij 5 kilo hennep moest ophalen en afleveren. Er is onvoldoende onderzoek gedaan dat uitsluit dat de verdachte meer wist dan de opdracht waarvoor hij naar de woning toe gestuurd was, hetgeen betrekking had op die 5 kilo. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Feit 1 Met de raadsman is het hof van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich gedurende de gehele tenlastegelegde pleegperiode schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gedragingen. Het hof zal, gelet op de verklaring van verdachte, uitgaan van een kortere pleegperiode en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft gepleegd in de periode van 1 september 2023 en 9 oktober 2023. Algemene bewijsoverweging feit 2 en feit 3 Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij op 9 oktober 2023 in de woning van [medeverdachte] aan de [woonadres] opzettelijk aanwezig heeft gehad 1695 gram MDMA en 29 gram cocaïne. Onder feit 3 wordt de verdachte verweten dat hij op 9 oktober 2023 in bovengenoemde woning opzettelijk aanwezig heeft gehad 7.116 gram hennep. Deze verdovende middelen zijn aangetroffen in een niet afgesloten slaapkamer van de woning. Vast staat dat de verdachte op genoemde datum, terwijl de politie de woning aan het doorzoeken was, de voordeur van de woning heeft geopend met een sleutel en de woning heeft betreden. De verdachte was in het bezit van een sleutel van het pand en had toegang tot de ruimte waar de drugs zijn aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de kamer had verhuurd en dat er wekelijks personen met tassen de woning in- en uitgingen. Verder is in de telefoon van de verdachte een filmpje aangetroffen met daarop tassen met drugs in de woning, waarop de stem van de verdachte te horen is, die door een verbalisant wordt herkend. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 9 oktober 2023 5 kilo hennep moest ophalen in de woning van [medeverdachte] en dat hij deze hennep naar coffeeshops in Tilburg en Breda moest brengen. Tot slot heeft de verdachte verklaard meerdere keren in de woning te zijn geweest. De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of de verdachte de MDMA en cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad in de zin van artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet en de tenlastegelegde hoeveelheid van 7.116 gram hennep – zijnde meer dan de 5 kilo zoals de verdachte heeft verklaard – opzettelijk aanwezig heeft gehad in de zin van artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet. Daarvoor is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen én dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden. Volgens bestendige jurisprudentie is sprake van “aanwezig hebben” als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het “aanwezig hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622). Voor “opzettelijk aanwezig hebben” is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard (vgl. o.a. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1263; HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7435; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622). Kort samengevat is voor het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen vereist:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.