GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie-en jeugdrecht zaaknummer 200.349.589/01 arrest van 25 maart 2025 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. G.A.P. Avontuur, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg. In zijn hoedanig als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. op het bij exploot van dagvaarding van 7 januari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 november 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda), gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/428385 / KG ZA 24-541) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het procesdossier eerste aanleg; de dagvaarding in hoger beroep met grieven; de memorie van antwoord van 4 februari
- 2.
- Op 25 februari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, gehoord en een medewerker van de raad, te weten [persoon A]. 2.
- Het hof heeft de [minderjarige 1] uitgenodigd om met het hof te komen praten. Zij heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van haar ouders en de raad een gesprek gehad met de voorzitter in bijzijn van de griffier. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.
- Na de mondelinge behandeling heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en wat op de mondelinge behandeling door partijen en de raad naar voren is gebracht. 3De beoordeling 3.
- Partijen zijn van 15 mei 2015 tot 28 maart 2022 met elkaar getrouwd geweest. Tijdens hun huwelijk zijn geboren: [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), geboren op [geboortedatum ] te [geboorteplaats]; [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), geboren op [geboortedatum ] te [geboorteplaats]. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. [minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de man en [minderjarige 2] op het adres van de vrouw. 3.
- De echtscheiding tussen partijen is uitgesproken bij beschikking van 16 maart 2022 en is op 28 maart 2022 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Onderdeel van de echtscheidingsbeschikking was een ouderschapsplan, door partijen op 28 januari 2022 ondertekend, waarbij partijen met elkaar hebben afgesproken dat de verzorging en opvoeding van de kinderen tussen hen gelijkelijk wordt verdeeld. 3.
- Tegelijkertijd met deze kort geding-procedure zijn partijen met elkaar in een bodemzaak verwikkeld over meerdere onderwerpen die de kinderen betreffen: het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. De rechtbank heeft in die procedure een raadsonderzoek gelast en partijen zijn op eigen initiatief door het CJG verwezen naar Groei Jeugdhulp voor een verbetering van de onderlinge verhouding en communicatie. Bij beschikking van 21 december 2023 is de zorgregeling als volgt voorlopig gewijzigd: Oneven weken: - maandag: haalt de man de kinderen van school en brengt ze dinsdagochtend naar school - dinsdag: zijn de kinderen bij de man - woensdag: zijn de kinderen bij de vrouw - donderdag: zijn de kinderen bij de vrouw - vrijdag: zijn de kinderen bij de vrouw en wordt [minderjarige 1] door de man van school gehaald en wordt [minderjarige 2] door de vrouw naar de man gebracht om 14.15 uur omdat zij op vrijdag nog niet naar school gaat - weekend: zijn de kinderen bij de man en brengt hij de kinderen maandag naar school Even weken: - maandag: haalt de man de kinderen van school en brengt ze dinsdagochtend naar school - dinsdag: zijn de kinderen bij de man - woensdag: zijn de kinderen bij de vrouw - donderdag: zijn de kinderen bij de vrouw - vrijdag: zijn de kinderen bij de vrouw - weekend: zijn de kinderen bij de vrouw en brengt zij de kinderen maandag naar school Bij de rechtbank 3.4.
- De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat de zorgregeling tussen de man en de kinderen geschorst wordt voor de looptijd van het onderzoek naar veiligheid en veiligheidsbeleving van de kinderen; II. te bepalen dat het de man niet is toegestaan op de school van de kinderen (gelegen aan de [straatnaam] te [plaats]) te verschijnen, dan wel in de straat van de vrouw ([straatnaam] te [plaats]). 3.4.
- De man vordert in conventie de vrouw in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans die vordering(en) als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen. In reconventie vordert de man het volgende: primair: te bepalen dat de zorgregeling tussen de kinderen en de vrouw geschorst wordt en te bepalen dat de kinderen voorlopig bij de man verblijven; subsidiair: de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de zorgregeling met bepaling dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag voor iedere dag dat ze hiermee in gebreke blijft; meer subsidiair, indien en voor zover de vorderingen van de vrouw (deels) worden toegewezen:
- te bepalen dat de man recht heeft op contact met de kinderen gedurende één weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag na school tot en met maandagochtend, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, althans te bepalen dat de man recht heeft op contact met de kinderen op een manier die de voorzieningenrechter juist acht;
- te bepalen dat de vrouw verplicht is de kinderen per direct naar school te laten gaan, met bepaling dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag voor iedere dag dat zij hiermee in gebreke blijft. De man heeft zowel in conventie als in reconventie gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten. 3.4.
- Bij het bestreden vonnis van 26 november 2024 heeft de voorzieningenrechter in conventie en reconventie de vrouw veroordeeld met ingang van de datum van dat vonnis tot nakoming van de zorgregeling zoals voorlopig is vastgesteld bij beschikking van 21 december 2023 en heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de vrouw een dwangsom van € 250,- verbeurt voor iedere dag dat zij deze zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,-. Verder heeft de voorzieningenrechter de raad verzocht om in de bodemprocedure een onderzoek te doen en vervolgens rapport en advies uit te brengen in de bodemprocedure, vóór 27 mei
- Tot slot heeft de voorzieningenrechter het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Bij het hof 3.5.
- De vrouw heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat haar vordering in conventie alsnog wordt toegewezen en de vordering in reconventie van de man wordt afgewezen. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar vordering onder II (te bepalen dat het de man niet is toegestaan te verschijnen op de school van de kinderen dan wel in de straat van de vrouw) ingetrokken, zodat het hof de vrouw hierin niet-ontvankelijk zal verklaren. 3.5.
- De man heeft in zijn memorie van antwoord gevorderd de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep c.q. de grieven van de vrouw af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. 3.5.
- De vijf grieven van de vrouw luiden – samengevat en zakelijk weergeven – als volgt: Grief 1: Ten onrechte oordeelt de voorzieningenrechter dat uit het verslag van Groei Jeugdhulp de conclusie kan worden getrokken dat de kinderen het bij ieder van de ouders naar de zin hebben. De kinderen vertellen al jarenlang tegen de vrouw dat de man niet komt als ze ’s nachts roepen/bang zijn en dat ze niet geholpen worden als ze in bed gespuugd hebben. [minderjarige 1] zorgt ‘s nachts voor [minderjarige 2]. De kinderen zijn erg angstig bij de man, omdat hij de kinderen voortdurend films laat zien die eng of gruwelijk zijn (zoals Pirates of the Caribbean, de horrorfilm Sint, Wednesday, de heks Momo) en schadelijk zijn voor (hele) jonge kinderen volgens de Kijkwijzer. Grief 2: Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter dat de ouders een verschil in opvoedstijl hebben en dat die van de vrouw aanmerkelijk verschilt van die van de man. Wat hier voorligt is niet een verschil in visie over de opvoedstijl, maar de vraag of de kinderen verwaarloosd en bang gemaakt worden door de man. De man laat zich hierin op geen enkele manier aanspreken. De man pakt de mottenplaag in zijn huis niet aan, terwijl [minderjarige 1] bang is voor motten en vlinders. De man laat de kinderen tegen heug en meug ’s ochtends pap eten en dient dit in de middag nogmaals op als zij dit niet opeten. De kinderen moeten hiervan kokhalzen. Daarnaast heeft de man geen medische hulp ingeroepen toen [minderjarige 2] werd gebeten door de hond van de man, terwijl tetanusinjecties nodig waren. De man geeft geen toestemming voor: deelname aan het rijksvaccinatieprogramma, controles bij de schoolarts/GGD, de door school geadviseerde begeleiding van [minderjarige 1], speltherapie en voor afname van een NICHD-interview bij Veilig Thuis. Grief 3: Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter dat de beschuldigingen en zorgen van de vrouw alleen gestoeld zijn op haar eigen beleving en de verhalen die zij hoort van de kinderen. De kinderen hebben de verhalen die zij de vrouw hebben verteld, ook verteld aan de kind-behartiger van Groei Jeugdhulp. De angst voor motten en vlinders komt ook terug in het dossier van de huisarts, evenals het gedoe rond de tetanusinjectie. Grief 4: Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het incident met de BB-gun onvoldoende aanleiding was om de zorgregeling stop te zetten. [minderjarige 1] heeft aan de vrouw verteld dat papa een pistool heeft en dat ze daar erg van was geschrokken. De politie is daarop met een bevel doorzoeking naar de woning van man gegaan. De man heeft de BB-gun overhandigd aan de politie. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat de kinderen het incident niet als belastend zouden hebben ervaren. Grief 5: Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw afgewezen en die van de man toegewezen. De vrouw voert tot slot aan dat gewicht moet worden toegekend aan het feit dat de kinderen ongepast geseksualiseerd gedrag laten zien, waarnaar de man ieder onderzoek frustreert. 3.5.
- De man verweert zich, samengevat, als volgt. Grief 1: Uit het verslag van Groei Jeugdhulp komt duidelijk naar voren dat de kinderen hebben aangegeven dat zij het bij beide ouders naar hun zin hebben en dat er geen sprake is van problematisch gedrag of gevoelens jegens één van de ouders. De kinderen hebben duidelijk aangegeven dat zij plezier beleven aan de activiteiten met de man. Zij hebben daarbij expliciet verteld dat zij hier geen enge dromen van krijgen. De beschrijving van de vrouw over het eten van pap bij de man thuis is niet alleen overtrokken, maar ook volkomen uit zijn verband gerukt. De opmerkingen over motten en vlinders, hoewel begrijpelijk vanuit een kinderlijk perspectief, worden door de vrouw wederom overdreven om een groter probleem te suggereren dan feitelijk bestaat. Angsten voor insecten zijn gebruikelijk bij jonge kinderen en zijn geen indicaties van onveiligheid bij de man. Grief 2: De vrouw wijkt af van de destijds door partijen gezamenlijk gekozen opvoedstijl zonder objectieve redenen, wat niet alleen schadelijk is voor de samenwerking tussen ouders maar ook wijst op persoonlijke motieven die haar narratief lijken te dienen in plaats van het belang van de kinderen. De kwestie van het roepen ’s nachts wordt uitvergroot. De zogenaamde ‘mottenplaag’ waar de vrouw aan refereert is allang en volledig verholpen. Voor zover de man de kinderen ‘enge films’ laat kijken, verdraait de vrouw de feiten om haar eigen verhaal kracht bij te zetten. De situatie rondom de hond wordt ook volledig uit haar context gehaald. De vermeende ‘bijtwond’ was feitelijk een botsing tussen de kop van de hond en [minderjarige 2]’s oogkas, wat resulteerde in een blauw oog, zonder dat er sprake was van een daadwerkelijk bijtincident. Grief 3: Inmiddels blijkt dat de ‘verhalen’ van de vrouw niet op feiten berusten, maar eerder misleidend zijn. De situatie rondom het vermeende weigeren van toestemming voor medische interventies ligt volledig anders dan de vrouw schetst. De spanningen bij de kinderen na de zomervakantie van 2024 staan in direct verband met de escalerende acties van de vrouw en de betrokkenheid van Veilig Thuis. Het causale verband is duidelijk: de interventies van Veilig Thuis volgden op meldingen van de vrouw, die slechts escalaties uitlokt. Grief 4: Er is geen sprake van een ‘BB-gun-incident’, maar eerder van een door de vrouw gemanipuleerde situatie. Uit de verklaringen van de kinderen volgt dat zij dit zelf niet als belastend hebben ervaren. Bovendien wist de vrouw dat de man een speelgoedwapen in zijn bezit had en heeft zij deze situatie bewust laten escaleren om haar eigen doelen te bereiken. De vrouw heeft de BB-gun immers 15 jaar geleden tijdens een vakantie in Turkije met de man gekocht. Grief 5: Pas na herhaalde sommeringen van de politie gaf de vrouw gehoor aan onderhavig vonnis, wat haar hardnekkige onwil illustreert om rechtmatige beslissingen te respecteren en de escalatie te bevorderen. De man vindt het niet meer dan redelijk dan dat de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten, omdat zij de man opnieuw nodeloos op kosten jaagt. 3.5.
- De raad heeft het hof geadviseerd om de vorderingen in hoger beroep af te wijzen. De raad heeft namelijk geen zorgen over de wijze waarop de man uitvoering geeft aan de zorgregeling, maar wel over de wijze waarop de kinderen worden blootgesteld aan de echtscheidingsproblematiek tussen hun ouders. De raad heeft op basis van het zogenoemde ‘vlaggensysteem’ geen zorgen over het gedrag van [minderjarige 2]. Het past bij haar leeftijd dat zij haar broek kan laten zakken en af en toe seksueel getinte taal uitslaat. Dat is op zichzelf niet opvallend of zorgwekkend. Beter zou zijn als de ouders dit soort dingen op rustige manier met elkaar zouden bespreken. Nu zitten de ouders in een soort spel verwikkeld waarin ze elkaar beschuldigen van incidenten en leugens. Door de manier waarop de ouders nu met elkaar omgaan worden alle aantijgingen in het onduidelijke getrokken, ook voor de raad. Als er echt iets zorgwekkends aan de hand is, is er een groot risico dat dit hierdoor door de ouders wordt gemist. Het onderzoek van de raad verkeert in de afrondende fase; de raad heeft hiervoor nog een paar weken nodig. De termijn die de rechtbank heeft gesteld, 27 mei 2025, wordt naar verwachting ruim gehaald. Het hof overweegt als volgt. 3.6.
- De spoedeisendheid van het belang van de vrouw bij haar verzoek is in hoger beroep niet in geschil en vloeit voort uit de aard van de zaak: het gaat om een zorgregeling tussen een vader en vrij jonge kinderen. 3.6.
- In wat de vrouw heeft aangevoerd, ziet het hof op dit moment onvoldoende aanleiding om te kunnen spreken van dermate ernstige zorgen over de kinderen in de thuissituatie van de man die nopen tot een tijdelijke stopzetting van de zorgregeling. Dit betekent niet dat het hof geen zorgen heeft over de kinderen en ook niet dat het hof de zorgen van de vrouw niet serieus neemt. Het hof is namelijk niet overtuigd – anders dan de voorzieningenrechter – dat de beschuldigingen en zorgen van de vrouw louter zijn gestoeld op haar eigen beleving en de verhalen die zij hoort van de kinderen. Op basis van het dossier blijkt dat de zorgen over de kinderen breder zijn dan dat en dat de zorgen niet alleen maar ‘uit de koker van de vrouw’ komen. De school van de kinderen heeft na de zomervakantie 2024 in toenemende mate spanningen gesignaleerd bij de kinderen. Uit het medisch dossier van de huisarts blijkt dat er bij [minderjarige 2] in april 2024 is genoteerd ‘hondenbeet gelaat’ en dat de huisarts [minderjarige 2] hiervoor een tetanusinjectie heeft gegeven. De man blijft consequent ontkennen dat er sprake is geweest van een bijtwond en blijft het eerst een blauwe plek en later ‘misschien een klein schrammetje’ noemen, zo ook op mondelinge behandeling in hoger beroep. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat een huisarts geen tetanusinjectie toedient op basis van een blauwe plek. In het algehele dossier is een patroon zichtbaar waarin de vrouw extreem veel zorgen uit over de wijze waarop de man de verzorging en opvoeding van de kinderen vormgeeft en de man vervolgens – zo ook op de mondelinge behandeling bij het hof – iedere zorg van de vrouw wegwuift en bagatelliseert, waarbij het hof opmerkt dat ook zeker niet aan álle zorgen die de vrouw heeft evenveel gewicht moet worden toegekend. Uit het dossier is voldoende gebleken dat de kinderen bovenal last hebben van de manier waarop beide ouders met elkaar omgaan. [minderjarige 1] was tijdens het kindgesprek helder in haar mening dat de boodschap aan haar ouders moet zijn dat ze moeten stoppen met ruzie maken. [minderjarige 1] vond het erg belangrijk te benadrukken dat zij zelf had besloten precies evenveel bij papa als bij mama te zijn. Het is zorgelijk dat een kind van 8 jaar hier zo merkbaar mee bezig is. Al met al heeft het hof zeker zorgen over (de ontwikkeling van) de kinderen, maar die worden niet weggenomen – anders dan de vrouw denkt – door de zorgregeling tussen de man en de kinderen stop te zetten. Partijen hebben namelijk jarenlang uitvoering gegeven aan een regeling waarbij de kinderen evenveel bij de man als bij de vrouw verbleven. De kinderen zijn hieraan gewend geraakt en zij hebben zowel een moeder als een vader nodig in hun leven. Eind 2024 heeft de vrouw deze regeling eigenhandig stopgezet en de kinderen weggehouden van school en van hun vader. Met ingang van het onderhavige vonnis van de voorzieningenrechter is de oude situatie hersteld. Hiermee is voldoende vast komen te staan dat de vrouw het vonnis en de druk die uitging van de dwangsom nodig had om de zorgregeling opnieuw na te leven. De beslissing van de voorzieningenrechter moet in stand blijven om te garanderen dat de vrouw de zorgregeling niet opnieuw stopzet. Voor een verdere beoordeling van alle over en weer geuite zorgen leent deze procedure in kort geding zich niet. Het is aan de bodemrechter om hierin verdere beslissingen te nemen nadat de raad zijn bevindingen en adviezen heeft gerapporteerd. Op grond van het vorenstaande wijst het hof het hoger beroep van de vrouw af. 3.6.
- Tot slot wijst het hof ook de vordering van de man af tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure. In dergelijke zaken wordt in het algemeen besloten tot compensatie van de kosten. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt: zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Het hof ziet in wat door de man is aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken en zal derhalve met toepassing van artikel 237 juncto 353 Rv de proceskosten compenseren. 3.6.
- Beslist wordt als volgt. 4De uitspraak Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; verklaart de vrouw niet-ontvankelijk voor zover zij in hoger beroep heeft gevorderd te bepalen dat het de man niet is toegestaan op de school van de kinderen (gelegen aan de [straatnaam] te [plaats]) te verschijnen, dan wel in de straat van de vrouw ([straatnaam] te [plaats]); wijst het meer of anders gevorderde over en weer af; compenseert de proceskosten in hoger beroep zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door mrs. E.P. de Beij, A.M. Bossink en F.M.E. Schulmer en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 maart
- griffier rolraadsheer