GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.342.481/01 en 200.343.043/01 zaaknummer rechtbank : C/02/403362 FA RK 22-5111 beschikking van de meervoudige kamer van 27 maart 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M.C.J.G. Kathmann te Breda, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal. Deze zaak gaat over de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 (hierna: [minderjarige 1] ) en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 (hierna: [minderjarige 2] ). In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 15 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep 2.1. De vrouw is op 15 juni 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 15 maart 2024. 2.2. De man heeft op 26 augustus 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3. Bij V-formulier van 18 oktober 2024 heeft de man het incidenteel hoger beroep ingetrokken. 2.4. De minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door het hof uitgenodigd hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt. 2.5. De mondelinge behandeling heeft op 20 februari 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is verschenen de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Kathmann pleitnotities in het geding gebracht en voorgedragen. Mr. De Jongh heeft tijdens de mondelinge behandeling een draagkrachtberekening en de jaaropgave 2024 van de man overgelegd. 3De feiten in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 februari 2024 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 21 februari 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.3. Partijen zijn de ouders van: - [jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2003 (hierna: [jongmeerderjarige 1] ), - [jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2005 (hierna: [jongmeerderjarige 2] ) - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 (hierna: [minderjarige 1] ) en - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2023 (hierna: [minderjarige 2] ). [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] zijn beiden reeds meerderjarig. In dit hoger beroep gaat het alleen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook: de kinderen). 4De omvang van het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep 4.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang: - bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de man hebben; - bepaald dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de minderjarige [minderjarige 2] de ene week verblijft bij de vrouw en de andere week bij de man, met als wisselmoment de zondagavond, waarbij de schoolvakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld; - bepaald dat de vrouw en de minderjarige [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben met contact met elkaar een dagdeel per veertien dagen; - de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen gelast op de wijze zoals vermeld in rechtsoverwegingen 3.27, 3.30, 3.31 en 3.33; - het verzoek van de vrouw ter zake de informatieregeling met betrekking tot [minderjarige 1] afgewezen; - het verzoek van de vrouw om een bijdrage ter dekking van de verblijfskosten van [minderjarige 2] afgewezen. 4.2. De vrouw verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de verdeling, het hoofdverblijf, de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] , de informatieregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en de bijdrage in de (verblijfs)kosten van [minderjarige 2] , en opnieuw rechtdoende: I. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] vast te stellen bij de vrouw, althans te bepalen dat [minderjarige 2] in de basisregistratie personen van de gemeente op het woonadres van de vrouw zal staan ingeschreven en daarbij te bepalen dat de vrouw is gerechtigd tot het kindgebonden budget voor [minderjarige 2] ; II. een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige 1] vast te stellen waarbij [minderjarige 1] eens per veertien dagen, in de week dat [minderjarige 2] bij de vrouw verblijft, een dagdeel bij de vrouw verblijft, althans een zorgregeling vast te stellen die het hof juist acht, of straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat de man de door het hof vastgestelde zorgregeling niet nakomt en aldus in gebreke blijft; III. te bepalen dat de man in het kader van zijn informatie- en consultatieverplichting de vrouw, eens per maand, uiterlijk op de laatste dag van de mand, per e-mail, op de hoogte stelt en raadpleegt over belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot [minderjarige 1] , zoals haar gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten en schoolkeuze en schoolprestaties, onder overlegging door de man van kopieën van schoolrapporten, althans een informatie- en consultatieregeling vast te stellen die het hof juist acht, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, voor iedere dag dat de man de door uw gerechtshof vastgestelde informatie- en consultatieregeling niet nakomt en aldus in gebreke blijft; IV. primair: te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] aan de vrouw dient te betalen van € p.m. per maand, althans een bedrag dat het hof juist acht, met ingang van 16 november 2022, althans met ingang van een datum die het hof juist acht; subsidiair: te bepalen dat de man een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw aan de vrouw dient te betalen van € p.m. per maand, althans 211,- per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, met ingang van 16 november 2022, althans met ingang van een datum die het hof juist acht; en daarbij te bepalen dat de man de door de vrouw voor de kinderen betaalde verblijfsoverstijgende kosten van € p.m., althans € 1.298,15, aan de vrouw dient terug te betalen, althans een bedrag dat het hof juist acht; V. voor zover de ontbonden huwelijksgemeenschap nog onverdeeld is: de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vast te stellen, dan wel de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te gelasten, waarbij: aan de man worden toegedeeld onder de door de vrouw voorgestelde voorwaarden: - de inboedelgoederen - de Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] - de [bank] Privérekening met Rood Staan (betaalrekening) met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van partijen - de [bank] Direct Sparen (spaarrekening) met rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van partijen - de [bank] Direct Sparen (spaarrekening) met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van partijen - de [bank] TotaalRekening (betaalrekening) met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ten name van partijen - de [bank] Internetspaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 5] ten name van partijen - de [bank] DirectRekening (betaalrekening) met rekeningnummer [rekeningnummer 6] ten name van de man; aan de vrouw worden toegedeeld onder de door de man voorgestelde voorwaarden: de Dacia Lodge met kenteken [kenteken 2] de [bank] BasisRekening (betaalrekening) met rekeningnummer [rekeningnummer 7] ten name van de vrouw; dan wel een verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vast te stellen c.q. een wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vast te gelasten als het hof juist acht. Kosten rechtens. De grieven van de vrouw zien op: - het hoofdverblijf van [minderjarige 2] (grief 1); - de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] (grief 2); - de informatie- en consultatieregeling ten aanzien van [minderjarige 1] (grief 3); - de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (grief 4); - de inboedelgoederen (grief 5); - de waarde van de auto’s (grief 6). 5De motivering van de beslissing Hoofdverblijf van [minderjarige 2] (grief 1 in principaal hoger beroep) 5.1. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw haar eerste grief ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] ingetrokken. Het hof zal de vrouw daarom op dit punt alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Zorgregeling (grief 2 in principaal hoger beroep en incidenteel hoger beroep man) [minderjarige 2] 5.2. Bij V-formulier van 18 oktober 2024 heeft de man zijn incidenteel hoger beroep, dat was gericht tegen de zorgregeling met betrekking tot [minderjarige 2] , ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de man zijn grief in incidenteel hoger beroep niet langer handhaaft en zal de man alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn incidenteel hoger beroep. [minderjarige 1] 5.2.1. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw desgevraagd bevestigd dat zij geen ander dictum wenst ten aanzien van de zorg- en contactregeling met [minderjarige 1] , maar dat zij nakoming wenst van de door de rechtbank vastgestelde regeling op straffe van een dwangsom. 5.2.2. De man is van mening dat de door de vrouw verzochte dwangsom moet worden afgewezen. De man staat het contact tussen [minderjarige 1] en de vrouw niet in de weg; hij stimuleert [minderjarige 1] om contact te hebben met de vrouw, maar hij kan haar, gezien haar leeftijd, niet dwingen om naar de vrouw te gaan. 5.2.3. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd geen dwangsom op te leggen. Een meisje van zestien jaar oud kun je niet oppakken en bij haar moeder neerzetten, als zij dat zelf niet wil. Er moet sprake zijn van enige intrinsieke motivatie bij [minderjarige 1] . Het verbeteren van de communicatie tussen de ouders is de eerste stap die nodig is om [minderjarige 1] ertoe te bewegen weer naar haar moeder te gaan en deze stap is nu, via [instantie] , gezet. 5.2.4. Het hof zal, gezien ook het advies van de raad, het verzoek van de vrouw tot het opleggen van een dwangsom afwijzen. Niet is gebleken dat de man [minderjarige 1] niet stimuleert om naar haar moeder te gaan en gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] kan zij niet (door de man) gedwongen worden naar haar moeder te gaan. Er is derhalve onvoldoende grond om aan niet-nakoming van de omgangsregeling een door de man te betalen dwangsom te verbinden. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] sinds de verdrietige gebeurtenis van het overlijden van oma (
- mz)inmiddels wat verbeterd is. Het hof hoopt dat deze voorzichtige toenadering en het traject tot verbetering van de oudercommunicatie via [instantie] (partijen zijn inmiddels verwezen naar [zorgaanbieder] ) ertoe zullen leiden dat de door de rechtbank vastgestelde regeling in de toekomst zal worden uitgevoerd. Het hof zal het verzoek om aan niet-nakoming van de regeling een dwangsom te verbinden echter afwijzen. Informatie- en consultatieregeling [minderjarige 1] (grief 3) 5.3. De rechtbank heeft de door de vrouw verzochte informatieregeling afgewezen, omdat de vrouw, naar eigen zeggen, dagelijks contact heeft met [minderjarige 1] via Whatsapp en de rechtbank er van uitgaat dat met het herstel van persoonlijk contact de vrouw voldoende zal worden geïnformeerd over het wel en wee van [minderjarige 1] . Daarnaast heeft de vrouw als gezagdragende ouder zelf morgelijkheden om informatie op te vragen. 5.3.1. In haar derde grief voert de vrouw aan dat er nog altijd geen sprake is van herstel van fysiek contact tussen haar en [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft een bloedziekte, Neutropenie, een tekort aan een bepaald soort neutrofielen. De vrouw maakt zich ernstig zorgen over de situatie van [minderjarige 1] bij de man thuis. De vrouw voelt dat de man onvoldoende in staat is [minderjarige 1] de zorg te bieden die zij nodig heeft en voelt zich door hem onvoldoende geïnformeerd. 5.3.2. De man geeft aan dat het contact tussen [minderjarige 1] en de vrouw via WhatsApp verloopt. De vrouw heeft inzage in alle schoolresultaten en afwezigheidsmeldingen vanuit school. Sinds het traject bij [instantie] informeer te man de moeder via email over [minderjarige 1] , gemiddeld een keer per maand. 5.3.3. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geconstateerd dat, nu er nauwelijks contact is tussen [minderjarige 1] en de vrouw, er een informatieplicht ligt bij de man en dat daar afspraken over gemaakt moeten worden. Dit dient volgens de raad te worden meegenomen in het traject ter verbetering van de oudercommunicatie dat inmiddels via [instantie] is opgestart. Verder moet rekening worden gehouden met het feit dat [minderjarige 1] , als zestienjarige, zelf ook iets te zeggen heeft over welke informatie er over haar gedeeld wordt. 5.3.4. Het hof ziet geen reden een informatieregeling op te leggen. Er is, zij het voorzichtig, inmiddels enig contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] . De man informeert de vrouw inmiddels gemiddeld eens per maand via de mail over [minderjarige 1] en heeft toegezegd dit te zullen blijven doen. Verder heeft de vrouw als ouder met gezag zelfstandig mogelijkheden om informatie over [minderjarige 1] in te winnen. De ouders staan aan het begin van een traject ter verbetering van hun communicatie, waarin het informeren van de andere ouder ook een onderdeel zal zijn. Tenslotte heeft [minderjarige 1] , als zestienjarige, zelf inbreng in hetgeen gedeeld wordt met haar moeder. Ten aanzien van medische zaken mag [minderjarige 1] zelf bepalen welke informatie wordt gedeeld. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen. Kinderalimentatie (grief 4) Bijdrage in de verblijfskosten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] 5.4. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de verblijfskosten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw heeft haar verzoeken in hoger beroep dienovereenkomstig gewijzigd. Partijen hebben afgesproken dat de man met ingang van 1 januari 2025 een bedrag van € 21,- per maand zal voldoen voor [minderjarige 1] en een bedrag van € 112,- per maand voor [minderjarige 2] , in totaal dus een bedrag van € 133,- per maand. De vrouw zal zo snel mogelijk aan de Sociale Verzekeringsbank doorgeven dat zij geen hoofdaanvrager meer is voor de kinderbijslag en zal de man informeren zodra zij dit heeft gedaan. Vervolgens zal de man terstond kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop (AOK) aanvragen bij de belastingdienst met ingang van 1 januari 2025. De datum met ingang waarvan de man het kindgebonden budget en de AOK daadwerkelijk krijgt toegekend, is uiteindelijk bepalend voor het moment waarop de man het bedrag van € 133,- per maand zal gaan betalen. Bijdrage in de verblijfsoverstijgende kosten 5.5. De vrouw stelt dat de man niet alle verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen heeft voldaan en dat hij daarom een bedrag van € 1.298,15 aan haar verschuldigd is. De man betwist dat de vrouw verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen heeft voldaan. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet concreet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, welke verblijfsoverstijgende kosten zij voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft voldaan. Dat lag wel op haar weg. In de toelichting op haar grief heeft de vrouw niet toegelicht hoe zij tot het door haar in het petitum verzochte bedrag van € 1.298,15 komt, terwijl de man dit gemotiveerd heeft betwist. De grief van de vrouw faalt dus op dit punt en het hof wijst het verzoek van de vrouw tot terugbetaling door de man van een bedrag van € 1.298,15 af. Verdeling 5.6. Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 16 november 2022. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap. De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken. De rechtbank heeft de wijze van verdeling gelast. De inboedelgoederen (grief 5) 5.7. In haar vijfde grieft stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek om te bepalen dat de man € 1.000,- aan haar dient te vergoeden ter zake van overbedeling heeft afgewezen. De rechtbank heeft beslist dat de toedeling geschiedt zonder nadere verrekening, nu de man onweersproken heeft gesteld dat de vrouw al eerder zelf ook inboedelgoederen heeft meegenomen. De vrouw stelt dat zij de in de mail van haar advocaat van 5 maart 2024 genoemde spullen en gegevens nog niet van de man heeft ontvangen: Singer naaimachine petroleum set trouwjurk geboortekaartjes kinderen commode ledikant box eerste pakje kinderen helft fotoalbums (de andere helft kopieën) bevallingsdvd’s puk code oude mobiele telefoon wachtwoord oude e-mailadres / Facebook-account De vrouw betwist niet dat zij al spullen heeft meegenomen. Echter, alle inboedelgoederen van waarde zijn volgens haar bij de man achtergebleven. De vrouw wenst daarom dat alle inboedelgoederen die zich bevinden in de woning aan de [adres] te [plaats] , aan de man zullen worden toegedeeld, onder vergoeding van de helft van de waarde door de man aan de vrouw. De vrouw acht het redelijk dat de man aan haar € 1.000,- voldoet wegens overbedeling. 5.7.1. De man geeft aan dat de roerende zaken zijn verdeeld. Vóór de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de vrouw al spullen opgehaald en daarna zijn er verdere afspraken gemaakt. Alle spullen die aan de vrouw zijn toegedeeld zijn inmiddels in haar bezit, met uitzondering van een aantal niet-digitale foto’s, die de man nog aan haar zal verstrekken. De man betwist dat hij is overbedeeld en voert aan dat de vrouw dit ook niet heeft onderbouwd. 5.7.2. Het hof oordeelt als volgt. De man heeft onbetwist betoogd dat alle door de vrouw genoemde goederen – met uitzondering van een aantal niet-digitale foto’s, die de man nog aan haar zal verstrekken – inmiddels in het bezit van de vrouw zijn. De vrouw heeft niet gesteld wat de waarde is van de inboedelgoederen die in de woning zijn achtergebleven, noch wat de waarde is van de inboedelgoederen die zij heeft meegenomen, zodat onduidelijk is hoe zij tot een overbedelingsvergoeding van € 1.000,- komt. De man betwist dat hij is overbedeeld. Het is dan aan de vrouw om gemotiveerd te onderbouwen dat sprake is van overbedeling van de man. Dit heeft zij nagelaten, zodat haar vijfde grief faalt. Waarde auto’s (grief 6) 5.8. De Opel Corsa is aan de man toegedeeld en de Dacia Lodgy aan de vrouw. De rechtbank heeft de waarde van de Opel Corsa vastgesteld op € 300,- en de waarde van de Dacia Lodgy op € 9.000,-. De vrouw dient op grond hiervan een bedrag van (€ 4.500,- -/- 150,- =) € 4.350,- aan de man te vergoeden. 5.8.1. De vrouw voert aan dat als peildatum van waardering van de auto’s als hoofdregel geldt het tijdstip van feitelijke verdeling. Zonder nadere toelichting van de rechtbank blijkt niet, althans is onjuist dat de auto’s feitelijk al vóór 15 maart 2024, de datum van de bestreden beschikking, zijn verdeeld. Volgens de vrouw heeft de feitelijke verdeling van de auto’s door de rechtbank op 15 maart 2024 plaatsgevonden, zodat dit de peildatum voor de waardering van de auto’s moet zijn. De vrouw betwist dat de Dacia Lodgy op 15 maart 2024, althans op 16 november 2022 € 9.000,- waard was. Partijen hebben de Dacia Lodgy in mei 2019 geïmporteerd uit Polen voor € 10.000,- (bijlage 4). De schade aan de Dacia Lodgy is in oktober 2022 begroot op € 1.082,-. 5.8.2. De man voert het volgende verweer. De datum van feitelijke verdeling van de auto’s was de datum van uiteengaan van partijen. De waarde van de Dacia is correct vastgesteld. De vrouw stelt dat de door de rechtbank vastgestelde waarde niet juist is, maar stelt daar zelf geen waarde tegenover en vraagt ook niet aan het hof om een waarde vast te stellen of een deskundige te benoemen. De grief is dus onvoldoende onderbouwd. 5.8.3. Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw vanaf het moment van uiteengaan in de Dacia is blijven rijden en de man in de Opel. Dit maakt dat het moment van feitelijke verdeling is gelegen op het moment van uiteengaan. Dit betekent dat de waarde overeenkomstig de ANWB koerslijst op 15 februari 2025 – die de vrouw overigens voor het eerst op de zitting noemt – niet representatief is voor de waarde waarvoor de Dacia in de verdeling moet worden betrokken. De vrouw heeft haar standpunt over de waarde van de Dacia, tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, dus niet althans onvoldoende onderbouwd. Ook haar – wederom voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebrachte en derhalve in beginsel te late – standpunt dat de waarde van de Opel door de rechtbank te laag is vastgesteld, heeft de man gemotiveerd betwist en heeft de vrouw niet onderbouwd. Dit betekent dat de zesde grief van de vrouw faalt. Saldi bankrekeningen 5.9. Ten aanzien van de verdeling van de saldi op de bankrekeningen heeft de vrouw geen grief geformuleerd. In haar pleitaantekeningen heeft de vrouw hieraan wel een alinea gewijd, echter het hof kan hierin geen grief ontdekken en is ook door de man niet als zodanig opgevat. De verdeling van de saldi van op de bankrekeningen ligt aldus in hoger beroep niet voor, zodat het hof hierover niet zal oordelen. 6De slotsom in het principaal en het incidenteel hoger beroep 6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn incidenteel hoger beroep en de vrouw deels niet-ontvankelijk verklaren in haar principaal hoger beroep en de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt. 6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren nu partijen gewezen echtgenoten zijn. 7De beslissing Het hof: in principaal en incidenteel hoger beroep verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn incidenteel hoger beroep; verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep ter zake het hoofdverblijf; vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 15 maart 2024 voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de verblijfskosten van ( [minderjarige 1]
- en)[minderjarige 2] is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2025, althans met ingang van de datum met ingang waarvan de man het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop daadwerkelijk krijgt toegekend, als bijdrage in de verblijfskosten van [minderjarige 1] zal voldoen een bedrag van € 21,- per maand en als bijdrage in de verblijfskosten van [minderjarige 2] een bedrag van € 112,- per maand, derhalve in totaal een bedrag van € 133,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.M. Bossink en M.J.C. van Leeuwen, en is op 27 maart 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.