GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 27 maart 2025 Zaaknummer : 200.350.937/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/01/410710 FT RK 24/784 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. S. van Beers. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van 29 januari 2025 van de rechtbank Oost-Brabant. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties 1 tot en met 4 heeft [B.V.] B.V. in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [appellant] tijdig verzocht voormeld vonnis te vernietigen en [appellant] alsnog ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en hem toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. 2.
- Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: - het V6-formulier met de stukken in eerste aanleg; - het V6-formulier met productie 5; - het V6-formulier met productie
- 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart
- Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord: mevrouw [medewerkster 1] en mevrouw [medewerkster 2] , beiden verbonden aan [B.V.] B.V., bijgestaan door mr. Van Beers; mevrouw [medewerkster 3] , werkzaam bij de [kredietbank] . 3De beoordeling Wat vooraf ging 3.
- Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 16 augustus 2023 is [B.V.] B.V. (hierna: de beschermingsbewindvoerder) benoemd als opvolgend beschermingsbewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen van [appellant] en als opvolgend mentor van [appellant] . 3.
- Mevrouw [medewerkster 3] , werkzaam bij de [kredietbank] , heeft bij de rechtbank een verzoekschrift tot toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling ingediend. Aan haar is hiervoor een machtiging afgegeven die is ondertekend door een medewerker van [B.V.] B.V. in de hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [appellant] . 3.
- Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzoekschrift niet is ondertekend door [appellant] en dat een door [appellant] afgegeven en ondertekende machtiging ontbreekt, waaruit volgt dat de beschermingsbewindvoerder het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling doet. Het indienen van een zodanig verzoek behoort niet tot de in artikel 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder, zodat die de schuldenaar niet in rechte vertegenwoordigt bij de indiening van het verzoek, aldus de rechtbank. De gronden voor het hoger beroep 3.
- De beschermingsbewindvoerder van [appellant] kan zich niet verenigen met het bestreden vonnis. Daartoe wordt, samengevat, het volgende aangevoerd. [appellant] is vanwege niet aangeboren hersenletsel als gevolg van een herseninfarct niet wilsbekwaam en is niet in staat om stukken te ondertekenen. De beschermingsbewindvoerder verkeerde – naar later bleek ten onrechte – in de veronderstelling dat, gelet op de wilsonbekwaamheid van [appellant] , zou kunnen worden volstaan met de ondertekening van het verzoekschrift door de beschermingsbewindvoerder namens [appellant] . Het is in het belang van [appellant] dat hij alsnog wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. 3.
- De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting hieraan toegevoegd dat zij het vanwege de wilsonbekwaamheid van [appellant] , zoals zij het ter zitting heeft verwoord, niet prettig vindt om [appellant] het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog te laten (mede)ondertekenen en dat zij daarom bij de kantonrechter een verzoek heeft ingediend tot omzetting van het beschermingsbewind en mentorschap in een ondercuratelestelling van [appellant] . De beschermingsbewindvoerder heeft verder verklaard dat namens de kantonrechter per e-mail van 18 maart 2025 is medegedeeld dat de kantonrechter voornemens is om dit verzoek af te wijzen. Oordeel van het hof 3.
- Aan het hof ligt de vraag voor of de beschermingsbewindvoerder namens [appellant] kan worden ontvangen in het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het hof overweegt daartoe het volgende. 3.
- Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] wilsonbekwaam is en daardoor niet in staat is om het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (mede) te ondertekenen. De door de beschermingsbewindvoerder afgegeven en ondertekende machtiging aan mevrouw [medewerkster 3] van de [kredietbank] om het verzoekschrift in te dienen, komt er feitelijk op neer dat de beschermingsbewindvoerder het verzoekschrift namens hem heeft ingediend. Met de rechtbank is het hof echter van oordeel dat het niet tot de in artikel 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder behoort om een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. Dit volgt immers uit de ook door de rechtbank aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010 en van 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:
- De beschermingsbewindvoerder kan dus niet voor [appellant] om toelating tot de schuldsaneringsregeling verzoeken. 3.
- Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de beschermingsbewindvoerder namens [appellant] niet in het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden ontvangen. 3.
- Op grond van het voorgaande zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. 4De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, S.M.A.M. Venhuizen en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2025.