← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:862

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 27 maart 2025 Zaaknummer : 200.350.044/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/01/409571 / FT RK 24/724 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. S. van Beers te Zeist. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van 7 januari 2025 van de rechtbank Oost-Brabant waarbij de rechtbank het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties (nr. 1 t/m 5), ingekomen ter griffie van dit hof op 13 januari 2025, heeft [appellant] het hof verzocht het vonnis van 7 januari 2025 van de rechtbank Oost-Brabant te vernietigen en opnieuw rechtdoende [appellant] alsnog ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, derhalve zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te honoreren. 2.
  2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart
  3. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [appellant] , bijgestaan door mr. Van Beers; mevrouw [beschermingsbewindvoerder] van [bedrijf] B.V., hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder en mevrouw [betrokkene] van de Kredietbank. 2.
  4. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de terechtzitting op 18 december 2024 inzake het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling; - het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 14 februari 2025 en - de “Evaluatierapportage [instantie 2] ” van 6 januari 2025 die mr. Beers ter zitting heeft overgelegd. 3De beoordeling 3.
  5. Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit het feit dat de beschermingsbewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aanwezig was, blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010). 3.
  6. [appellant] heeft de rechtbank op 31 oktober 2024 verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit het procesdossier blijkt dat [appellant] een totale schuldenlast heeft van € 65.027,
  7. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) blijkt dat er geen aanbod is gedaan, omdat andere omstandigheden bij [appellant] het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. [appellant] weet vanwege zijn dakloosheid en herseninfarct namelijk niet meer waar alle schulden zijn ontstaan. Vanwege de verhuizingen en het verblijf in kraakpanden is zowel de administratie van de onderneming als de privé administratie verloren gegaan. De schuldenlast is dan ook niet met zekerheid vast te stellen. 3.
  8. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] op grond van artikel 288 lid 1 onder b Fw afgewezen. De rechtbank heeft het volgende overwogen: “2.
  9. Het is aan verzoeker om voldoende aannemelijk te maken dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Hierin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Ten aanzien van de schuld aan de belastingdienst overweegt de rechtbank dat deze schuld voor een deel is ontstaan als gevolg van het niet nakomen van verplichtingen tot betaling van motorrijtuigenbelasting in de afgelopen drie jaar. Een belastingschuld dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden die in dit geval tot een ander oordeel dienen te leiden. Het voorgaande geldt te meer nu op de zitting is gebleken dat de vorderingen inzake de motorrijtuigenbelasting onnodig zijn ontstaan. De rechtbank rekent dit verzoeker aan. Het had immers op de weg van verzoeker gelegen om de voertuigen van de hand te doen dan wel (gelet op de gestelde onmogelijkheid daartoe vanwege het beslag) om de voertuigen tijdig te schorsen, zodat de motorrijtuigenbelasting niet meer verschuldigd was. Hij (en ook de beschermingsbewindvoerder) heeft dit nagelaten en daarom is de belastingdienst benadeeld. Daarbij merkt de rechtbank op dat verzoeker in feite sinds 2018 vrijwel structureel de motorrijtuigbelasting niet betaalt. Dit speelt dus al geruime tijd en niet enkel nadat verzoeker in februari 2023 een CVA heeft gehad. Daarbij komt dat er ook sprake is van een terugvordering uitkering van [instantie 1] , ontstaan in december
  10. Deze schuld wordt in beginsel ook als te kwader trouw beschouwd. Verzoeker heeft over deze schuld een onduidelijke verklaring afgelegd en hij heeft daarmee ook niet aangetoond te goeder trouw te zijn. 2.
  11. Verder speelt het volgende. Met ingang van 26 oktober 2023 is aan verzoeker een participatiewetuitkering via [instantie 1] toegekend. Er wordt gesteld dat hij sindsdien niet meer gewerkt heeft. Evenmin heeft hij gesolliciteerd. Verzoeker zou sinds zijn herseninfarct in februari 2023 niet in staat zijn arbeid te verrichten. De rechtbank wil wel aannemen dat sprake is van medische problemen, maar er zijn geen bewijsstukken daarvan overgelegd. De verklaring van de NAH-begeleider volstaat daarin niet. Het had op de weg van verzoeker gelegen om zijn arbeidsongeschiktheid aan de hand van medische stukken aan te tonen. Hier is in de brief van 13 november 2024 van de rechtbank aan verzoeker ook om gevraagd. Dientengevolge heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij te goeder trouw was in het onbetaald laten van zijn schulden. Dat verzoeker in 2023 nog gewerkt heeft - dit heeft hij ter zitting verklaard - levert bovendien een tegenstrijdigheid op en vanwege het ontbreken van medische stukken blijft er over de (mate van) arbeidsongeschiktheid onduidelijkheid bestaan.” 3.
  12. [appellant] heeft in zijn beroepschrift – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. [appellant] is werkzaam geweest als zzp’er als rijinstructeur. In februari 2023 is [appellant] getroffen door een herseninfarct waardoor hij zijn beroep niet meer kan uitoefenen. Sindsdien heeft hij onvoldoende overzicht gehad over zijn administratie en het organiseren van zaken. [appellant] heeft zich daarom onder beschermingsbewind gesteld. [appellant] kan niet ontkennen dat er schulden aan de belastingdienst zijn ontstaan. De reden dat deze schulden wegens de motorrijtuigenbelasting almaar zijn opgelopen, was gelegen in het feit dat beslag was gelegd op deze voertuigen. Daardoor heeft hij deze voertuigen niet van de hand kunnen doen. De meeste vorderingen van de belastingdienst dateren van langer dan drie jaar geleden op een enkele na. Inmiddels zijn de voertuigen geschorst, waardoor het oplopen van de schulden aan de fiscus is gestopt. Ook zijn de voertuigen – wegens het gelegde beslag – niet meer in bezit van [appellant] . [appellant] wist niet waar de terugvordering van [instantie 1] voor een bedrag van € 595,= op zag. Na bestudering van de stukken kan mr. Van Beers toelichten dat naar aanleiding van de IB-aangifte 2023 [appellant] de afgedragen loonheffing over het jaar 2023 volledig heeft terugontvangen van de belastingdienst. Ook het deel dat betrekking had op de ontvangen bijstandsuitkering. Dit deel is door [instantie 1] bij [appellant] teruggevorderd. De gemeente is hier op grond van de wet ook toe gehouden c.q. gemachtigd. Deze terugvordering is dan ook niet ongebruikelijk, nu aan het einde van het jaar men eerst bekend wordt met een ontvangen bedrag aan loonheffing. Dit gegeven kan niet aan [appellant] worden verweten. Dat [appellant] in deze geen verwijt kan worden gemaakt, blijkt ook uit het feit dat de gemeente het bedrag bij [appellant] netto terugvordert en niet bruto. Ook is aan [appellant] vanuit de gemeente geen boete opgelegd, wegens bijvoorbeeld schending inlichtingenplicht. De terugvordering vanuit gemeente betreft dan ook geen fraudevordering en is niet te kwader trouw door [appellant] aangegaan. [appellant] is vanzelfsprekend bereid om arbeid om te verrichten, maar hij is hiertoe niet in staat. Dit blijkt ook uit het feit dat [appellant] eerder in 2023 werkzaamheden heeft verricht, maar dit niet heeft kunnen volhouden. [appellant] legt hierbij ten bewijze van zijn medische toestand stukken aan het hof over (productie 5: brieven van [ziekenhuis] van 21 en 24 februari 2023 en 8 mei 2023). Gelet op de medische toestand van [appellant] heeft de gemeente hem ook ontheven van de sollicitatieverplichting. In het kader van de PW-uitkering wordt echter door de gemeente geen arbeidsdeskundige onderzoek uitgevoerd. Als [appellant] alsnog zal worden toegelaten tot de WSNP kan de WSNP-bewindvoerder hiertoe alsnog een verzoek doen in het kader van de schuldsanering. [appellant] heeft zijn schulden onder controle gekregen en ook het onbetaald laten daarvan. Om die reden had de rechtbank hem moeten toelaten tot de schuldsaneringsregeling. Hij is er zeker van dat hij de WSNP-verplichtingen naar behoren zal nakomen. Zo is [appellant] sinds 5 maart 2024 onder beschermingsbewind gesteld en zijn er sindsdien geen nieuwe schulden ontstaan. Daarnaast zijn de voertuigen op naam van [appellant] geschorst, heeft hij zich aan alle afspraken met de gemeente en ook met de beschermingsbewindvoerder gehouden en is gebleken dat hij zich niet zorg mijdend opstelt. 3.4.
  13. Ter zitting in hoger beroep is hier door en namens [appellant] – kort en zakelijk weergegeven – nog het volgende aan toegevoegd. Op de vraag van het hof naar de schulden van de Belastingdienst inzake de motorrijtuigenbelasting, heeft [appellant] verklaard dat hij een fanatiek motorrijder is – hij had variërend één tot zes motoren – en dat hij voorrang gaf aan het betalen van eten en de huur boven het betalen van de belastingen. Hij heeft echter geen uitleg kunnen geven op de vraag waarom hij de motorrijtuigenbelasting sinds 2015 niet heeft betaald. De motoren had hij niet voor zijn werk nodig. [appellant] heeft na de CVA van 14 februari 2023 een keuring gehad en zijn rijbewijs op 7 mei 2023 teruggekregen. Op dit moment volgt hij een traject bij [instantie 1] om te onderzoeken wat zijn arbeidsmogelijkheden zijn. [appellant] wil graag buschauffeur worden, maar hij is gezakt voor zijn eerste praktijkexamen. Volgens de examinator zou hij niet goed voorbereid zijn geweest. Op 2 april 2025 heeft hij de herkansing. [appellant] heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Volgens [appellant] doet hij er alles aan om terug te keren op de arbeidsmarkt. [appellant] stelt dat hij zich aan alle afspraken houdt en dat hij 100% gemotiveerd is. Verder heeft hij aangevoerd dat hij onder bewind staat en dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan. 3.4.
  14. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – nog aangegeven dat het contact met [appellant] goed verloopt en dat hij zijn verplichtingen nakomt. 3.
  15. Het hof komt tot de volgende beoordeling. 3.5.
  16. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. 3.5.
  17. Het hof is van oordeel dat de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht heeft afgewezen. 3.5.
  18. Het hof is van oordeel dat de schulden van [appellant] niet te goeder trouw zijn ontstaan. Er is sprake van openstaande schulden aan de belastingdienst, volgens het verzoekschrift, van € 50.549,= en € 1.429,=. Deze schulden zijn het gevolg van een grote hoeveelheid aan belastingaanslagen (meer dan 100) ten aanzien van de Zorgverzekeringswet, de huur- en zorgtoeslag, inkomensheffing, de omzetbelasting en de meerderheid ten aanzien van de motorrijtuigenbelasting. Een deel van deze belastingschulden, waaronder uitdrukkelijk begrepen de fiscale vorderingen ter zake motorrijtuigenbelasting, is ontstaan binnen de periode van drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is ingediend. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen – waaronder volgens het hof ook valt het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens – of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting dient ingevolge punt 7.3.4 van de “Bijlage III: landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (versie 1 juli 2024), naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan. Niet is gebleken dan wel aannemelijk geworden dat daar in dit geval van afgeweken zou moeten worden. [appellant] heeft namelijk verklaard een fanatiek motorrijder te zijn en dat hij voorrang gaf aan het betalen van eten boven het betalen van de belastingen. Hij heeft er dus bewust voor gekozen niet aan deze belastingverplichting te voldoen omdat hij daartoe onvoldoende middelen had, maar desondanks de motoren toch behouden, waardoor de schuld aan de belastingdienst alleen maar hoger en hoger werd. Daarnaast heeft [appellant] niet kunnen verklaren waarom hij de andere belastingen ook niet betaalde. 3.5.
  19. Het hof is verder van oordeel dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden in de periode van drie jaar voorafgaand aan het verzoekschrift te goeder trouw is geweest. De vorderingen inzake de motorrijtuigenbelasting zijn naar het oordeel van het hof onnodig ontstaan. Als [appellant] de motoren niet van de hand had kunnen door het beslag, dan had [appellant] in ieder geval wel de motoren tijdig kunnen schorsen, zodat de motorrijtuigenbelasting niet meer verschuldigd was en verder opliep. Dat hij dit niet heeft gedaan, kan hem worden toegerekend. Dat [appellant] in februari 2023 een CVA heeft gehad, maakt dit niet anders. [appellant] heeft namelijk sinds 2015 – dus ruim voordat hij op 14 februari 2023 een CVA kreeg – vrijwel structureel de motorrijtuigbelasting niet betaald. 3.5.
  20. Vervolgens ligt de vraag voor of het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 Fw) slaagt. Voor een succesvol beroep op de hardheidsclausule is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de niet te goeder trouw ontstane schulden onder controle heeft gekregen. Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een bestendige, uit concrete omstandigheden blijkende gedragsverandering, waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen. Het hof is van oordeel dat dit in de onderhavige zaak op dit moment nog niet het geval is. 3.5.
  21. Aan de ene kant heeft [appellant] sinds 5 maart 2024 een beschermingsbewindvoerder. Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat dit goed verloopt. Verder heeft de beschermingsbewindvoerder ter zitting bevestigd dat de voertuigen inmiddels zijn geschorst waardoor de schulden ter zake de motorrijtuigenbelasting niet verder oplopen. Maar [appellant] heeft, behoudens de nog te noemen rapportage, geen enkele onderbouwing gegeven voor zijn mentale en fysieke beperkingen in de periode van 8 mei 2023 tot heden. Stukken daarover ontbreken. Het is daarmee onduidelijk of [appellant] niet veel eerder had kunnen gaan werken om op zijn schulden af te betalen. Zijn rijbewijs kreeg hij al wel al in mei 2023 terug. Pas ter zitting is overgelegd de “Evaluatierapportage [instantie 2] ” van 6 januari
  22. Uit dat rapport blijken evenmin, in voldoende mate onderbouwd, de huidige beperkingen en belastbaarheid. Het is duidelijk dat het traject loopt, maar om verschillende redenen is de afloop nog onzeker. Zo is onder meer bij het evaluatiegesprek van 26 november 2024 opgenomen dat [cursief door hof]: - gedurende het traject vaker is gebleken dat planningsproblemen een struikelblok voor [appellant] vormen. In het begin van het traject was [appellant] vaak veel te vroeg op het [instantie 2] , terwijl hij recentelijk vaak te laat is. Ook komt hij te laat terug van de pauze. Het is nog onduidelijk of dit uitsluitend te wijten is aan een mentale beperking, of dat gebrek aan motivatie, uitdaging en stress ook een rol spelen. Daarnaast staat in de conclusie van de “Evaluatierapportage [instantie 2] ” onder meer dat fulltime werken op dit moment nog niet haalbaar lijkt gezien zijn mentale en fysieke beperkingen en dat de persoonlijke begeleidster, trajectbegeleider en rapporteur bedenkingen hebben bij de haalbaarheid van het behalen van zijn diploma om als buschauffeur te kunnen werken. [appellant] stelt dat hij 100% gemotiveerd is, maar dat blijkt gezien het voorgaande niet geheel uit het evaluatierapport. Daarbij komt dat hij is gezakt, waarbij de indruk van de examinator was dat [appellant] niet goed voorbereid zou zijn geweest voor het praktijkexamen. In de Evaluatierapportage staat vermeld dat de persoonlijke begeleidster, trajectbegeleider en rapporteur bedenkingen hebben bij de haalbaarheid van de wens van [appellant] om buschauffeur te worden. Voorts heeft het hof, als reeds overwogen, geen onderbouwing gezien van de mentale en fysieke beperkingen zoals vermeld in het evaluatierapport en of die gestelde beperkingen beheersbaar zijn. Daardoor is het onduidelijk wat op dit moment de situatie is, in hoeverre [appellant] belastbaar is voor werk en voor hoeveel uur en of hij alles eraan doet om weer aan het werk te gaan. Ook om deze reden is het hof van oordeel dat het nog te vroeg is om vast te stellen dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan van de schulden onder controle heeft gekregen. Het hof zal daarom de hardheidsclausule niet toepassen. 3.5.
  23. Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen. 3.5.
  24. Het hof zal het vonnis waarvan beroep dan ook bekrachtigen. 4De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.B. Smits en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.