← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:863

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 27 maart 2025 Zaaknummer : 200.351.054/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/02/428103/ FT RK 24-820 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. K. van Overloop te Goes. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 4 februari

  1. 2Het geding in hoger beroep 2.
  2. Bij beroepschrift met producties 1 en 2, ingekomen ter griffie op 11 februari 2025, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat [appellant] wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. 2.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart
  4. Bij die gelegenheid is gehoord: - [appellant] , bijgestaan door mr. Van Overloop. 2.
  5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de brief van de advocaat van [appellant] van 25 februari 2025 met producties 3 en 4, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 21 januari 2025; - de brief van de advocaat van [appellant] van 18 maart 2025 met producties 5 t/m
  6. 3De beoordeling 3.
  7. [appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 301.971,
  8. Daaronder bevindt zich een preferente schuld aan de Belastingdienst van € 136.597,
  9. Uit voorgenoemde verklaring blijkt verder dat het minnelijke traject is mislukt omdat achttien crediteuren niet hebben ingestemd met het daarin aangeboden percentage van 0,0% van de door deze crediteuren ingediende vorderingen tegen finale kwijting. 3.
  10. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van een aantal schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. 3.
  11. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd: “2.4 De rechtbank is van oordeel dat een substantieel deel van de schulden, zoals de schulden aan de Belastingdienst, in beginsel reeds naar hun aard en omvang als niet te goeder trouw dienen te worden aangemerkt. De rechtbank verwijst hierbij naar bijlage III, artikel 5.3.
  12. van het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, welk artikel een codificatie is van bestaande jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat schulden, die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen van afdracht van (omzet)belasting vanwege hun aard, gelden als een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan. Dit geldt tevens voor een genoten uitkering die wordt teruggevorderd omdat sprake is van schending van de uit de wet voorvloeiende verplichtingen. Ten aanzien van schulden die zijn aangegaan, terwijl gelet op het inkomen en/of vermogen van verzoeker redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan, geldt eveneens dat deze in beginsel als niet te goeder trouw ontstaan zijn aan te merken. 2.5 Het is aan verzoeker om aan te tonen dat hij te goeder trouw is geweest in het ontstaan en of onbetaald laten van zijn schulden, waarbij het op de weg van verzoeker ligt om zijn stellingen met stukken te onderbouwen. Uit de overgelegde stukken en hetgeen verzoeker ter zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat de financiële problemen al geruime tijd bestaan. De omvang van de vordering van de Belastingdienst zoals deze op de schuldenlijst staat, vormt een substantieel deel van de totale schuldenlast en ziet voor een groot deel op naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2015 tot en met 2022 vanwege het niet (tijdig) voldoen aan de aangifte- of afdrachtplicht. De rechtbank acht deze vorderingen aan verzoeker verwijtbaar, nu dit algemeen erkende verplichtingen zijn voor een ondernemer. Verzoeker heeft met betrekking tot het voeren van een eigen onderneming lichtvaardig gedacht en onverantwoord gehandeld, als gevolg waarvan diverse schulden zijn ontstaan. Het feit dat verzoeker de boekhouding had uitbesteed aan zijn partner, maakt dit niet anders. Verzoeker blijft immers zelf verantwoordelijk voor de volledige gang van zaken binnen zijn onderneming, dus ook fiscale verplichtingen. De rechtbank is voorts van oordeel dat in geval van kennelijk onbehoorlijk bestuur mag worden aangenomen dat de daarmee verband houdende schuld, in dit geval een forse schuld aan de Belastingdienst waarvoor verzoeker op grond van artikel 36 Invorderingswet persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld, niet te goeder trouw is ontstaan in de zin van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw.” 3.
  13. [appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. [appellant] meent dat hij gelet op de feiten en omstandigheden wel tot de schuldsaneringsregeling moet worden toegelaten. Zijn moraliteit is niet in het geding. Hij is bovendien in staat gedurende de schuldsaneringsregeling zich naar behoren te gedragen. De vorderingen van de Belastingdienst dienen gelet op de omstandigheden van het geval, en met name de wijze van het ontstaan van het merendeel van de schulden, een toewijzing niet in de weg te staan. De hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 vindt toepassing in onderhavige kwestie. [appellant] is bereid alle medewerking te verlenen zodat de schuldsaneringsregeling goed uitgevoerd kan worden. Ook is er geen sprake van kwade trouw en/of verwijtbaar handelen door [appellant] . 3.
  14. Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende toegevoegd. Veel schulden van [appellant] zijn langer dan drie jaar geleden ontstaan. Bovendien is het nog onbekend of er een vordering ex artikel 36 Invorderingswet is, omdat [appellant] nog niet door de Belastingdienst aansprakelijk is gesteld. De ex-partner van [appellant] is wel toegelaten tot de wettelijke schuldsanering. Het zou daarom onredelijk zijn als [appellant] niet wordt toegelaten. Ter onderbouwing van zijn beroep op de hardheidsclauaule voert [appellant] aan dat hij de omstandigheden die hem in problemen hebben gebracht, onder controle heeft. De auto’s zijn weg, de ondernemingen zijn “opgeruimd” en privé gaat het ook goed met hem. [appellant] heeft sinds een maand ook een nieuwe baan in de eenmanszaak van zijn huidige vriendin. Dit is een bouwbedrijf dat zich onder meer bezig houdt met het bouwen van serres, het maken van trappen en het renoveren van zolders en badkamers. [appellant] werkt hier slechts als helpende man. Voordat hij in dienst kwam, assisteerde hij zijn vriendin al wel eens in het bedrijf. 3.
  15. Het hof komt tot de volgende beoordeling. Niet te goeder trouw 3.6.
  16. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. 3.6.
  17. [appellant] heeft een schuld van € 136.597,78 aan de Belastingdienst. Volgens het overzicht van openstaande schulden heeft deze vordering betrekking op aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2017 tot en met 2024, aanslagen motorrijtuigbelasting over 2022 tot en met 2024 en zorgverzekeringswet over de jaren 2017 tot en met
  18. De schuld ziet daarmee voor een groot deel op naheffingsaanslagen inkomstenbelasting vanwege het niet (tijdig) voldoen aan de aangifte- of afdrachtplicht. Het hof stelt vast dat een deel hiervan binnen de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoek op 29 oktober 2024 is ontstaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat een belastingschuld – voor zover het de beoordeling in het kader van een verzoek als het onderhavige betreft – ontstaat op het moment waarop de belastingplichtige op grond van de Belastingwet belasting verschuldigd wordt aan de Ontvanger. 3.6.
  19. Volgens bijlage III Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken 2024 inhoudende ‘landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling’ is van goede trouw ten aanzien van het ontstaan van schulden in beginsel geen sprake, indien in de periode van drie jaren voorafgaand aan de indiening van het verzoek de schuldenaar schulden heeft aan de Belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat een deel van bovengenoemde schuld van [appellant] aan de Belastingdienst in beginsel niet te goeder trouw is ontstaan. Het is aan [appellant] om feiten en omstandigheden aan te dragen die het hof aanleiding geven om in zijn geval van voorgenoemd uitgangspunt af te wijken en zijn stellingen hierover met stukken te onderbouwen. 3.6.
  20. Uit de overgelegde stukken en hetgeen [appellant] ter zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat hij naast een [bedrijf 1] B.V. samen met zijn ex-partner een onderneming heeft gehad in de vorm van een V.O.F. [appellant] stelt dat zijn ex-partner de administratie van deze onderneming deed. Achteraf is gebleken dat ten aanzien van de onderneming de belastingaangiftes niet (tijdig) zijn gedaan, waardoor de Belastingdienst ambtshalve aanslagen heeft opgelegd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] , ook bij uitbesteding van de boekhouding aan zijn ex-partner, als vennoot verantwoordelijk blijft voor de volledige gang van zaken binnen zijn onderneming, dus ook voor de fiscale verplichtingen. De aangifte- en afdrachtverplichting zijn algemeen erkende verplichtingen voor een onderneming. Het niet nakomen hiervan kan [appellant] dan ook worden verweten. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om van het onder 3.6.3 genoemde uitgangspunt af te wijken. Het hof is daarom van oordeel dat (een deel van) de schuld aan de Belastingdienst niet te goeder trouw is ontstaan in de zin van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw. 3.6.
  21. Het hof heeft verder kennis genomen van een schuld aan [bedrijf 2] ten bedrage van € 111.345,
  22. Deze schuld is in 2022 is ontstaan. De schuld zou volgens [appellant] betrekking hebben op twee leaseauto’s van de onderneming van [appellant] , maar het is het hof onduidelijk waarom en wanneer deze verplichting is aangegaan en hoe deze schuld zo ontzettend hoog heeft kunnen oplopen. [appellant] heeft geen stukken overgelegd waaruit de aard van deze vordering blijkt. Voor zover het hof bekend, heeft [appellant] ook niet geprobeerd om deze stukken te achterhalen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan van deze schuld. 3.6.
  23. Ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden oordeelt het hof als volgt. [appellant] heeft gesteld dat hij maar drie dagen per week kan werken vanwege zijn gezondheid en dat hij onlangs zes behandelingen heeft gevolgd voor zijn PTSS. Hij heeft deze stelling echter niet met (medische) stukken onderbouwd. In het dossier ontbreekt een arbeidsdeskundigenrapport of een andere onderbouwing waaruit de gestelde PTSS en zijn verminderde arbeidsmogelijkheden blijken. Het hof kan daarom niet vaststellen welke gevolgen de gestelde PTSS heeft (gehad) op de arbeidscapaciteit van [appellant] . Het hof kan dan ook niet uitsluiten dat [appellant] in staat was (en is) om meer te werken, waardoor hij meer inkomsten had kunnen verdienen om zijn schulden af te lossen. Daarom is ook de goede trouw ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden niet aannemelijk geworden. 3.6.
  24. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Het hof acht de hiervoor vermelde omstandigheden voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen. Hardheidsclausule 3.6.
  25. Op grond van artikel 288 lid 3 Fw kan [appellant] , ondanks dat er schulden in de drie jaar voor het indienen van het verzoek niet te goeder trouw zijn ontstaan en onbetaald gelaten, worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering als voldoende aannemelijk is dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen. Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een bestendige, uit concrete omstandigheden blijkende gedragsverandering, waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen. 3.6.
  26. Het hof heeft allereerst niet voldoende vertrouwen in de informatievoorziening door [appellant] . [appellant] heeft het hof ter zitting in hoger beroep niet alle gewenste informatie gegeven met betrekking tot de schulden die uit zijn onderneming zijn ontstaan. Deze informatie zou zich bij de ex-partner van [appellant] bevinden, maar [appellant] heeft, voor zover het hof bekend, geen moeite genomen om deze informatie te verkrijgen. Zoals hiervoor is overwogen, houden de schulden aan de Belastingdienst die in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet te goeder trouw zijn ontstaan, voornamelijk verband met (de) vorige onderneming(en) van [appellant] . Het hof is er niet van overtuigd dat [appellant] de verantwoordelijkheid voor zijn vorige onderneming(en) heeft genomen en dat hij, nu hij deze onderneming(en) niet meer heeft, de oorzaak van zijn schulden heeft weggenomen. Het hof is namelijk gebleken dat [appellant] inmiddels in dienst is getreden bij weer een nieuwe onderneming, genaamd [naam] . Deze onderneming staat op naam van zijn huidige vriendin en is actief in de bouw. [appellant] stelt dat hij slechts helpende man is en dat zijn vriendin alle klussen, zoals het bouwen van een serre en het doen van renovaties, zelf kan uitvoeren. Volgens hem deed zij dit soort werkzaamheden ook tijdens haar vorige dienstbetrekking bij [bedrijf 3] . Het hof acht dit echter niet aannemelijk, aangezien [bedrijf 3] een bedrijf is dat gespecialiseerd is in schoonmaakdiensten. Ook de verklaring van [appellant] dat hij pas één maand in het bedrijf werkt, acht het hof niet aannemelijk. Ter zitting in hoger beroep heeft het hof geconstateerd dat er al in oktober 2024 op internet een review is geschreven waarin [appellant] bij naam wordt genoemd. In die review staat vermeld dat [appellant] met de klant meedenkt. Hieruit leidt het hof af dat [appellant] op dat moment niet enkel zijn vriendin assisteerde, maar een prominentere rol in het bedrijf innam. Met het oog op de eerdere ondernemingen die [appellant] al heeft gehad, de schulden die daaruit zijn ontstaan en de vele gerechtelijke procedures die in dat kader al tegen hem zijn gevoerd, getuigt het innemen van een belangrijke rol in een nieuwe onderneming met slechts twee werknemers, naar het oordeel van het hof, er niet van dat [appellant] zich bewust is van eerder gemaakte fouten en dat sprake is van een gedragsverandering voor de toekomst. Daarnaast verwijst het hof naar hetgeen het in r.o. 3.6.
  27. heeft overwogen over de gebrekkige informatie omtrent de mogelijke arbeidscapaciteit in de jaren voorafgaande aan de aanvraag van de schuldsanering tot en met heden. 3.6.
  28. Gezien het voorgaande acht het hof het niet voldoende aannemelijk dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen zoals bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. Het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule wordt daarom verworpen. De omstandigheid dat de ex-partner wel tot de schuldsanering is toegelaten leidt het hof niet tot een ander oordeel, alleen al niet omdat het hof niet bekend is met de aanvraag en de andere stukken in het dossier van die ex-partner. 3.
  29. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. 4De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.B. Smits en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.