Parketnummer : 20-002342-23 (OWV) Uitspraak : 26 maart 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 augustus 2023 op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-174065-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 12.600,00 en is aan hem de verplichting opgelegd om datzelfde bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen. Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van € 73.856,47 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen. De raadsman van de betrokkene heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Vonnis waarvan beroep Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen. Ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie De inleidende vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de politierechter het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat vaststelt op € 73.856,47 en aan de betrokkene ter ontneming van dat voordeel de verplichting oplegt om datzelfde bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen. De inleidende ontnemingsvordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel De betrokkene is bij arrest van dit gerechtshof van heden, gewezen onder parketnummer 20-002343-23, ter zake ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ op 9 februari 2022 te Kerkrade (feit 1 primair) en ‘diefstal’ in de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Kerkrade (feit 2 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De onderhavige ontnemingsvordering is aan deze strafzaak gelieerd. Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Het hof ontleent aan de inhoud van de vorenbedoelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene uit een ander feit – waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat het door hem is begaan – te weten het eenmaal telen en oogsten van hennep in een kruipruimte onder de woning aan [adres 2] , in de periode voorafgaand aan 9 februari 2022 wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Het hof stelt het geschatte als gevolg van het bewezenverklaarde handelen totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 73.906,
- Daartoe overweegt het hof als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting en het arrest in de hoofdzaak is naar voren gekomen dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene voorafgaand aan het aantreffen van de hennepkwekerij op 9 februari 2022 in een kruipruimte onder de woning aan [adres 2] , in elk geval één eerdere teelt en oogst van hennep heeft plaatsgehad, uit welke oogst hij voordeel heeft genoten. Ten tijde van de doorzoeking van de kruipruimte werden in twee ruimtes in totaliteit 552 hennepplanten aangetroffen, die ongeveer drie tot vier weken oud waren. De eerdere oogst zou, uitgaande van een kweekcyclus van 10 weken (zie ook de notitie ‘Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepstekkerij’ van het Bureau Ontwikkelingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM)’, opgenomen in BOOM-nieuws nr. 46 van december 2006, p. 8-11), tussen 31 oktober 2021 en 15 januari 2022 moeten hebben plaatsgehad. Voorts is komen vast te staan dat sprake was van toevoeging van koolstofdioxide, hetgeen een meeropbrengst genereert. Het hof is van oordeel dat deze eerdere teelt van eenzelfde aantal hennepplanten, aannemelijk is op grond van het aantreffen van droge resten van hennepplanten, vervuiling van het filterdoek van koolstoffilters, het aanwezig zijn van een niet doorbroken stoflaag op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen, de aanwezigheid van 40 vuilniszakken met gebruikte potgrond en potgrond op de vloer en de productiedata van de aangetroffen ventilator en opticlimates (dossierpagina’s 115 en 117). Het hof neemt – voor zover hierna niet anders wordt vermeld – voor de schatting van bedoeld voordeel tot uitgangspunt het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht’, op 26 juli 2018 opgemaakt door rapporteurs [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina’s 112 en verder). Tevens neemt het hof tot uitgangspunt het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, standaardberekening en normen, update 1 juni 2016, Functioneel Parket Afpakken (voorheen: BOOM)’. Opbrengst Totale bruto opbrengst per oogst in ruimte 1: 266 planten x 28,6 gram = 7,6076 kg20% meeropbrengst in verband met toevoeging koolstofdioxide: 1,52152 kgOpbrengst 7,6076 kg + 1,52152 kg x € 4.070,00 per kg = € 37.155,51 Totale bruto opbrengst per oogst in ruimte 2: 286 planten x 29,6 gram = 8,4656 kg20% meeropbrengst in verband met toevoeging koolstofdioxide: 1,69312 kgOpbrengst 8,4656 kg + 1,69312 kg x € 4.070,00 per kg = € 41.345,99 Totale bruto opbrengst beide ruimtes: € 37.155,51 + € 41.345,99 = € 78.501,50 Kosten Afschrijvingskosten per oogst: € 350,00Hennepstekken: € 3,81 x 552 = € 2.103,12 Variabele kosten: € 3,88 x 552 = € 2.141,76 Totale kosten per oogst: € 350,00 + € 2.103,12 + € 2.141,76 = € 4.594,88 Anders dan waartoe door de advocaat-generaal is gerequireerd is niet genoegzaam gebleken dat de betrokkene na afloop van het bewezenverklaarde de elektriciteitskosten die door [benadeelde] in rekening zijn gebracht heeft voldaan. Mitsdien ziet het hof geen aanleiding om de in rekening gebrachte kosten in mindering te brengen op het voordeel dat de betrokkene heeft genoten. Netto wederrechtelijk verkregen voordeel Het voorgaande leidt het hof tot de volgende berekening van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij: Totale opbrengsten € 78.501,50Minus kosten € 4.594,88 -/- Totale wederrechtelijk voordeel € 73.906,62 Resumerend schat het hof het bedrag dat de betrokkene aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten derhalve per saldo op een bedrag van € 73.906,
- Op te leggen betalingsverplichting Het hof zal hierna aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van een bedrag van € 73.906,62 aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 73.906,62 (zegge: drieënzeventigduizend negenhonderdzes euro en tweeënzestig cent); legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 73.906,62 (zegge: drieënzeventigduizend negenhonderdzes euro en tweeënzestig cent); bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 3 jaren. Aldus gewezen door: mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter, mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. R. Lonterman, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier, en op 26 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.