← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:910

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.330.904/01 arrest van 1 april 2025 in de zaak van [XX] Technical Support B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna: [appellante] , advocaat: mr. F.J.P. Baur te Landgraaf, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

  1. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna: [geïntimeerden] , advocaat: mr. R.C. Breuls te Geleen, gemeente Sittard-Geleen. als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 oktober 2023 in het hoger beroep van het door kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 9646330 CV EXPL 22-366 gewezen vonnis van 5 juli
  2. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 24 oktober 2023; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 20 februari 2024; de memorie van grieven met producties 1-2; de memorie van antwoord. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De beoordeling De feiten 6.
  3. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 6.1.
  4. [geïntimeerden] heeft medio 2015 aan [appellante] opdracht verleend voor het realiseren van een aanbouw over de breedte aan de achterzijde van de woning. [appellante] is op 17 juni 2015 met de werkzaamheden gestart. 6.1.
  5. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft [appellante] een eerder door [geïntimeerden] gebruikt zonnescherm geplaatst tegen de nieuwe achtergevel van de aanbouw. [appellante] heeft daartoe stalen platen aan de achtergevel van de uitbouw bevestigd waar het zonnescherm aan vastgemaakt is, teneinde de druk van het zonnescherm te verdelen over een groter oppervlak van het metselwerk. Uit een weekrapport/manurenspecificatie volgt dat [appellante] met betrekking tot de montage van de zonwering 22 manuren en materiaalkosten ter hoogte van in totaal € 685,- in rekening heeft gebracht, welk totaalbedrag door [geïntimeerden] is betaald (producties 17-18). 6.1.
  6. Eind 2020 heeft [geïntimeerden] waterschade geconstateerd in de rechterhoek (van binnenuit gezien) van de aanbouw en hij heeft [appellante] daarvan in kennis gesteld. Begin 2021 heeft [appellante] drie maal herstelwerkzaamheden uitgevoerd, evenwel zonder dat de lekkage is verholpen. 6.1.
  7. Een door [geïntimeerden] via zijn verzekeraar ingeschakelde deskundige heeft in een rapport van 19 februari 2021 onder meer als volgt geconcludeerd: “Eigen bevindingen Ik heb ter plaatse de situatie bekeken en komt tot de conclusie dat het metselwerk van de linker penant (van buitenaf gezien) de kracht van het zonnescherm niet kan opvangen, ondanks de drukverdeling door de stalen plaat. De penant heeft onvoldoende verbinding met ander[e] bouwdelen en kan daarbij nauwelijks horizontale krachten opvangen. Hierdoor is waarschijnlijk een scheur in de dakbedekking of in de zinken afdekkap op het platte dak ontstaan waardoor water in het plafond terecht is gekomen.”. De gevolgschade is door de deskundige geraamd op € 1.000,- inclusief btw ter zake van schilderwerk van de wand en het plafond. De schade aan het metselwerk en het dak werden niet door de deskundige begroot. 6.1.
  8. [geïntimeerden] heeft [appellante] aansprakelijk gesteld voor de schade en aanspraak gemaakt op herstel van de geconstateerde gebreken vóór 15 april
  9. [appellante] heeft aansprakelijkheid niet erkend en is niet tot herstelwerkzaamheden overgegaan. [geïntimeerden] heeft daarop zijn vordering tot nakoming schriftelijk omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. 6.1.
  10. [geïntimeerden] heeft een aanvullend schaderapport op laten stellen door [ZZ] expertise, die op 23 juli 2021 onderzoek heeft uitgevoerd. [appellante] is uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. 6.1.
  11. Het expertiserapport van [ZZ] expertise houdt onder meer het volgende in: “Het is een constructiefout en de wederpartij had vooraf een berekening moeten laten maken voor de bevestiging van het zonnescherm door een constructeur. (…) Wij hebben vastgesteld dat het metselwerk en de stalen strip niet voldoen om het zonnescherm te dragen. De bovenzijde van het metselwerk is gescheurd aan beide zijden en de strip is aan de rechterzijde 20 mm kromgetrokken. De verankering van het buitenspouwblad naar het binnenspouwblad is niet te controleren, maar wij hebben vastgesteld dat het buitenspouwblad nu los staat. Daardoor is de dakbedekking meegetrokken en gescheurd. Dit resulteert dan in een lekkage. (…) Het zonnescherm heeft een uitval van circa 3 meter. De muurdammen waarop het zonnescherm is bevestigd zijn circa 300 tot 500 mm breedte. Gelet op de krachten die het zonnescherm op het metselwerk uitoefent, zijn de muurdammen te smal en niet goed bevestigd aan de achterliggende constructie. Als vaktechnisch bedrijf dient er vooraf een berekening door een constructeur te worden gemaakt. (…) De uitgevoerde constructie is ons inziens te licht voor de grootte van het zonnescherm. Voor deze constructie is geen concrete norm van toepassing. Er is dan hier geen sprake van goed en deugdelijk werk. (…)”. De herstelkosten zijn door de deskundige geraamd op € 6.292,- inclusief btw. De expertisekosten bedragen € 1.203,
  12. 6.1.
  13. Bij een nieuwe offerte van [--] Bouwservice B.V. komt [geïntimeerden] op een bedrag van € 8.421,60 aan herstelkosten. De procedure bij de kantonrechter 6.2.
  14. [appellante] is bij verstek veroordeeld door de kantonrechter tot betaling van een bedrag van € 8.185,55 vermeerderd met de wettelijke rente over € 7.495,95 vanaf 25 februari 2021 en in de proceskosten. [appellante] heeft vervolgens verzet ingesteld. [geïntimeerden] vorderde, na wijziging van eis, de veroordeling van [appellante] tot betaling van € 8.421,60 (herstelkosten), € 1.203,95 (expertisekosten) en € 856,27 (buitengerechtelijke incassokosten), in totaal een bedrag van € 10.481,82, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.624,55 vanaf 25 februari 2021 tot aan de dag van voldoening. 6.2.
  15. Aan deze vordering heeft [geïntimeerden] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] heeft een aanbouw gerealiseerd over de breedte van de woning van [geïntimeerden] Het oude zonnescherm zou weer teruggeplaatst worden op de nieuwe achtergevel door [appellante] . Na lekkage is [geïntimeerden] gebleken dat sprake is van een constructiefout. Volgens [geïntimeerden] voldoen de door [appellante] verrichte werkzaamheden niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Daarom vordert [geïntimeerden] schadevergoeding. 6.2.
  16. [appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 6.2.
  17. In het tussenvonnis van 27 juli 2022 heeft de kantonrechter [appellante] toegelaten bewijs te leveren van haar stelling dat zij aansprakelijkheid voor eventuele schade door gebruik van de zonwering heeft uitgesloten. 6.2.
  18. In het eindvonnis van 5 juli 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellante] niet in haar bewijs is geslaagd. De kantonrechter heeft [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerden] € 10.314,55 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.625,55 vanaf 25 februari 2021 tot aan de dag van voldoening. Voorts is [appellante] in de proceskosten van [geïntimeerden] veroordeeld. De procedure in hoger beroep 6.
  19. [appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellante] concludeert tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties. 6.
  20. [geïntimeerden] voert gemotiveerd verweer. Dat verweer zal in het navolgende aan de orde komen. Tussenvonnis 27 juli 2022 6.
  21. Voor zover door [geïntimeerden] is aangevoerd dat het tussenvonnis van 27 juli 2022 onherroepelijk is en [appellante] daarom geen grieven tegen dit vonnis kan richten, kan [geïntimeerden] daarin niet worden gevolgd. Ingevolge artikel 337 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering kan hoger beroep van een tussenvonnis zoals dat van 27 juli 2022 slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld. De omstandigheid dat [appellante] in de appeldagvaarding of de memorie van grieven op zichzelf niet (ook) concludeert tot vernietiging van het tussenvonnis van 27 juli 2022 betekent niet dat eventuele (kenbare) grieven van [appellante] die zijn gericht tegen het tussenvonnis door het hof onbesproken kunnen worden gelaten. Ophangen zonnescherm op verzoek van [geïntimeerden] 6.
  22. [appellante] voert in haar derde grief aan dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat het ophangen van het zonnescherm door [appellante] niet geoffreerd was en op uitdrukkelijk verzoek van [geïntimeerden] is gebeurd. 6.
  23. Tussen partijen is niet in discussie dat het ophangen van het zonnescherm oorspronkelijk niet in de offerte was opgenomen. Vast staat ook dat [appellante] het zonnescherm heeft opgehangen tegen betaling van een bedrag van € 685,- voor de manuren en materialen (rov. 6.1.2). Het hof is van oordeel dat partijen aldus nader zijn overeengekomen dat [appellante] een zonnescherm zou ophangen/monteren tegen betaling van een bedrag van € 685,-. Grief 3 faalt. Deugdelijke montage van het zonnescherm? 6.
  24. Volgens grief 1 van [appellante] heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat de verkeerde montage niet door [appellante] wordt betwist. [appellante] is juist wel van mening dat zij het zonnescherm deugdelijk heeft geplaatst. Er is sprake van een verkeerd gebruik van het zonnescherm door [geïntimeerden] , aldus [appellante] . 6.
  25. Deze grief kan niet slagen. Zowel uit het rapport dat door de verzekeraar is opgemaakt (rov. 6.1.4) als uit het rapport van [ZZ] expertise (rov. 6.1.7) volgt afdoende dat sprake is van een constructiefout. De nader tussen partijen gesloten overeenkomst brengt met zich mee dat [appellante] daarmee de verbintenis op zich heeft genomen om het zonnescherm op te hangen. [appellante] was gehouden deze verbintenis correct en deugdelijk uit te voeren, terwijl [geïntimeerden] hiervoor diende te betalen (artikel 7:750 Burgerlijk Wetboek). Dit betekent dat [appellante] als aannemer er niet alleen voor diende te zorgen dat de ophanging op zich deugdelijk diende te geschieden, maar ook dat de constructie van de gevel het zonnescherm, ook bij gebruik daarvan, kon dragen. Uit de deskundigenrapportages volgt dat door het ophangen van het zonnescherm op deze wijze het metselwerk de kracht van het zonnescherm niet kan opvangen c.q. het metselwerk en de stalen strip niet voldoen om het zonnescherm te dragen. [appellante] heeft het zonnescherm dus niet deugdelijk geplaatst/gemonteerd en dit kan haar worden toegerekend. 6.
  26. Voor zover door [appellante] als verweer is gevoerd dat door [appellante] tegen [geïntimeerden] is gezegd dat bij gebruik van het zonnescherm dit alleen veilig was indien het zonnescherm in uitgeklapte toestand werd ondersteund door stangen/beugels aan het uiteinde, is dit door [geïntimeerden] betwist. [geïntimeerden] hebben in dit verband naar voren gebracht dat het zonnescherm, waarvan vaststaat dat dit eerder aan de gevel was gemonteerd en na vernieuwing van de gevel is teruggeplaatst, altijd zonder extra stangen/beugels uitgeklapt kon worden. Hierop is door [appellante] niet ingegaan, terwijl [appellante] evenmin heeft uitgelegd waarom bij de terugplaatsing van het zonnescherm een dergelijke beveiliging wel noodzakelijk zou zijn. Exoneratie voor schade; bewijs 6.
  27. [appellante] heeft aangevoerd dat zij het zonnescherm heeft opgehangen voor rekening en risico van [geïntimeerden] De kantonrechter heeft dit verweer opgevat als een beroep op een (mondeling) overeengekomen exoneratie en heeft [appellante] toegelaten om te bewijzen dat [appellante] aansprakelijkheid voor eventuele schade door gebruik van het zonnescherm heeft uitgesloten. Nu het [appellante] is die zich beroept op deze exoneratie, rust op haar de stelplicht en bewijslast ter zake. De kantonrechter heeft [appellante] dan ook terecht belast met de bewijsopdracht. 6.
  28. De tweede grief van [appellante] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] het bewijs niet heeft geleverd. [appellante] voert aan dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan zowel de schriftelijke als de mondelinge verklaringen van de getuigen [persoon A] en [persoon B] . [appellante] beroept zich op twee nieuwe schriftelijke verklaringen van deze getuigen in hoger beroep (productie 1-2 bij memorie van grieven). 6.
  29. Het hof stelt voorop dat artikel 152 lid 2 Rv bepaalt dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. Op grond hiervan is de hoofdregel dat de rechter vrij is in de waardering van het bewijs. De rechter moet zijn oordeel over het al dan niet geleverd zijn van bewijs motiveren, maar het gaat daarbij om een beperkte motiveringsplicht (vergelijk HR 5 december 2003, NJ 2004/74). Wat betreft de mate van overtuiging die de rechter dient te hebben alvorens hij concludeert dat een bepaald feit is bewezen, gaat het erom dat de rechter een redelijke mate van zekerheid verkrijgt. Het oordeel dat een feit in voldoende mate vaststaat, berust uiteindelijk op de rechterlijke waardering en afweging van de argumenten die in het processuele debat door partijen over en weer zijn gevoerd (vergelijk A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2017:1058, 3.24-3.29). 6.
  30. De bij de kantonrechter overgelegde schriftelijke verklaringen van [persoon A] en [persoon B] (productie 1 bij verzetdagvaarding) zijn identiek qua inhoud, met uitzondering van de naam van de getuige. Dat de kantonrechter meer waarde heeft gehecht aan de onder ede afgelegde mondelinge verklaringen is niet onbegrijpelijk. De slotsom van de kantonrechter dat [appellante] niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, is evenmin onbegrijpelijk. De kantonrechter heeft geoordeeld dat aan de verklaringen van [persoon B] en [persoon A] niet de waarde kan worden toegekend die [appellante] daaraan toegekend wenst te zien, terwijl de verklaring van [XX] als partij-getuige het onvolledig bewijs niet kan aanvullen. 6.
  31. De door [appellante] in hoger beroep overlegde verklaringen van [persoon B] en [persoon A] kunnen [appellante] niet baten. [persoon A] herhaalt dat hij tegen de rechter heeft gezegd dat [XX] tegen [geïntimeerden] heeft gezegd dat hij (het hof begrijpt:) het zonnescherm niet wilde ophangen. [XX] zou toen hebben gezegd dat hij dat deed voor eigen risico (van [geïntimeerden] ). De schriftelijke verklaring van [persoon B] houdt in dat [XX] heeft gezegd dat het voor risico van [geïntimeerde sub 1] was. De in hoger beroep overgelegde verklaringen zijn zo weinig specifiek en concreet dat het hof daaraan voorbijgaat. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid dat het voor [geïntimeerden] duidelijk moet zijn geweest dat [appellante] , voor zover al kan worden aangenomen dat [appellante] de mededeling dat ophanging van het zonnescherm “voor eigen risico” van [geïntimeerden] was, heeft gedaan, zich met die mededeling exonereerde voor alle eventuele toekomstige (gevolg)schade en dat partijen hierover overeenstemming hadden. Begroting schade 6.
  32. Grief 4 van [appellante] is gericht tegen de overwegingen van de kantonrechter met betrekking tot de vermeerdering van eis gedurende de procedure bij de kantonrechter. [appellante] heeft die vermeerdering gemotiveerd bestreden. De kantonrechter heeft ten onrechte op grond van aannames en veronderstellingen de vermeerderde eis toegewezen, aldus [appellante] . 6.
  33. Met [appellante] is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] met de offerte van [--] Bouwservice van 28 november 2022 de eisvermeerdering onvoldoende heeft onderbouwd. Op zichzelf is aannemelijk dat de inflatie zijn weerslag heeft op de inkoop van diensten en materialen, maar de offerte van [--] Bouwservice noemt enkel een hogere aanneemsom, zonder dat duidelijk is welke posten/materialen duurder uitvallen en ter hoogte van welk bedrag. Het hof zal daarom uitgaan van het oorspronkelijk door [geïntimeerden] gevorderde bedrag van € 7.495,
  34. Grief 4 slaagt. Slotsom 6.
  35. De slotsom is dat grief 4 slaagt en de overige grieven falen. Voor zover door [appellante] nog is aangevoerd dat sprake is van eigen schuld van [geïntimeerden] gaat het hof daaraan voorbij, nu [appellante] dit beroep niet heeft gemotiveerd. Het hof zal het vonnis vernietigen voor wat betreft de veroordeling van [appellante] tot betaling van € 10.314,
  36. Tegen de toegewezen expertisekosten en de buitengerechtelijke incassokosten is geen inhoudelijk verweer gevoerd, zodat deze kosten opnieuw zullen worden toegewezen. Nu de (hoofd)vordering van [geïntimeerden] grotendeels door de kantonrechter terecht is toegewezen, geldt [appellante] als de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij. In hoger beroep geldt [geïntimeerden] als de in het ongelijk gestelde partij omdat [appellante] hoger beroep moest instellen om een andere beslissing te verkrijgen, zodat [geïntimeerden] wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Deze worden begroot op: - dagvaarding hoger beroep € 107,91 - griffierecht € 783,- - salaris advocaat € 1.716,- (2 punten x Tarief I) - nakosten € 178,- (plus de verhoging die in de beslissing is vermeld) Totaal € 2.784,91 7De uitspraak Het hof: vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 5 juli 2023, doch uitsluitend voor zover daarin [appellante] veroordeeld is tot betaling van een bedrag van € 10.314,55, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.625,55 vanaf 25 februari 2021 tot aan de dag van voldoening; veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerden] € 8.185,55 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.495,55 vanaf 25 februari 2021 tot aan de dag van voldoening; veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de kant van [appellante] vastgesteld op € 2.784,91 te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [geïntimeerden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,- en de kosten van betekening; bekrachtigt het vonnis voor het overige. Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, B.E.L.J.C. Verbunt en C.B.M. Scholten van Aschat en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 april
  37. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.