GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.335.328/01 arrest van 1 april 2025 in de zaak van 1 [appellant] ,
- [appellante], beiden wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna: [appellanten] , advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven, tegen Woonstichting ‘Thuis, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna: Woonstichting, advocaat: mr. A.M. Pesman te Heerenveen, op het bij dagvaardingsexploot van 26 oktober 2023 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 22 juni 2023 en 14 september 2023 tussen [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en Woonstichting als eiseres in conventie, verweerster in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak 10253886\CV EXPL 22-7543) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de hiervoor genoemde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van [appellanten] ; de door [appellanten] genomen memorie van grieven; de door Woonstichting genomen memorie van antwoord. 2.2 Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg. De kern van de zaak in hoger beroep 2.3 Deze zaak spitst zich toe op de (buitengerechtelijke) ontbinding van een huurovereenkomst na een sluiting van het gehuurde op grond van artikel 13b Opiumwet. 3De beoordeling Feiten 3.1 In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt. a. Bij huurovereenkomst van 4 november 2005 heeft (de rechtsvoorgangster van) Woonstichting aan [appellanten] verhuurd de standplaats met woonwagen aan (voorheen [adres 1] te [plaats] , thans) [adres 2] te [plaats] (hierna: de woning of het gehuurde). [appellanten] hebben een inwonende zoon [persoon A] die in 2007 geboren is. b. Voor zover relevant bepalen de toepasselijke Algemene Voorwaarden Huurovereenkomst Zelfstandige Woonruimte per 1 augustus 2003 in - artikel 5.3 dat de huurder het gehuurde zal gebruiken en onderhouden zoals een goed huurder betaamt; - artikel 5.4 dat de huurder het gehuurde zelf als woonruimte voor hem en leden van zijn huishouden zal bewonen, er zijn hoofdverblijf zal hebben en overeenkomstig de bestemming zal gebruiken en deze bestemming niet zal wijzigen; - artikel 5.6 dat de huurder ervoor zorg dient te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt; - artikel 5.7 dat het de huurder niet is toegestaan in het gehuurde hennep te kweken of andere activiteiten te verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. c. Op 6 april 2022 heeft de politie in en onder het gehuurde een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met de volgende zaken: 2 gasdrukwapens die een sprekende gelijkenis vertonen met een vuurwapen 178 hennepplanten 5 warmtelampen 2 schakelborden 5 transformatoren 4 assimilatielampen 1 tijdschakelaar 1 koolstoffilter 1 slakkenhuisventilator 1 ventilator l koolmonoxide detector Een doos met lege sealzakjes Een groot deel van de fundering van de woning was uitgegraven om de hennepkwekerij te kunnen plaatsen. Via een kast onder een overkapping (gesitueerd tussen [adres 2] en [adres 3] ) kon men bij de kwekerij komen. d. Bij besluit van 1 juni 2022 heeft de burgemeester van [plaats] (hierna: burgemeester) op grond van o.m. artikel 13b Opiumwet beslist om het gehuurde voor drie maanden te sluiten vanwege een daar aangetroffen hennepkwekerij in combinatie met wapens. e. Bij brief van 18 november 2022 heeft (de advocaat van) Woonstichting aan [appellanten] geschreven de huurovereenkomst op grond van artikel 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) buitengerechtelijk te ontbinden en tot ontruiming gesommeerd. f. Het gehuurde is tot 28 december 2022 gesloten geweest. Sinds die datum verblijven [appellanten] weer in het gehuurde. Het geding in eerste aanleg bij de kantonrechter 3.2 In dit met de dagvaarding van 19 december 2022 ingeleide geding heeft Woonstichting, samengevat en na wijziging van eis, in conventie gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. zal verklaren voor recht dat de huurovereenkomst is ontbonden, althans deze zal ontbinden; II. [appellanten] zal veroordelen om het gehuurde binnen drie maanden te ontruimen; III. [appellanten] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een vergoeding gelijk aan de laatst verschuldigde huurprijs, vanaf de dag van ontbinding tot aan de dag van de ontruiming; (hierna: vorderingen I, II en III), met de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. 3.3 [appellanten] hebben een tegenvordering ingesteld en in reconventie, samengevat, gevorderd dat de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad: de buitengerechtelijke ontbinding van het huurcontract zal vernietigen, althans zal verklaren voor recht dat zij nog huurders zijn van het gehuurde; (hierna: vordering IV), met veroordeling van Woonstichting in de proceskosten. 3.4 Bij tussenvonnis van 9 februari 2023 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling bepaald, die op 9 mei 2023 heeft plaatsgevonden. 3.5 Bij het beroepen tussenvonnis van 22 juni 2023 heeft de kantonrechter, verkort weergegeven, als volgt overwogen: Vanwege de onder het gehuurde aangetroffen hennepkwekerij heeft de burgemeester het gehuurde op grond van artikel 13b Opiumwet gesloten, wat de verhuurder op grond van artikel 7:231 lid 2 BW bevoegd maakt om over te gaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst (beroepen tussenvonnis rov. 5.1). Het door [appellanten] gevoerde verweer dat de buitengerechtelijke ontbinding onterecht is omdat er geen hen verwijtbare tekortkoming is, wordt verworpen. Een (toerekenbare) tekortkoming van de huurder is niet vereist voor de buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 7:231 lid 2 BW (beroepen tussenvonnis rov. 5.2). Gesteld noch gebleken is dat Woonstichting misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid door de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden (beroepen tussenvonnis rov. 5.4). Met betrekking tot de kwestie of de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft Woonstichting een zwaarwegend belang bij de ontbinding en ontruiming (beroepen tussenvonnis rov. 5.5). Daaraan zijn de door [appellanten] ingeroepen belangen ondergeschikt, waaronder hun woonbelang, hun geworteldheid in de woonwagengemeenschap, hun financiële situatie en (het belang van) hun inwonende minderjarige zoon. Die ondergeschiktheid geldt in beginsel ook voor de door [appellanten] ingeroepen gezondheidstoestand nu niet blijkt dat er een (medische) noodsituatie voor hen zou ontstaan als zij het gehuurde zouden moeten verlaten. Vanwege het ter zitting geschetste indringende beeld van de (medische) situatie van [appellante] , heeft de kantonrechter hen in de gelegenheid gesteld om nader te onderbouwen dat het medisch onverantwoord is dat [appellante] het gehuurde zou moeten verlaten en dat er in dat geval een (medische) noodsituatie aan haar zijde zou ontstaan (beroepen tussenvonnis rov. 5.6 – 5.10). Onder aanhouding van elke verdere beslissing heeft de kantonrechter toen in conventie en in reconventie: - de zaak naar de rol verwezen voor akte zodat [appellanten] nader met stukken kunnen onderbouwen dat het medisch onverantwoord is dat [appellante] het gehuurde zou moeten ontruimen en dat dan voor [appellante] een (medische) noodsituatie zou ontstaan. 3.6 Bij het beroepen eindvonnis van 14 september 2024 heeft de kantonrechter, verkort weergegeven, als volgt overwogen: - Op grond van de ingebrachte stukken kan niet worden aangenomen dat er een medische noodsituatie zou ontstaan als [appellante] de standplaats zou moeten verlaten (beroepen eindvonnis rov. 2.2). De kantonrechter heeft op grond van alle voornoemde oordelen: - in conventie: voor recht verklaard dat de huurovereenkomst ter zake het gehuurde buitengerechtelijk is ontbonden; [appellanten] veroordeeld om het gehuurde binnen drie maanden na betekening van het vonnis te ontruimen; [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een vergoeding gelijk aan de laatst verschuldigde huurprijs, vanaf de dag van ontbinding tot aan de dag van de ontruiming; - in reconventie: - de vordering afgewezen; - in conventie en in reconventie: [appellanten] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten; het vonnis voor de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het geding in hoger beroep bij dit hof 3.7 In dit met de dagvaarding van 26 oktober 2023 ingeleide hoger beroep formuleren [appellanten] drie grieven en concluderen [appellanten] , in de kern samengevat, dat het hof de beroepen vonnissen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende uitvoerbaar bij voorraad: in conventie de vorderingen I, II en III van Woonstichting zal afwijzen; in reconventie vordering IV van [appellanten] zal toewijzen, met veroordeling van Woonstichting in de proceskosten. 3.8 Woonstichting zegt de tenuitvoerlegging van het beroepen eindvonnis vanwege het aanhangige beroep op te schorten c.q. aan te houden. Woonstichting weerspreekt evenwel de door [appellanten] geformuleerde grieven en concludeert, naar de kern samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad de beroepen vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. De omvang van het hoger beroep 3.9 Dit hoger beroep ziet op de aan Woonstichting in conventie toegewezen vorderingen: I. tot verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is ontbonden; II. tot veroordeling van [appellanten] om het gehuurde binnen drie maanden te ontruimen; III. tot hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van een vergoeding gelijk aan de laatst verschuldigde huurprijs, vanaf de dag van ontbinding tot aan de dag van de ontruiming; en de in reconventie afgewezen vordering van [appellanten] ; IV. tot vernietiging van de buitengerechtelijke ontbinding van het huurcontract, althans tot verklaring voor recht dat zij nog huurders zijn van het gehuurde. De voorliggende vorderingen en grieven vorderingen I (ontbinding), II (ontruiming) en III (gebruiksvergoeding) in conventie 3.10 Woonstichting legt aan de vorderingen I, II en III in de kern ten grondslag dat zij gerechtigd is om de huurovereenkomst te ontbinden, primair op grond van artikel 7:231 lid 2 BW, subsidiair op grond van een aan [appellanten] toerekenbare tekortkoming in de nakoming van hun huurdersverplichtingen. 3.11 Met betrekking tot de beide door Woonstichting ingeroepen grondslagen stelt het hof voorop dat voor een huurovereenkomst als de onderhavige ingevolge artikel 7:231 lid 1 BW als hoofdregel geldt dat alleen de rechter de overeenkomst mag ontbinden op de grond dat de huurder tekort is geschoten is in de nakoming van huurdersverplichtingen. Op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW mag de verhuurder de overeenkomst evenwel buitengerechtelijk ontbinden wegens gedragingen in of nabij het gehuurde die (ernstig doen vrezen voor) ernstige verstoringen van de openbare orde en het bevoegd gezag het gehuurde daarom heeft gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet wegens gedragingen die in strijd zijn met artikel 2, 3, 10a lid 1 onder 3o of 11a Opiumwet. 3.12 Woonstichting baseert de vorderingen I, II en III primair op de bevoegdheid om de huurovereenkomst op grond van artikel 7:231 lid 2 BW buitengerechtelijk te ontbinden. 3.13.1 Voor zover [appellanten] met grief 1 opwerpen dat de kantonrechter er aan voorbij is gegaan dat sprake is van een tekortkoming die niet tot ontbinding van de huurovereenkomst had kunnen of mogen leiden, miskennen zij dat de kantonrechter duidelijk kenbaar heeft overwogen: “ [appellanten] stellen dat de buitengerechtelijke ontbinding onterecht is, omdat er geen sprake is een verwijtbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. (…) Dat verweer moet worden verworpen. Een (toerekenbare) tekortkoming van de huurder is niet vereist voor de buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 7:231 lid 2 BW. (…)” (beroepen tussenvonnis rov. 5.2). 3.13.2 Voor zover [appellanten] verder betwisten dat sprake is van een hen verwijtbare tekortkoming in de nakoming van huurdersverplichtingen en zij betogen dat geen sprake is van een tekortkoming die de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt, beroepen zij zich op omstandigheden die voor de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 7:231 lid 2 BW niet zijn vereist. 3.13.3 Deze beide door [appellanten] gevoerde verweren kunnen aan de primair door Woonstichting ingeroepen bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding dan ook niet afdoen. 3.14 Dat Woonstichting vanwege de door de politie op 6 april 2022 onder het gehuurde aangetroffen zaken en de daarop gevolgde sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet door de burgemeester tot de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst bevoegd is, weerspreken [appellanten] als zodanig niet, althans onvoldoende. Dat Woonstichting hier tot de buitengerechtelijke ontbinding bevoegd is, laat evenwel onverlet dat het hof als civiele rechter moet beoordelen of de door die ingeroepen ontbinding met daarop volgende ontruiming veroorzaakte inbreuk op het (door artikel 8 EVRM beschermde) grondrecht op respect voor de woning evenredig (proportioneel) is. Zoals de kantonrechter verder (tussenvonnis rov. 5.2 en 5.3) terecht heeft aangenomen, geldt hiervoor een andere maatstaf dan de materiële rechtsregel dat alleen een toerekenbare tekortkoming daartoe aanleiding kan geven. Hiervoor dient met name te worden beoordeeld of de door Woonstichting ingeroepen ontbinding met ontruiming misbruik van bevoegdheid oplevert dan wel anderszins naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In de toelichting op grief 1 en met de toegelichte grieven 2 en 3 komen [appellanten] met verschillende bezwaren op tegen de door kantonrechter uiteindelijk gegeven beslissing dat in dit geval van dergelijk misbruik en onaanvaardbaarheid geen sprake is. Het hof zal deze bezwaren hierna gezamenlijk behandelen en beoordelen. 3.15 Niet, althans onvoldoende, gesteld en gebleken is dat Woonstichting de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding uitoefent met geen ander doel dan om [appellanten] en/of hun inwonende minderjarige kind te schaden of met een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld. Voor zover [appellanten] menen dat het met de uitoefening ervan gediende eigen belang van Woonstichting minder zwaar weegt dan het daardoor geschade belang van [appellanten] en/of hun inwonende minderjarige kind, maakt dat nog niet dat Woonstichting de bevoegdheid bij uitoefening misbruikt. Deze zaak spitst zich verder toe op de kwestie of Woonstichting de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding uitoefent terwijl haar daarmee gediende eigen belang het belang van [appellanten] en/of hun inwonende minderjarige kind zo onevenredig schaadt, dat Woonstichting naar redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheid had mogen komen, dan wel dat de ontbinding met ontruiming anderszins naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 3.16 Bij de beoordeling daarvan dient als niet, althans onvoldoende, bestreden tot uitgangspunt het terechte kantonrechtersoordeel: “Woonstichting heeft een zwaarwegend belang bij de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Zij heeft groot belang bij handhaving van haar zerotolerancebeleid. Zij kan niet toestaan dat in van haar gehuurde woningen c.q. standplaatsen hennep wordt gekweekt, vanwege de daaraan verbonden risico’s van brand en schade en overlast voor de omgeving. Zij heeft er tevens belang bij om criminele activiteiten in haar huurwoningen te bestrijden teneinde de verloedering van de woonomgeving tegen te gaan. Het potentieel gevaarzettende, overlast gevende en ontwrichtende karakter van dergelijke activiteiten maakt dat Woonstichting een groot belang heeft bij de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde, nu in het gehuurde een hennepkwekerij is aangetroffen.” (bestreden eindvonnis rov. 5.5). 3.17 De door Woonstichting ingeroepen ontbinding met daarop volgende ontruiming heeft voor [appellanten] en/of hun minderjarige kind ingrijpende gevolgen, maar de tegen dat zwaarwegende belang van Woonstichting ingebrachte belangen van [appellanten] en/of hun minderjarige kind doen het hof niet oordelen dat Woonstichting de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding uitoefent terwijl haar daarmee gediende eigen belang het belang van [appellanten] en/of hun inwonende minderjarige kind zo onevenredig schaadt, dat Woonstichting naar redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheid had mogen komen dan wel dat de ontbinding met ontruiming anderszins naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hiertoe overweegt het hof in het bijzonder als volgt. 3.18 Voor zover [appellanten] de door Woonstichting opgeworpen verwijtbaarheid en tekortkomingen in de nakoming van huurdersverplichtingen ontkennen, overweegt het hof dat deze omstandigheden (weliswaar geen vereisten zijn voor de buitengerechtelijke ontbindingsbevoegdheid van Woonstichting, maar) hieraan ten nadele van [appellanten] wel gewicht toekomt bij de afweging of de door Woonstichting ingeroepen ontbinding met daarop volgende ontruiming veroorzaakte inbreuk op het grondrecht op respect voor de woning evenredig (proportioneel) is. Woonstichting houdt [appellanten] als huurders immers terecht aansprakelijk voor de gedragingen van anderen die met hun goedvinden het gehuurde hebben gebruikt en/of zich daar hebben bevonden en verwijt hen terecht schendingen van de huurdersverplichtingen om zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde als goed huurders te gedragen en te waken voor een aantasting van het woon- en leefklimaat en van de veiligheid in de buurt. Ook verwijt Woonstichting terecht aan [appellanten] een schending van hun zorgplicht en verantwoordelijkheid voor wat er in en rond het gehuurde gebeurt. [appellanten] hadden behoren te weten dat het toestaan en gedogen van de plaatsing en exploitatie van de hennepkwekerij onder het gehuurde strijdig was met hun huurdersverplichtingen en in het maatschappelijk verkeer als onbetamelijk, onzorgvuldig en zelfs gevaarzettend gedrag geldt, ook jegens omwonenden. 3.19.1 Voor zover [appellanten] beweren dat de plaatsing en exploitatie van de hennepkwekerij onder dwang en bedreiging moest worden toegestaan en gedoogd, kan het hof niet concluderen tot de door [appellanten] in dit verband verdedigde overmachtssituatie. Hiertoe beroepen [appellanten] zich op de bijzondere situatie dat [appellant] meer dan 20 jaren geleden grote gokschulden heeft laten ontstaan die hij – ondanks de verkoop van zijn toenmalige Helmondse autobedrijf – niet volledig heeft kunnen aflossen. Daarna zou [appellant] uit [plaats] zijn vertrokken, maar nadat de criminele schuldeiser(s) in 2020 diens nieuwe woonplaats hadden ontdekt, zouden zij de plaatsing en exploitatie van de hennepkwekerij onder het gehuurde hebben geëist en afgedwongen. 3.19.2 Hoewel Woonstichting dit relaas in eerste aanleg al heeft betwist, staven [appellanten] een en ander ook in hoger beroep op geen enkele wijze (nader). [appellanten] brengen hiervoor geen begin van bewijs bij en doen zelfs geen concreet hierop gericht bewijsaanbod. En voor zover al van de juistheid van dit relaas van [appellanten] zou worden uitgegaan, is de ingeroepen situatie uiteindelijk ontstaan door en terug te voeren tot handelingen of gedragingen van [appellant] zelf. Ook voor zover [appellant] na ervaren bedreiging of afpersing heeft besloten om niets van dit alles aan de politie en/of Woonstichting te melden maar de plaatsing en exploitatie van de hennepkwekerij onder het gehuurde toe te staan en te gedogen, valt dat uiteindelijk in belangrijke mate aan [appellant] zelf toe te rekenen. 3.20.1 Voor de ingeroepen gezondheidsproblemen beroepen [appellanten] zich op hun lichamelijke en psychische gesteldheid, maar voor [appellant] duiden de daartoe ingebrachte medische gegevens van met name de huisarts en van zijn patiëntendossier vooral op verschillende kwalen en een hartkatheterisatie en niet op de beweerde zware hart- en longproblemen of een problematische klapvoet. Voor zover [appellanten] zeggen dat [appellant] vanwege zijn gezondheidstoestand een uitkering ontvangt, verhelderen en staven zij dat verder ook niet met relevante medische gegevens. Overigens volgt uit het enkele feit dat vanwege de gezondheidstoestand een uitkering wordt ontvangen in zijn algemeenheid nog niet dat het medisch onverantwoord is als het gehuurde zou moeten worden verlaten of een ingeroepen ontbinding met ontruiming tot een medische noodsituatie of noodtoestand zou leiden. 3.20.2 [appellanten] benadrukken vooral de slechte gezondheid van [appellante] en uit de daartoe ingebrachte medische gegevens van met name huisartsen, van de cardioloog en van haar patiëntendossier blijken – naast andere kwalen – met name haar stressgevoeligheid en maag(zuur)problemen en in het bijzonder haar hartproblemen. Daaruit volgt evenwel onvoldoende dat het medisch onverantwoord is als [appellante] het gehuurde zou moeten verlaten of dat de door Woonstichting ingeroepen ontbinding met ontruiming voor [appellante] tot een medische noodsituatie of noodtoestand zou leiden. 3.20.3 Voor zover [appellanten] zich overigens beroepen op hun gevorderde leeftijd, onderbouwen [appellanten] dat verder niet en lichten zij dat verder ook niet voldoende toe. Uit de ingebrachte medische gegevens blijken verder geen bijzondere gezondheidsproblemen in dit verband. 3.21 Wat minderjarige zoon [persoon A] betreft, wijzen [appellanten] vooral op zijn schoolopleiding en niet zo zeer op eventuele gezondheidsproblemen. Verder kan niet worden voorbijgezien aan diens inmiddels gevorderde leeftijd: [persoon A] is bijna meerderjarig. 3.22 Bij al het voorgaande komt nog dat [appellanten] niet, althans onvoldoende, weerspreken dat zij vooraf gewaarschuwd waren voor en bekend waren met de gevolgen die Woonstichting pleegt te verbinden aan het aantreffen van een hennepkwekerij in of bij de door haar verhuurde woningen: beëindiging van de huurverhouding. Dit vindt ook steun in bijvoorbeeld de reeds op 21 juni 2006 door haar rechtsvoorganger en de gemeente aan [appellanten] gerichte brief, voor zover die inhoudt dat bij het aantreffen van een hennepkwekerij als nieuw en aangescherpt beleid zal gaan gelden: dat de bewoner van het pand of de woonwagen waar de plantage wordt aangetroffen, kort de gelegenheid zal krijgen om vrijwillig de huur op te zeggen, waarna echter altijd huurbeëindiging zal volgen en proces- en ontruimingskosten altijd bij de ontruimde in rekening zullen worden gebracht; dat de bewoners van de ontruimde woning/woonwagen in alle gevallen voor vijf jaren zullen worden uitgesloten voor een woning en dat de gemeente dan ook niet zal meewerken aan het verkrijgen van een tijdelijke standplaats of tijdelijk huisnummer, zodat de betrokkene de gemeente zal moeten verlaten en/of bij iemand zal moeten gaan inwonen, met alle gevolgen van dien voor uitkeringen en dergelijke. 3.23 [appellanten] beroepen zich er voorts op dat zij niet beschikken over vermogen of een inkomen uit reguliere arbeid en alleen een uitkering op grond van de Participatiewet hebben, dat zij geen inkomsten uit de hennepkwekerij hebben verkregen en dat hun financiële positie slecht is. Daarbij miskennen zij dat zij wel degelijk voordeel uit de kwekerij hebben genoten, nu deze naar hun eigen zeggen feitelijk diende ter aflossing van hun schulden aan de exploitanten van die kwekerij. Ook roepen [appellanten] verder nog in dat zij en/of hun minderjarige kind al geruime tijd in het gehuurde wonen, deel uitmaken van een zigeunergemeenschap, geworteld zijn in de kleine hechte lokale woonwagengemeenschap, niet in een burgerwoning zullen kunnen wennen, jarenlang niet voor overlast hebben gezorgd en dat de huur altijd tijdig is betaald. Deze meer algemene omstandigheden – ook in combinatie met alle eerdergenoemde omstandigheden – hebben [appellanten] er evenwel uiteindelijk niet van weerhouden om de plaatsing en exploitatie van de hennepkwekerij onder het gehuurde toe te staan en te gedogen. [appellanten] weerspreken bovendien niet gemotiveerd (de stelling van Woonstichting) dat in ieder geval [appellante] en de kinderen ten tijde van de inleidende dagvaarding feitelijk reeds elders hebben verbleven. [appellanten] stellen en staven niet voldoende dat zij nu niet elders feitelijk onderdak zullen kunnen vinden. 3.24 In het licht van het eerdergenoemde uitgangspunt concludeert het hof op basis van al het voorgaande dat de door Woonstichting ingeroepen ontbinding met daarop volgende ontruiming voor [appellanten] en/of hun minderjarige kind wel ingrijpende gevolgen heeft, maar gezien het zwaarwegende belang van Woonstichting niet kan worden geoordeeld dat Woonstichting de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding daarmee misbruikt, of inroeping daarvan anderszins naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij in aanmerking nemend de aard en omvang van de onder het gehuurde aangetroffen professionele hennepkwekerij met de grote hoeveelheid planten, kan het hof niet oordelen dat de door de ingeroepen ontbinding met daarop volgende ontruiming veroorzaakte inbreuk op het grondrecht op respect voor de woning niet proportioneel is. Dat Woonstichting de tenuitvoerlegging van het beroepen eindvonnis vanwege het aanhangige beroep heeft opgeschort c.q. aangehouden, maakt dit als zodanig niet anders en brengt het hof niet tot een ander oordeel. 3.25 Nu de vorderingen I (ontbinding), II (ontruiming) en III (gebruiksvergoeding) reeds op de primaire grondslag (artikel 7:231 lid 2 BW) aan Woonstichting toewijsbaar zijn, komt het hof niet toe aan een afzonderlijke bespreking van de daartoe door Woonstichting ingeroepen subsidiaire grondslag (verwijtbare tekortkoming). vordering IV (vernietiging buitengerechtelijke ontbinding) in reconventie 3.26 [appellanten] leggen aan vordering IV in de kern ten grondslag dat Woonstichting de huurovereenkomst niet buitengerechtelijk had mogen ontbinden, althans dat de huurovereenkomst niet mag worden ontbonden. Reeds uit het voorgaande volgt dat de hiertoe ingeroepen grondslag deze vordering niet kan dragen en vordering IV van [appellanten] niet toewijsbaar is. Bewijsaanbod 3.27 Het hof passeert het door [appellanten] gedane bewijsaanbod dat te vaag en slechts algemeen is, en geen aanbod van het bewijs van concrete feiten bevat die het hof anders kunnen doen beslissen. De slotsom 3.28.1 Alles bij elkaar komt het hof tot de slotsom dat de kantonrechter de vorderingen I, II en III in conventie terecht aan Woonstichting heeft toegewezen en vordering IV in reconventie terecht aan [appellanten] heeft ontzegd. De grieven van [appellanten] missen doel en zij zijn in conventie en in reconventie terecht (als in het ongelijk gestelde partijen) hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg. Het hof zal de beide beroepen vonnissen bekrachtigen. 3.28.2 Het hof zal de ongelijk krijgende [appellanten] verder veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. De proceskostenveroordeling levert ook voor de nakosten een executoriale titel op en het hof stelt die kosten aan de zijde van Woonstichting voor het hoger beroep op: griffierecht € 783,-- salaris advocaat € 1.214,-- (1 punt x tarief II HB) nakosten € 278,-- (plus verhoging conform beslissing) totaal € 2.275,-- Nu twee partijen tot betaling van de proceskosten zullen worden veroordeeld, zijn zij in beginsel ieder voor het geheel aansprakelijk en hoofdelijk verbonden tot betaling daarvan. Wat [appellanten] verder nog aanvoeren, bevat geen concrete feiten die het hof anders doen beslissen. Het hof beslist nu als volgt. 4De uitspraak Het hof: bekrachtigt de beroepen vonnissen van 22 juni 2023 en 14 september 2023; veroordeelt [appellanten] hoofdelijk – zodat betaling door de één ook de ander zal bevrijden – tot betaling aan Woonstichting van de proceskosten van dit hoger beroep ten bedrage van € 2.275,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en als [appellanten] deze proceskosten niet tijdig voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten [appellanten] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; verklaart de proceskostenkostenveroordeling in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.B. Smits en J.J.M. Saelman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 april
- griffier rolraadsheer