← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:978

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.344.317/01 arrest van 8 april 2025 in de zaak van 1 [appellante] , wonende te [woonplaats] ,

  1. [appellant], wonende te [woonplaats] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep; hierna tezamen aan te duiden als [appellanten] , advocaat: mr. I. Soetens te Eindhoven, tegen 1 [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] (België),
  2. Yafra B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep; hierna tezamen aan te duiden als [geïntimeerden] , advocaat: voorheen mr. S.X.J. Zuidema te Heerlen (per 10 december 2024 onttrokken), op het bij exploot van dagvaarding van 1 respectievelijk 3 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 juni 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/422188 / KG ZA 24-212) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep houdende grieven en wijziging van eis, met producties; de memorie van antwoord, tevens incidenteel hoger beroep, met producties; de akte rectificatie en verduidelijking van [geïntimeerden] ; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met producties; het H-formulier van 19 november 2024 waarmee mr. Zuidema voornoemd zich heeft onttrokken als advocaat van [geïntimeerden] , waarna zich voor hen geen nieuwe advocaat heeft gesteld; de mondelinge behandeling op 11 februari 2025, waarbij geïntimeerde sub 1 ( [geïntimeerde] ), zoals door haar verzocht, in persoon digitaal (via Teams) is verschenen, ook namens geïntimeerde sub 2 (Yafra), en waarbij [appellanten] , vertegenwoordigd door mr. Soetens voornoemd, spreekaantekeningen hebben overgelegd; de bij H-formulier van 31 januari 2025 door [appellanten] toegezonden producties 43 tot en met 52, die zij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding hebben gebracht. De door [geïntimeerden] nog aan het hof gemailde producties zijn door het hof geweigerd omdat zij niet meer vertegenwoordigd werden door een advocaat. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 3.
  3. In de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter vermeld van welke feiten hij is uitgegaan. Nu daartegen geen grieven zijn gericht, vormen die feiten ook voor het hof het uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende. 3.1.
  4. Appellante sub 1 ( [appellante] ), appellant sub 2 ( [appellant] ) en [geïntimeerde] zijn allen reumatoloog en houden (indirect) aandelen in ZeeBra Reumatologie BV (hierna: ZeeBra). 3.1.
  5. [geïntimeerde] is bestuurder en aandeelhouder van Yafra. Yafra is bestuurder van ZeeBra. Tot omstreeks december 2023 waren ook [XXX] B.V. (de onderneming van [appellant] ) en Primula B.V. (de onderneming van [appellante] ) bestuurders van ZeeBra. 3.1.
  6. De enige opdrachtgever van ZeeBra was Stichting Reumazorg Zuid-West Nederland (RZWN). Bestuurders van RZWN zijn [appellante] en [persoon A] . 3.1.
  7. RZWN heeft per 28 februari 2024 de samenwerking met ZeeBra beëindigd. 3.1.
  8. ZeeBra en Yafra hebben een verzoekschrift ingediend bij de Ondernemingskamer ertoe strekkende een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van ZeeBra over de periode vóór 20 december 2023, alsmede het treffen van een aantal onmiddellijke voorzieningen. De Ondernemingskamer heeft bij beschikking onder zaaknummer 200.336.822/01 OK van 18 april 2024 geconcludeerd dat uit de stellingen van de verzoeksters niet blijkt van een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken binnen ZeeBra. De verzoeken zijn daarom afgewezen. 3.2.
  9. In eerste aanleg hebben [appellanten] , kort samengevat, veroordeling van [geïntimeerden] gevorderd om per direct alle onrechtmatige gedragingen ten laste van [appellanten] en aan hen gelieerde vennootschappen te staken en gestaakt te houden, in het bijzonder om zich te onthouden van iedere vorm van kwaadsprekerijen, smaad, laster, of pogingen ten laste van [appellante] en/of [appellant] en de aan hen gelieerde vennootschappen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per gebeurtenis, per (rechts)persoon, met een maximum van € 500.000,-, althans om één of meerdere voorziening(en) te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht. 3.2.
  10. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens [appellanten] hebben gehandeld doordat zij de volgende (rechts)personen hebben ingelicht over de beschuldigingen van (onder meer) fraude en andere misstanden die [geïntimeerden] aan [appellanten] maken: RZWN, het medisch stafbestuur van RZWN, de Raad van Toezicht van RZWN, de Cliëntenraad van RZWN, andere reumatologen verbonden aan ZeeBra en/of RZWN, NZA en IGJ. Daarbij gaat het volgens de voorzieningenrechter om lichtvaardig gedane, niet-onderbouwde beschuldigingen waarvan [geïntimeerden] zich moeten realiseren dat deze voor [appellanten] gevolgen kunnen hebben. Het beroep van [geïntimeerden] dat zij als klokkenluider hebben gefungeerd, heeft de voorzieningenrechter verworpen, daarbij in aanmerking nemende dat de Ondernemingskamer reeds heeft geoordeeld dat niet is gebleken van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid binnen ZeeBra. Volgens de voorzieningenrechter hebben [appellanten] evenwel onvoldoende onderbouwd wat de concrete, schadelijke gevolgen zijn geweest van de door [geïntimeerden] gedane uitlatingen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellanten] daarom afgewezen. 3.
  11. [appellanten] hebben in principaal hoger beroep drie grieven aangevoerd en concluderen tot vernietiging van het bestreden kortgedingvonnis en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen, die zij in hoger beroep hebben vermeerderd. [appellanten] vorderen thans ook veroordeling van [geïntimeerden] om [appellanten] niet langer direct - op welke wijze dan ook - te benaderen voor de duur dat [appellanten] zich laten vertegenwoordigen door een derde partij, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per gebeurtenis, per (rechts)persoon, met een maximum van € 500.000,-. Ook vorderen [appellanten] hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot (terug)betaling van al hetgeen zij ingevolge het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] hebben betaald, te vermeerderen met rente. 3.
  12. Met grief 1 in principaal hoger beroep voeren [appellanten] aan dat de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te overwegen dat voor toewijzing van de vorderingen van [appellanten] is vereist dat in het kader van de toe te passen belangenafweging omstandigheden worden aangevoerd waaruit blijkt dat de uitlatingen van [geïntimeerden] concrete schadelijke gevolgen hebben voor [appellanten] Met grief 2 voeren [appellanten] aan dat de voorzieningenrechter in dezelfde rechtsoverweging ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellanten] die schadelijke gevolgen onvoldoende hebben onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Grief 3 is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 van het bestreden vonnis voor zover de voorzieningenrechter daarin heeft geoordeeld - anders dan ten aanzien van de uitlatingen tegenover de hiervoor in rechtsoverweging 3.2.2 genoemde geadresseerden - dat niet aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de uitlatingen van [geïntimeerden] tegenover Baker Tilly, [---] Accountants, Inocare en BN De Stem jegens [appellanten] onrechtmatig zijn. 3.
  13. [geïntimeerden] hebben in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd. Zij concluderen tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de voorzieningenrechter daarin heeft vastgesteld dat de uitlatingen van [geïntimeerden] als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt omdat er onvoldoende feiten aan de beschuldigingen ten grondslag liggen (rechtsoverweging 4.7), en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor het overige. Spoedeisend belang 3.
  14. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat gelet op de aard van de vorderingen voldoende is gebleken van een spoedeisend belang. Geen van partijen heeft daartegen een grief gericht. Ook het hof is van oordeel dat voldoende is gebleken van een spoedeisend belang. Onrechtmatige uitlatingen? 3.
  15. Het hof overweegt dat bij de vraag of een uitlating al dan niet in strijd is met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid (onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW) door middel van een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden beoordeeld dient te worden welke van beide fundamentele, in beginsel gelijkwaardige rechten in dit geval zwaarder weegt: het aan [geïntimeerden] toekomende recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) dan wel het aan [appellanten] toekomende recht op eer en goede naam (artikel 8 EVRM). Tot de af te wegen omstandigheden behoren onder meer (HR 12 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1046, rechtsoverweging 3.2.2): de aard van de geuite beschuldigingen en de ernst van de te daarvan te verwachten gevolgen; de ernst van de misstand die [geïntimeerden] aan de kaak willen stellen; de mate waarin de beschuldigingen destijds steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal; e inkleding van de geuite beschuldigingen; de mate van waarschijnlijkheid dat die beschuldigingen ook zonder de gewraakte uitingen van [geïntimeerden] in het algemeen belang langs andere, voor [appellanten] minder schadelijke wijze openbaar zouden zijn geworden. 3.
  16. De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis overwogen dat [geïntimeerden] met betrekking tot de beschuldigingen van (onder meer) fraude en andere misstanden die zij door middel van e-mails hebben geuit naar RZWN, het medisch stafbestuur van RZWN, de Raad van Toezicht van RZWN, de Cliëntenraad van RZWN, andere reumatologen verbonden aan ZeeBra en/of RZWN, NZA en IGJ, onvoldoende heeft aangevoerd dat er feiten aan de beschuldigingen ten grondslag liggen. De voorzieningenrechter heeft daarbij de uitspraak van de Ondernemingskamer in aanmerking genomen waaruit volgt dat de Ondernemingskamer heeft bepaald dat uit de stellingen niet blijkt van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid binnen Zeebra. De Ondernemingskamer, die in haar uitspraak uitgebreid is ingegaan op de verwijten van [geïntimeerden] , heeft onder meer overwogen (rechtsoverweging 3.8 e.v.) dat niet kon worden volstaan met de algemene stelling dat zich binnen de onderneming onjuistheden hadden voorgedaan, dat er onvoldoende concrete aanwijzingen waren voor benadeling van [geïntimeerden] en dat onvoldoende geconcretiseerd is dat er winst is verdwenen. Met andere woorden, de Ondernemingskamer is van oordeel dat voor de verwijten van [geïntimeerden] geen steun kan worden gevonden in de stukken, zoals vervolgens ook de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft vastgesteld. 3.
  17. Met hun grief in incidenteel hoger beroep hebben [geïntimeerden] aangevoerd dat zij, anders dan in eerste aanleg is aangenomen, wel degelijk beschikken over bewijs voor hun beschuldigingen. Zij hebben echter niet de gelegenheid gekregen om dat bewijsmateriaal eerder, in de procedure bij de Ondernemingskamer of in de procedure in eerste aanleg bij de voorzieningenrechter, naar voren te brengen. Rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat aan de uitlatingen van [geïntimeerden] onvoldoende feiten ten grondslag liggen, is daarom onjuist. [geïntimeerden] wijzen in dit verband (met name) op de producties 5, 6 en 7 bij memorie van antwoord/grieven in incidenteel hoger beroep, respectievelijk een brief van [persoon B] en [persoon C] (twee (middellijk) aandeelhouders van Zeebra) aan de medewerkers van RZWN van 29 mei 2023, een brief van [persoon B] en [persoon C] aan mr. Soetens van 14 juni 2024 en een proces-verbaal van aangifte van belediging door [geïntimeerden] van 22 april
  18. Ook maken [geïntimeerden] er gewag van dat een in oktober 2023 door hen ingeschakelde accountant heeft bevestigd dat er onjuistheden waren in de boekhouding van Zeebra van 2019 tot 20 december 2023, wat heeft geresulteerd in een rapport over de misstanden en klachten vanuit het personeel. 3.10.
  19. Een rapport van een accountant heeft het hof niet als productie bij de memorie van antwoord/memorie van grieven in incidenteel hoger beroep aangetroffen. Voor zover [geïntimeerden] het oog hebben op het als productie 14 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte rapport van [zzz] Partners B.V. van 15 januari 2024 (hierna: het rapport), kunnen naar het oordeel van het hof op basis van dat rapport geen conclusies in hun voordeel worden getrokken. Uit het rapport blijkt niet veel méér dan dat "Het bestuur [op dat moment alleen Yafra/ [geïntimeerde] , toev. hof] niet over de nodige informatie beschikt om belangrijke vragen over substantiële betalingen te kunnen beantwoorden" (laatste bladzijde van het rapport). Ook de Ondernemingskamer die de beschikking had over het rapport heeft overwogen dat het rapport, nu dat verslag doet van een onderzoek op basis van uitsluitend door [geïntimeerden] aangereikte informatie en waarbij geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, onvoldoende steun biedt aan het standpunt van [geïntimeerden] 3.10.
  20. In de als productie 5 in het geding gebrachte brief [persoon C] en [persoon B] maken deze aandeelhouders van Zeebra er met name melding van dat er onrust is ontstaan binnen Zeebra, dat [appellante] hun goede naam en betrouwbaarheid in twijfel heeft getrokken en dat zij geen vertrouwen meer hebben in [appellante] als bestuurder van Zeebra. In hun als productie 6 in het geding gebrachte brief van 14 juni 2024 worden vragen gesteld ten aanzien van de aan [appellant] uitgekeerde vergoedingen en wordt aangekondigd dat er mogelijk aangifte zal worden gedaan. Dat [persoon C] en [persoon B] hieraan enig (concreet) vervolg hebben gegeven is het hof overigens niet gebleken. Naar het oordeel van het hof vormt de omstandigheid dat [persoon C] en [persoon B] - die volgens [appellanten] een gekleurde bril hebben en sinds hun vertrek bij Zeebra aan de stoelpoten van [appellanten] zagen - in hun brieven vragen hebben gesteld en zich hebben beklaagd over (met name) de wijze van communicatie door [appellante] , geenszins een voldoende feitelijke onderbouwing voor de beschuldigingen die [geïntimeerden] hebben geuit. Hoe dan ook kunnen de brieven in onvoldoende mate afdoen aan het - door de voorzieningenrechter onderschreven - oordeel van de Ondernemingskamer dat niet is gebleken van een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken binnen ZeeBra. Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal van aangifte (productie 7 bij memorie van antwoord/memorie van grieven in incidenteel hoger beroep), dat louter de mening van [geïntimeerden] weergeeft. Niet is gesteld of gebleken dat door de politie of het Openbaar Ministerie nader vervolg aan de aangifte is gegeven. 3.10.
  21. [appellanten] hebben in hoger beroep een aantal nieuwe e-mails van [geïntimeerden] in het geding gebracht waaruit blijkt dat [geïntimeerden] ook na de mondelinge behandeling in eerste aanleg en na de uitspraak van het bestreden vonnis is doorgegaan met het beschuldigen van [appellanten] door aan dezelfde ontvangers, of zelfs aan nog meer ontvangers, e-mails te versturen. Zo maken [geïntimeerden] er in die e-mails gewag van dat [appellanten] en [persoon A] ernstige strafbare feiten zouden hebben gepleegd (16 juni 2024), dat (onder anderen) [appellanten] [geïntimeerde] hebben belaagd, aangevallen, gepest, vernederd, geïntimideerd, zieker en arbeidsongeschikt hebben gemaakt (11 juni 2024), dat Vercoutere de bankpas van Zeebra zou hebben geblokkeerd (7 juni 2024) en dat [appellanten] documenten zouden hebben vervalst en (andere) illegale handelingen zouden hebben gepleegd (17 juni 2024). Ook in de laatste door [appellanten] in het geding gebrachte e-mails van [geïntimeerden] , aan vele personen verzonden in de periode november 2024 tot en met januari 2025, worden [appellanten] beschuldigd van bedreigingen, misbruik van een bankpas, plundering van de bankrekening van [geïntimeerde] , hacking, identiteitsfraude, misleiding, manipulatie, etc. Daarbij worden de advocaat van [appellanten] en ook de eigen advocaten van [geïntimeerden] niet gespaard. Ook zij worden door [geïntimeerden] beschuldigd van samenspannen, intimidatie, dreigementen en (ander) ernstig verwijtbaar handelen. Zeker voor deze nieuwe, in ernst fors toegenomen beschuldigingen van [geïntimeerden] bestaat naar het oordeel van het hof, mede gelet op het hiervoor overwogene, onvoldoende feitelijke onderbouwing. De door [geïntimeerden] in hoger beroep alsnog in het geding gebrachte stukken kunnen daarom geen verandering brengen in het door de voorzieningenrechter gegeven oordeel omtrent het gebrek aan de feitelijke onderbouwing van de beschuldigingen. De grief in incidenteel hoger beroep faalt. 3.
  22. De stelling van [geïntimeerden] dat zij als klokkenluider fungeren en dat zij daarom een rechtvaardiging hebben voor de door hen geuite beschuldigingen, moet gezien het hiervoor overwogene worden verworpen. De misstanden die [geïntimeerden] zeggen aan de kaak te willen stellen (fraude, hacking, manipulatie, valsheid in geschrifte, etc.), vinden geen steun in het feitenmateriaal en zijn dus niet aannemelijk geworden. 3.
  23. Bij de toe te passen belangenafweging neemt het hof verder in aanmerking dat [geïntimeerden] hun vele e-mails met beschuldigingen - soms meerdere per dag - niet alleen hebben gestuurd naar [appellanten] , maar ook naar een zeer grote groep bedrijven en personen, veel meer dan de (directe) belanghebbenden. Daarbij hebben [geïntimeerden] in toenemende, extremere mate gebruik gemaakt van minachtende, onnodig verwijtende en aanmatigende bewoordingen en toon, voorzien van veel vraag- en uitroeptekens en kapitalen. 3.
  24. Onder deze omstandigheden leidt een belangenafweging ertoe dat het [appellanten] toekomende recht op eer en goede naam als bedoeld in artikel 8 EVRM zwaarder dient te wegen dan het recht van [geïntimeerden] op vrije meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM. Op de manier waarop [geïntimeerden] via e-mails beschuldigingen hebben geuit, hebben [geïntimeerden] naar zeer aannemelijk is schade toegebracht aan de eer en goede naam van [appellanten] , zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestond. Dat is naar het voorshands oordeel van het hof onrechtmatig en rechtvaardigt een verbod. Anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld is daarvoor niet noodzakelijk dat [appellante] c.s concretiseren wat voor hen de schadelijke gevolgen van de uitlatingen zijn. Weliswaar geldt voor toewijzing van een vordering tot betaling van schadevergoeding als vereiste dat er sprake moet zijn van (al dan niet toekomstige) schade, maar dat vereiste geldt niet voor toewijzing van een vordering tot nakoming van een rechtsplicht (een rechterlijk verbod of gebod) teneinde (mogelijke) schade te voorkomen. Bovendien ook het verlies aan eer en goede naam, waarvan naar het oordeel van het hof sprake is, valt als schade aan te merken. De grieven 1 en 2 in principaal hoger beroep slagen. 3.
  25. Grief 3 in principaal hoger beroep behoeft geen behandeling. In het voorgaande is geoordeeld dat de wijze waarop [geïntimeerden] beschuldigingen van [appellanten] tegenover derden hebben geuit onrechtmatig is en een verbod rechtvaardigt. [appellanten] hebben geen belang bij een beoordeling van de vraag of de (specifieke) uitlatingen van [geïntimeerden] naar Baker Tilly, [---] Accountants, Inocare en BN De Stem (ook) toen onrechtmatig zijn geweest. De vordering kan ook zonder die beoordeling worden toegewezen. Slotsom 3.
  26. Nu de grieven 1 en 2 slagen, zal het hof het bestreden vonnis in kort geding vernietigen. De vordering van [appellanten] kan alsnog worden toegewezen als hierna volgt. Ook de eisvermeerdering kan naar het oordeel van het hof worden toegewezen. Gelet op de aard en frequentie van de berichten die [geïntimeerden] aan [appellanten] zelf hebben gezonden, hebben zij er recht op en voldoende belang bij dat contact tussen partijen voortaan zal verlopen via de advocaat van [appellanten] hebben ter zitting aangevoerd dat [geïntimeerden] soms wel 100 appjes in een weekend stuurt, wat veel tijd kost en onrust geeft. [appellanten] hebben verder terugbetaling gevorderd van al wat zij ter voldoening aan het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis in kort geding aan [geïntimeerden] hebben voldaan. Deze vordering is toewijsbaar, nu het een vordering betreft die er slechts toe strekt de gevolgen van de - thans onjuist bevonden - veroordeling die bij het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken, aanstonds ongedaan te maken. Dwangsom 3.
  27. [appellanten] hebben gevorderd dat zowel aan iedere onrechtmatige uitlating van [geïntimeerden] als aan het opnemen van contact door [geïntimeerden] een dwangsom wordt verbonden van telkens € 5.000,- per gebeurtenis, per (rechts)persoon, met een maximum van € 500.000,-. Het hof ziet aanleiding de dwangsommen te matigen tot € 1.000,- per gebeurtenis met een maximum van € 10.000,- aan in totaal te verbeuren dwangsommen. Het hof heeft op de mondelinge behandeling de indruk gekregen dat [geïntimeerden] overtuigd zijn van de juistheid van hun uitlatingen en dat [geïntimeerden] daar niet vanaf te brengen zijn. Desalniettemin zullen [geïntimeerden] zich moeten houden aan deze rechterlijke uitspraak. Met oplegging van de dwangsom beoogt het hof te bewerkstelligen dat [geïntimeerden] die uitlatingen in de toekomst achterwege zal laten en dat [geïntimeerden] geen contact meer met [appellanten] zoeken. Daarbij realiseert het hof zich, dat in het geval [geïntimeerden] zich niet in de hand hebben en overgaan tot het sturen van vele berichten op één dag, de dwangsom snel verbeurd zal zijn. Rekening houdend met de persoonlijke situatie van [geïntimeerde] heeft het hof de dwangsom gemaximeerd tot een bedrag van € 10.000,-. Het hof merkt nog op dat op grond van artikel 611a lid 3 Rv de dwangsom niet kan worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Het hof ziet aanleiding om, nu [geïntimeerden] niet meer beschikken over rechtsbijstand, te expliciteren dat na betekening van het arrest [geïntimeerden] zich aan de veroordelingen moet houden, en zij vanaf dat moment bij het zich niet houden aan deze veroordelingen een dwangsom van € 1.000,- per gebeurtenis verbeurd. Proceskosten 3.
  28. Als de in het ongelijk gestelde partij dienen [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties te worden veroordeeld. Het hof zal geen proceskosten begroten voor het incidenteel hoger beroep nu dat zo nauw samenhangt met het principaal hoger beroep dat dit geen aparte proceskostenveroordeling rechtvaardigt. 4De uitspraak Het hof: vernietigt het bestreden vonnis; opnieuw rechtdoende: veroordeelt [geïntimeerden] om na betekening van dit arrest alle onrechtmatige gedragingen ten laste van [appellanten] en de aan hen gelieerde vennootschappen te staken en gestaakt te houden, in het bijzonder zich te onthouden van elke vorm van kwaadsprekerijen, smaad, laster, of pogingen ten laste van [appellante] en/of Vercoutere en de aan hen gelieerde vennootschappen; veroordeelt [geïntimeerden] om [appellanten] na betekening van dit arrest niet langer direct maar alleen nog via hun raadsman te benaderen voor de duur dat [appellanten] zich laten vertegenwoordigen door een raadsman; bepaalt dat [geïntimeerden] een dwangsom verbeuren van € 1.000,- per gebeurtenis, met een maximum van € 10.000,- aan in totaal te verbeuren dwangsommen, indien en voor zover zij zich niet houden aan voorgaande veroordelingen; wijst af het meer of anders gevorderde; veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellanten] op € 275,39 aan dagvaardingskosten, op € 320,- aan griffierecht en op € 1.430,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 275,38 aan dagvaardingskosten, op € 349,- aan griffierecht, € 178,- aan nakosten en op € 2.428,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [geïntimeerden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,- en de kosten van betekening; verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, Z.D. van Heesen-Laclé en S.M. Peek en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 april
  29. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.