Aan den Hoogen Raad der Nederlanden, te ’s-Gravenhage. Geven eerbiedig te kennen: 1°. [verzoeker 1] , 2°. [verzoeker 2] , respectievelijk wonende te [woonplaats] en [woonplaats] , schuldeischers in het faillissement van de firma [A] te [vestigingsplaats], ten deze domicilie kiezende te Leiden aan het Rapenburg no 36 ten kantore van de advocaten bij den Hoogen Raad der Nederlanden Mrs. P. E. Briët, F.D.L. Gunning en N.G. Geelkerken, van wie Mr P.E. Briët ten deze door verzoekers tot advocaat wordt gesteld en als zoodanig voor hen zal occupeeren, kiezende verzoekers mede domicilie te ’s-Gravenhage ter Griffie van de Arrondissements-Rechtbank, het gestelde domicilie van laatstgenoemden Advocaat; dat verzoekers zich tot den Edelachtbaren Heer Mr. H.W.A. Schipperijn, lid der Arrondissements-Rechtbank te Leeuwarden, Rechter-Commissaris in voornoemd faillissement, hebben gewend, met verzoek de beschikking van den curator in voornoemd faillissement over twee tot den faillieten boedel behoorende wagens nietig te verklaren; dat de Edelachtbare Heer Rechter-Commissaris voornoemd het gedane verzoek van de hand heeft gewezen; bij ten deze overgelegde beschikking van den 28sten November 1942; dat op het door verzoekers ingesteld hooger beroep de Arrondissements-Rechtbank te Leeuwarden bij beschikking van 16 December 1942, welke hierbij wordt overgelegd, de beschikking van den Edelachtbaren Heer Rechter-Commissaris, waarvan appèl, heeft vernietigd, en verzoekers niet ontvankelijk in hun verzoek heeft verklaard; dat verzoekers tegen deze beschikking beroep in cassatie wenschen in te stellen, en daartoe de volgende middelen stellen: I. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 64, 67, 68, 69 Faillissementswet, 332, 333, 345, 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. A, doordien de Rechtbank verzoekers niet ontvankelijk heeft verklaard in hun verzoek op grond, dat toch artikel 69 van de Faillissementswet slechts toelaat het uitlokken van een bevel tot het verrichten van een bepaalde handeling, of het nalaten van een voorgenomen handeling, doch de nietigverklaring van een handeling daar niet wordt genoemd. Ten onrechte evenwel: Het standpunt van de Rechtbank, ware dit juist, - quod non-, zou tengevolge hebben, dat iedere curator, wanneer hij maar zoo verstandig ware een bepaald voornemen vlug ten uitvoer te brengen, tot op zekere hoogte kon doen en laten wat hij wilde. Geen enkele handeling, eenmaal verricht, zou dan meer door artikel 69 Faillissementswet kunnen worden achterhaald. Dit standpunt is kennelijk onjuist en ook in strijd met vaststaande jurisprudentie van Uwen Raad, zie H.R. 31 December 1925, N.J. 1926 blz. 316 en H.R. 3 October 1935, N.J. 1936 no. 96; De eerste geciteerde beslissing vermeldt uitdrukkelijk: "dat toch het vermelde artikel gegeven is om de schuldeischers invloed toe te kennen op het beheer over den faillieten boedel en om, zoo zij meenen, dat bij dat beheer door doen of laten fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen". Voorts wordt deze beslissing gehandhaafd in het daarop geciteerde arrest, waar de letterlijke overname van de bedoelde passage te lezen is. Bovendien is het standpunt der Rechtbank kennelijk te beperkt, gezien de duidelijke bewoordingen van artikel 69 Faillissementswet, waar staat, dat een schuldeischer tegen elke handeling van den curator bij den Rechter-Commissaris kan opkomen, of (in de tweede plaats) van dezen een bevel uitlokken, dat de curator een bepaalde handeling verrichte, of een voorgenomen handeling nalate. Bovenstaand betoog wordt voorts gestaafd door de Memorie van Toelichting op artikel 69 Faillissementswet, die vermeldt: “Dit laatste artikel zal een groote verbetering aanbrengen en tevens ongetwijfeld, zooal geen afdoenden, dan toch een voldoen den waarborg voor een richtig beheer en behoorlijke behartiging aller belangen in het leven roepen. Het stelt den curator onder de voortdurende controle van hen in wier belang hij is aangesteld. Men kan toch met recht van het uitoefenen van controle spreken, waar aan belanghebbenden de middelen ge geven zijn om eventueele bezwaren kenbaar te maken, en voor hen de zekerheid bestaat dat zij gehoord zullen worden. In de ruimste mate nu geeft artikel 69 den schuldeischers en den gefailleerde de middelen zich te doen gelden en voor hunne belangen op te treden. Niet alleen kunnen zij bestrijden wat verricht is, aandringen op het geen huns inziens ten onrechte is nagelaten, maar ook zich verzetten tegen een voorgenomen handeling. Men mag aannemen, dat de grief thans zoo dikwijls geuit, dat de schuldeischers te weinig invloed kunnen uit oefenen op den gang van zaken, door dit artikel grootendeels weggenomen zal worden". Een noot verwijst op bladzijde 9, deel II van de "Geschiedenis van de Wet op het Faillissement en de Surséance van Betaling" door Mr. G. W. Baron van der Feltz naar de analoge voorschriften van artikel 466 Code de Commerce de franc.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.