No.
- DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN, Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen aldaar van 3 April 1944 betreffende zijn aanslag in de inkomstenbelasting over 1941; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, na vruchtelooze reclame bij den Inspecteur, zich heeft gewend tot den Raad van Beroep; dat, naar ten processe vaststaat, het zuiver inkomen van f.
- 38, waarnaar belanghebbende, overeenkomstig zijn aangifte, is aangeslagen, als volgt was samengesteld: salaris f. 4035.88, te verminderen met f.47 .-- aan kosten van verwerving, belooning als examinator f.30 .-- , aftrek wegens rente van schulden f. 26.50; dat, naar belanghebbende voor den Raad heeft aangevoerd, de bedoelde aanslag hem ten onrechte, immers in strijd met artikel 54, eerste lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 is opgelegd; dat toch zijn zuiver inkomen niet meer dan f.
- -- heeft bedragen, terwijl het bedrag der aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten is geweest f.4035.88 minus f.
- -- , alzoo minder dan de f.
- - die artikel 54, eerste lid, als grens stelt, terwijl ten slotte eveneens voldaan is aan den eisch van dat voorschrift met betrekking tot de andere bestanddeelen van het zuiver inkomen; dat de Inspecteur daartegenover de stelling heeft verdedigd, dat in het bedoelde wetsvoorschrift met "aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten" bedoeld is het onzuiver bedrag dier inkomsten, waarover de loonbelasting is berekend en ingehouden (in het onderwerpelijke geval dus het bedrag van f.4035.88) en niet het zuiver bedrag daarvan (in het onderwerpelijke geval f.3988.88) en ter zitting van den Raad van Beroep ter staving daarvan nog heeft aangevoerd, dat in den Duitschen tekst van het Besluit op de Inkomstenbelasting in artikel 54, lid 1, wordt gesproken van "lohnsteuer- pflichtigen Einnahmen", uitdrukking, welke in artikel 13 ter aanduiding van de onzuivere inkomsten uit dienstbetrekking wordt gebezigd; dat de Raad van Beroep de bestreden beschikking heeft gehandhaafd, uit overweging, dat het genoemde bedrag van f.4035,88 inderdaad vormde de aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten, nu geen aftrek op den voet der artikelen 13 en 14 van het Besluit op de Loonbelasting 1940 heeft plaatsgevonden; Overwegende dat belanghebbende als middelen van cassatie aanvoert :
- Schending of verkeerde toepassing van artikel 54 van het Besluit Inkomstenbelasting 1941 en artikel 13 van het Besluit op de Loonbelasting 1940, doordat de Raad beslist heeft dat aan een der voorwaarden van artikel 54, lid 1, niet is voldaan, daar hij aanneemt dat het inkomen uit dienstbetrekking over 1941, bruto bedragen hebbende f. 40.035.88 en netto f.3.988.88, voor het bruto bedrag aan loonbelasting is onderworpen geweest, wordende hiermede tevens artikel 13 van het Besluit op de Loonbelasting 1940 geschonden, daar dit uitdrukkelijk rekening houdt met een aftrek voor verwervingskosten enzoo dus in principe het nettolooninkomen aan loonbelasting onderwerpt; II. Schending of verkeerde toepassing van artikel 16 der wet van 19 December 1914 (Staatsblad no. 564) omdat de Raad zijn beslissing niet voldoende met redenen omkleed heeft door alleen maar vast te stellen dat uit de loonbelastingkaart blijkt dat f.4.035.88 aan loon is genoten en daarop geenerlei aftrek is toegestaan zijnde de Raad met deze beslissing geheel aan de grief voorbijgegaan en hebbende hij geen uitspraak gedaan in het eigenlijke geschil; III. Schending of verkeerde toepassing van artikel 16 der Wet van 19 December 1914 (Staatsblad no. 564) , omdat belanghebbende ernstig in zijn verweer voor den Raad van Beroep geschaad is doordat de Inspecteur eerst bij de mondelinge behandeling ter zitting van den Raad van Beroep argumenten heeft aangevoerd ontleend aan een vertaling van de in het Besluit Inkomstenbelasting 1941 opgenomen bepaling; Overwegende dienaangaande: dat het tweede middel faalt, wijl de Raad van Beroep niet was gehouden zijn beslissing inzake de beteekenis van artikel 54, eerste lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, als zijnde van rechtskundigen aard, nader te motiveeren; dat ook het derde middel niet tot cassatie kan leiden, omdat een verweer van, gelijk in het onderhavige geval, rechtskundigen aard in elken stand van het geding kan worden aangevoerd; dat - wat betreft het eerste middel - onder aan "inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten" valt alle loon, bij de uitbetaling waarvan inhouding van loonbelasting plaats vindt; dat daartegenover geen beroep kan worden gedaan op artikel 13, eerste lid, van het Besluit op de Loonbelasting 1940; dat uit dit voorschrift slechts blijkt, dat bij de opstelling van het tarief van de loonbelasting tot een bedrag van honderd gulden is in aanmerking genomen, dat uit het loon kosten van verwerving en de voldoening aan persoonlijke verplichtingen moeten worden bestreden; dat dit voorschrift dus juist bewijst, dat de looncijfers in de belastingtabel op het loon zonder aftrek van genoemd bedrag betrekking hennen; dat nu wel aan belanghebbende kan worden toegegeven, dat het dan bevreemd aandoet, dat in artikel 54, eerste lid, wordt vooropgezet het onzuiver inkomen in den zin van het eerste lid van artikel 5, tot de samenstelling waarvan - voorzooveel inkomsten uit dienstbetrekking betreft - alleen de zuivere opbrengst medewerkt, maar dit niet aan de juistheid van het hierboven overwogene kan afdoen, nu artikel 54 vervolgens niet de in artikel 5,eerste lid, gebezigde terminologie gebruikt, doch de uitdrukking "inkomsten", welke zoowel in het derde lid van artikel 5 als in artikel 13 juist het onzuivere voordeel aanduidt; dat het beroep dus niet tot cassatie kan leiden; Verwerpt het beroep. Gedaan bij de Heeren van den Dries, waarnemend-President, Meckmann, Donner, Sinninghe Damsté en Hijink, Raden, en door voornoemden waarnemend-President uitgesproken ter Raadkamer van den Negenden Januari 1900 Zes en Veertig, in tegenwoordigheid van den Griffier Somer.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.