DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN, in de zaak (No.7967) van: [eischer] , wonende te [woonplaats], eischer tot cassatie van een op 28 Maart 1944 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch tusschen partijen "gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. F. M. Westerouen van Meeteren, advocaat bij den Hoogen Raad, tegen: [verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. R. H. van Schaik mede advocaat bij den Hoogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord de conclusie van den Procureur-Generaal, strekken tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing der zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, teneinde, met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest, verder te worden behandeld en beslist, en tot veroordeeling van den verweerder in de kosten aan zijde van eischer tot cassatie gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: "dat [eischer] bij inleidende dagvaarding [verweerder] heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te 's-Hertogenbosch o.m. stellende: "dat hij in 1928 van [betrokkene 1] een strook weiland heeft gekocht voor f. 2500, welken prijs hij aan den verkooper heeft voldaan, en dit perceel bij de ondershandsche koopakte terstond op naam van zijn dochter [betrokkene 2] heeft doen stellen; dat hij vervolgens in 1929 op dit perceel een woonhuis met stalling heeft doen bouwen en daarvoor heeft betaald f .5070; dat hij ten slotte in 1929 en 1931 op datzelfde perceel kippenkooien heeft doen bouwen waarvan de kosten ad f.288 en f.143 eveneens door hem zijn betaald; dat derhalve het door [eischer] betaalde bedrag in totaal f. 8001 .- beliep, waarvan een bedrag van f.4000 werd gefinancierd door middel van een hypotheek, welke ten laste van [betrokkene 2] voornoemd op het onroerend goed werd gevestigd; dat vervolgens [betrokkene 2] in 1936 in gemeenschap van goederen is gehuwd met [verweerder]; dat hij, [eischer], geboren in 1864, op hoogen leeftijd is gekomen en niet meer in staat is door arbeid in zijn onderhoud te voorzien, terwijl hij ook geen inkomen en bezittingen heeft, zoodat hij in armoede is vervallen; dat zijn raadsman en hijzelf aan [verweerder] een bijdrage in het levensonderhoud van hem, [eischer], hebben gevorderd ten bedrage van f.2.50 per week, hetgeen [verweerder] echter heeft geweigerd; " dat [eischer] op deze gronden heeft gevorderd - voorzooveel hier van belang - dat bij vonnis zal worden verklaard, dat de gestelde schenkingen zijn herroepen en [verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van f.4001 met rente en kosten; dat de Rechtbank bij vonnis van 19 Maart 1943 [eischer] in zijn vordering niet ontvankelijk heeft verklaard op grond dat uit de eigen stellingen van [eischer] volgde dat de toestand van armoede voor de toepassing van artikel 1725 sub 3 van het Burgerlijk Wetboek vereischt, niet aanwezig was; dat het Hof bij het bestreden, op het beroep van [eischer], gewezen arrest het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd na o.m. te hebben overwogen: "dat het Hof de in de opgeworpen grief aan de orde gestelde vraag, of iemand ingevolge artikel 1725 sub 3 van het Burgerlijk Wetboek al dan niet een schenking kan herroepen, zoolang de mogelijkheid nog openstaat dat hij zich krachtens artikel 376 van het Burgerlijk Wetboek onderhoud verschaft, niet behoeft te beantwoorden, omdat, wat daarvan ook zij, [eischer] op anderen grond in zijn vordering toch niet kan worden ontvangen, zoodat hij bij dit hooger beroep geen belang heeft; dat immers in artikel 1725 van het Burgerlijk Wetboek, hetwelk bepaalt dat een schenking kan worden herroepen onder meer indien de begiftigde weigert aan den schenker, nadat deze in armoede is vervallen, levensonderhoud te verschaffen, met "schenking" is bedoeld de schenking, omschreven in artikel 1703 van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen de overeenkomst, waarbij de schenker, bij zijn leven, om niet en onherroepelijk eenig goed afstaat ten behoeve van den begiftigde, die hetzelve aanneemt; dat derhalve artikel 1725 van het Burgerlijk Wetboek niet geldt voor bevoordeelingen om niet, welke aan de zooeven aangehaalde definitie niet beantwoorden; dat [eischer], na vooropgesteld te hebben dat de door hem aan zijn dochter verstrekte bevoordeelingen inderdaad aan de omschrijving van artikel 1703 Burgerlijk Wetboek voldoen, heeft beweerd, dat artikel 1725 Burgerlijk Wetboek ook op de schenking in ruimen zin toepasselijk is, en deze stelling aldus heeft verdedigd, dat artikel 460 van het Burgerlijk Wetboek, bepalend dat aan minderjarigen gedane giften door den voogd slechts met verlof van den kantonrechter kunnen worden aangenomen, tot motief heeft, dat giften tot moreele verplichtingen aanleiding geven; dat dit motief ook geldt voor schenkingen in ruimen zin, en het derhalve billijk is dat ook zulk een schenking kan worden herroepen, indien de moreele plicht tot het verschaffen van levensonderhoud door den begiftigde niet wordt nagekomen; dat echter, al heeft de overweging, dat giften tot moreele verplichtingen aanleiding geven, den wetgever doen voorschrijven, dat voor het aannemen daarvan namens minderjarigen rechterlijk verlof noodig is, daaruit nog niet volgt, dat iedere bevoordeeling om niet den moreelen plicht tot het verschaffen van levensonderhoud aan den tot armoede vervallen schenker met zich brengt, noch ook, dat de wetgever heeft gewild, dat bij gebreke van vervulling van dien plicht zoodanige bevoordeeling zou kunnen worden herroepen; dat daarentegen uit de artikelen 1725 en volgende van het Burgerlijk Wetboek valt af te leiden, dat de wetgever daarbij op de schenkingen in ruimen zin niet het oog heeft gehad; dat toch bij zulk een schenking in ruimen zin, welke ook in dier voege zal kunnen plaats hebben, dat iemand (zijdelings) bevoordeeld wordt door eene rechtshandeling, welke tusschen den schenker en een derde plaats grijpt, veelal onzeker zal zijn, waarin die bevoordeeling bestaat, terwijl het duidelijk is, dat in geval van zoodanige zijdelingsche bevoordeeling een herroeping der bevoordeeling niet zonder meer ten gevolge zou kunnen hebben, dat de rechtsverhouding van den schenker tot den derde zou vervallen en de "gift" van den begiftigde zou kunnen worden teruggevorderd; dat dan ook een en ander een nadere wettelijke regeling zou vereischen, welke, hoewel bij [eischer]' interpretatie van artikel 1725 van het Burgerlijk Wetboek voor de hand liggend, noch in dat en de daarop volgende artikelen noch elders in de wet te vinden is; dat evenwel de regeling, die in de evengenoemde bepalinger wèl voorkomt, kennelijk uitsluitend geschreven is voor de schenking, waarbij een goed door den schenker rechtstreeks aan den begiftigde wordt afgestaan; dat immers in de artikelen 1726,1727 en 1728 van het Burgerlijk Wetboek wordt uitgegaan van de veronderstelling, dat òf de geschonken zaak zelve aan den schenker kan worden teruggegeven, of wel de waarde daarvan indien zij door den begiftigde is vervreemd; dat tenslotte niet wel is aan te nemen, dat de wetgever, na in drie voorafgaande afdeelingen, zoo niet uitsluitend, dan toch in ieder geval voornamelijk de schenking in formeelen zin te hebben behandeld, in de vierde afdeeling een ruimer schenkingsbegrip zou hebben bedoeld zonder dit te vermelden; dat ook de door [eischer] ingeroepen billijkheid niet mag leiden tot aanvaarding van de door hem aan het begrip "schenking" in artikel 1725 Burgerlijk Wetboek gegeven uitbreiding, vooreerst omdat die uitbreiding niet geoorloofd is bij het ontbreken van een nadere regeling, welke dan evenzeer door de billijkheid zou worden gevorderd, en voorts, omdat een zijdelingsche bevoordeeling lang niet altijd door den bevoordeelde zal kunnen worden aangenomen en het ontbreken daarvan afbreuk zal kunnen doen aan de verplichting om den tot armoede vervallen schenker levensonderhoud te verschaffen; dat derhalve, wil het beroep van [eischer] op artikel 1725 van het Burgerlijk Wetboek gerechtvaardigd zijn, in ieder geval vereischt is, dat de door hem gestelde bevoordeelingen schenkingen zijn in den zin van artikel 1703 van het Burgerlijk Wetboek, hetgeen in casu - waar vaststaat dat zij niet bij notarieele acte werden gedaan - beteekent, dat zij moeten kunnen worden beschouwd als giften van hand tot hand van roerende lichamelijke voorwerpen of van schuldvorderingen aan toonder; dat vervolgens het Hof nog overweegt dat de hierbedoelde bevoordeelingen niet kunnen worden aangemerkt als giften van hand tot hand; Overwegende dat tegen deze beslissing wordt opgekomen met het navolgende middel van cassatie: Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 168 der Grondwet, 20 der Wet van 18 April 1827 (Stbl.no.20) op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 48 en 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 11 en 14 der Wet van 15 Mei 1829 (Stbl.No.28) houdende Algemeene Bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, 179,238, 239,376,377,384,460, 656, 658, 659, 667, 668, 671, 960, 964, 966, 967, 968, 969, 970, 971, 972, 1132, 1138, 1269, 1270, 1349, 1350, 1351, 1353, 1355, 1356, 1374, 1375 , 1376, 1377 , 1388, 1389, 1390, 1395, 1397, 1417, 1418,1703, 1704, 1713, 1714, 1715, 1719, 1720, 1721, 1722, 1723 , 1724, 1725,1727,1728,1729 van het Burgerlijk Wetboek, 44,45 en 46 der Faillissementswet, -------------------------------------------- doordien het Hof heeft overwogen en beslist, gelijk hierboven is weergegeven, een en ander ten onrechte;
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.