← Nederland

ECLI:NL:HR:1949:107

No.

  1. Herziening. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, beschikkende in raadkamer, op de aanvrage van [aanvrager], koopman, geboren [geboortedatum] 1883 te [geboorteplaats] en wonende aldaar, om herziening van een uitspraak van het Tribunaal te Amsterdam van den twintigsten December 1947 - Waarop het "fiat executie" is verleend door de Hoge Autoriteit te Amsterdam den 24sten Februari 1948 - , waarbij hij er aan schuldig verklaard is, "dat hij, Nederlander zijnde, tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa vertrouwelijk omgang heeft gehad met een Duitse officier, genaamd [betrokkene 1] , die behoorde tot de militaire bezettende macht; op welke grond hij geacht moet worden zich desbewust te hebben gedragen in strijd met de belangen van het Nederlandse volk", voorts dit verklaard is te vallen onder artikel 1 van het Tribunaalbesluit en hem ter zake zijn opgelegd de maatregelen:
  2. internering, waarbij in overweging gegeven wordt de tijdsduur daarvan te beperken tot den door hem vanaf 22 Juni - 13 Aug. 45 in vóór-internering doorgebrachten tijd;
  3. ontzetting van het recht van kiezen en verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen;
  4. verbeurdverklaring van al zijn van Overheidswege inbeslaggenomen goederen; met bepaling voorzoveel nodig dat het beheer van zijn vermogen een einde zal nemen binnen 3 maanden nadat de verbeurdverklaring zal zijn geeffectueerd en op deze uitspraak het "fiat executie" is verleend; Gezien de conclusie van den Advocaat-Generaal Langemeijer, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek; Gezien de stukken; Overwegende dat de aanvrage tot herziening van voor melde uitspraak ten aanzien van de daarin als bewijsmiddel gebezigde verklaringen van drie getuigen omstandigheden aanvoert, welke volgens zijn opgave niet ter kennis van het Tribunaal gebracht waren en ernstig vermoeden doen ontstaan dat, waren zij op de terechtzitting bekend geweest, het onderzoek geleid zou hebben tot verzoekers vrijspraak; dat die aanvrage ervan uitgaat, dat ons recht herziening van uitspraken van Tribunalen kent; dat echter de wetgever noch in het die uitspraken regelend Tribunaalbesluit (E 101) noch in de tijdelijke wijziging van dit besluit ( E 153) dat rechtsmiddel tegen die uitspraken geschapen heeft en zulks desbewust moet hebben nagelaten, nu hij korten tijd tevoren van de uitspraken van de Bijzondere Gerechtshoven en van den Bijzonderen Raad van Cassatie herziening in artikel 1 van het Besluit Buitengewone Rechtspleging (D 63) uitdrukkelijk ingevoerd en in de artikelen 40-42 nader geregeld had, en hij voorts, in E 101 en E 153 telkens bepaaldelijk aanwijzend, welke artikelen van het Wetboek van Strafvordering van toepassing of van overeenkomstige toepassing zouden zijn, daaronder artikelen van den de herziening regelenden Titel VIII van het Derde Boek van dat Wetboek niet heeft opgenomen; dat de Wet overgang bijzondere rechtspleging (Wet van 13 Mei 1948,Staatsblad I 186), die onder meer de herziening van laatstbedoelde uitspraken aan gewijzigde regelen onderwierp, desbewust de herziening van eerstbedoelde uitspraken heeft doen blijven ontbreken; dat toch bij de totstandkoming dezer wet, in het mondeling overleg tussen de vaste Commissie voor Privaat- en Strafrecht uit de Tweede Kamer en den Minister van Justitie, door de Commissie aan den Minister verzocht werd te overwegen "of de mogelijkheid van herziening behoort te worden ingevoerd", doch, toen de Minister verklaarde "invoering van het instituut der herziening niet nodig te achten " , door haar werd ingezien dat invoering "een vrij uitvoerige regeling nodig zou maken, welke niet gemakkelijk in dit wetsontwerp zou kunnen worden opgenomen", waarna de Minister op een overeenkomstige vraag in het Voorlopig Verslag der Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer wederom afwijzend antwoordde, mededelend dat volgens het eenstemmig advies van de Hoge Autoriteiten "in de practijk van de behoefte aan herziening van tribunaaluitspraken haar niet in enig geval is gebleken. Wel bestaat de behoefte aan vermindering van de opgelegde maatregelen", waarin evenwel door een drietal regelingen was en, bij dit wetsontwerp, nog" werd voorzien; dat, nu derhalve ons recht de herziening van uitspraken Van Tribunalen niet kent, een recht tot het aanvragen ener zodanige herziening niet bestaat; Verklaart verzoeker in zijn aanvrage niet-ontvankelijk Gedaan en gewezen den achttienden October 1900 Negen en Veertig bij de Heren Fick, Vice-President, van der Meulen, Rombach, Vrij en van Berckel, Raden, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Reijers.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.