← Nederland

ECLI:NL:HR:1953:75

no. 791 22 December

  1. H. No.
  2. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN. Op het beroep van den Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Leeuwarden, requirant van cassatie tegen een arrest van genoemd Gerechtshof van den 21sten Mei 1953, houdende, in hoger beroep, bevestiging van een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Assen van den 23sten Mei 1952, waarbij [gerequireerde], geboren te [geboorteplaats] , [geboortedatum] 1908, van beroep landarbeider, van het hem telaste gelegde werd vrijgesproken; Gehoord het verslag van den Raadsheer Westerouen van Meeteren; Gezien het gerechtelijk schrijven namens den Procureur-Generaal aan den gerequireerde uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij schriftuur, en luidende : "Schending althans verkeerde toepassing van artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht en van de artikelen 350, 351, 352, 415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, doordien het Hof in zijn arrest een onjuiste uitlegging heeft gegeven van het begrip "onttrokken zijn"", zoals dat in de telastlegging en in artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht voorkomt en daardoor verkeerdelijk tot een "vrijspraak" is gekomen instede van verdachte te veroordelen"; Gehoord den Advocaat-Generaal Langemeijer namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie, daartoe strekkende, dat de Hoge Raad het arrest waarvan beroep vernietige en de zaak verwijze naar een aangrenzend Hof teneinde haar op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen; Overwegende dat bij inleidende dagvaarding aan gerequireerde is telaste gelegd: "dat hij in de periode van de maanden Januari - April 1952 in het Arrondissement Assen en verder in Nederland, opzettelijk de minderjarige [minderjarige] , geboren [geboortedatum] 1951 in de gemeente [geboorteplaats] , die onttrokken was aan het wettig over hem, minderjarige, gesteld gezag, n.l. de voogd over deze minderjarige […] , burgemeester der gemeente [geboorteplaats] , aan de nasporing van de ambtenaren van de Justitie en de politie heeft onttrokken, immers heeft hij meermalen, althans eenmaal aan ambtenaren van de justitie en/of de politie geweigerd de verblijfplaats van deze minderjarige te zeggen, geweigerd mede te delen aan welke persoon of personen deze minderjarige kort na zijn geboorte was overgegeven en geweigerd enige inlichting te geven, welke zou kunnen leiden tot opsporing van de verblijfplaats van deze minderjarige"; dat bij het door het bestreden arrest bevestigde vonnis gerequireerde van dit telaste gelegde is vrijgesproken; dat bij de aangevallen uitspraak is overwogen: "dat het Hof verstaat, dat de woorden: "' die onttrokken"" (was aan het wettig over hem gestelde gezag) in de te laste legging dezelfde betekenis hebben als die, waarin die woorden "" die onttrokken"" ( is aan het wettig over hem gestelde gezag) in artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht worden gebezigd; dat tussen de artikelen 279 en 280 van het Wetboek van Strafrecht samenhang bestaat in die zin, dat eerstgenoemde bepaling strafbaar stelt het opzettelijk een minderjarige aan het wettig over hem gestelde gezag onttrekken en laatstgemelde bepaling onder meer strafbaar stelt de daargenoemde opzettelijk gepleegde handelingen ten opzichte van een minderjarige, die onttrokken is aan het wettig over hem gestelde gezag en deze samenhang het Hof noopt tot de gevolgtrekking, dat artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht slechts kan worden toegepast in geval de onttrekking ( aan het wettig gezag) in de betekenis, waarin dat begrip in artikel 279 van dat Wetboek voorkomt, door wie dan ook, vroeger had plaats gevonden; dat van een onttrekken van een minderjarige aan het wettig over hem gestelde gezag in de ziņ van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht slechts gesproken kan worden, Wanneer dat gezag de minderjarige in zijn macht of feitelijke heerschappij had en die macht of die heerschappij door enige handeling wordt verbroken; dat niet wettig en overtuigend is bewezen, dat zodanige onttrekking ten aanzien van de in dit geding bedoelde minderjarige heeft plaatsgevonden en in het bijzonder niet, dat de op 21 December 1951 benoemde, in de te laste legging genoemde voogd de minderjarige in zijn macht of feitelijke heerschappij had"; Overwegende dat, vermits het beroep in cassatie gericht is tegen een vrijspraak, vooreerst de ontvankelijkheid der voorziening onderzoek vereist; dat te dien einde moet worden nagegaan, of het Hof aan de in de telaste legging voorkomende, op den minderjarige [minderjarige] betrekking hebbende, woorden "die onttrokken was aan het wettig over hem gesteld gezag" - welke woorden geacht moeten worden aldaar te zijn gebezigd in denzelfden zin, welke in artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht toekomt aan den term "een minderjarige die onttrokken is aan het wettig over hem gesteld gezag" - een met een juiste uitlegging van genoemd artikel strijdige betekenis heeft toegekend; dat met den voormelden, in artikel 280 voorkomenden, term gedoeld wordt op een minderjarige, die in den toestand verkeert van te zijn onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag, welke toestand intreedt wanneer onttrekking van den minderjarige aan dat gezag in den zin van artikel 279 van meergenoemd wetboek heeft plaats gehad; dat het Hof blijkens de boven weergegeven overwegingen van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat van zodanig onttrekken slechts gesproken kan worden, Wanneer het meerbedoelde wettig gezag den minderjarige in zijn macht of feitelijke heerschappij had en die macht of die heerschappij door enige handeling wordt verbroken, doch deze opvatting geen steun vindt in den tekst van artikel 279, welke van een beperking, gelijk de door het Hof voorgestane, niet gewaagt, terwijl daarin "gezag" een toestand aanduidt die rechtens bestaat en "gesteld" geenszins uitdrukt dat ook reeds feitelijke heerschappij uitgeoefend zou moeten zijn; dat die opvatting evenmin kan worden aangemerkt als strokende met doel en strekking van genoemd voorschrift, welke veeleer medebrengen dat onder gemeld "aan/wettig gesteld gezag onttrekken" elk doen verkeren van den minderjarige buiten dat gezag behoort te vallen; dat het bovenstaande tot de gevolgtrekking noopt, dat het Hof anders dan op den grondslag der telastelegging heeft beraadslaagd en beslist, weshalve de gegeven vrijspraak niet is een zodanige, als waarop artikel 430 van het Wetboek van Strafvordering het oog heeft en requirant in zijn beroep ontvankelijk is; Overwegende ten aanzien van het middel: dat de gegrondheid van de daarin begrepen klacht, dat het Hof anders dan op den grondslag der telastelegging heeft beslist, uit het vorenoverwogene volgt, zodat het bestreden arrest niet kan worden gehandhaafd; Vernietigt dat arrest; Rechtdoende krachtens artikel 106 der Wet op de Rechterlijke Organisatie: Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heren Fick, Vice-President, Feber, Vrij, Westerouen van Meeteren en Haga, Raden, in bijzijn van den Griffier van Oordt, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den twee en twintigsten December 1900 drie en vijftig in tegenwoordigheid van de genoemde Heren, alsmede van den Advocaat-Generaal Loeff, met uitzondering echter van den Raadsheer Feber, die verhinderd was geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn en dit arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.