← Nederland

ECLI:NL:HR:1955:AY2400

2 Februari

  1. F. No.
  2. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, Gezien het beroepschrift in cassatie van [X], weduwe van [A], wonende te [Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen I aldaar van 29 Juli 1954 betreffende den aan nu wijlen [A] opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1950; Gezien de stukken; Overwegende dat voormelde aanslag werd opgelegd naar een zuiver inkomen van f. 17.153, -; dat na het overlijden Van [A] belanghebbende als erfgename tegen dien aanslag bezwaar heeft gemaakt bij den Inspecteur; dat deze haar in dat bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, doch ambtshalve den aanslag nader heeft geregeld naar een zuiver inkomen van f. 15.915, -; Overwegende dat belanghebbende van 's Inspecteurs beschikking in beroep is gekomen en de Raad van Beroep, na vernietiging van die beschikking, vooreerst op gronden, die thans niet ter zake doen, belanghebbende alsnog ontvankelijk heeft verklaard in haar bij den Inspecteur gemaakt bezwaar, en voorts den aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een zuiver inkomen van f.15.915,-, na met betrekking tot het geding ten gronde te hebben overwogen: "dat de Inspecteur het aangegeven inkomen ad f. 13.522, - in zijn ambtshalve gegeven beschikking heeft verhoogd met: loon van werkster, ten onrechte ten laste van de winst gebracht, voorzover het betrekking heeft f. 100, -- op het schoonhouden van een woonkamer f. 100,-- toegevoegd aan de winst op grond van art. 4 lid 2 van de Wet Belastingherziening 1950 de onbelaste reserve, bedoeld in art. 3 van genoemde wet f. 2.293,-- f. 2.393,-- dat appellante ter zitting van de Raad heeft verklaard, dat zij zich kan verenigen met de bijtelling van bovengenoemde f. 100, -, terwijl ook omtrent het bedrag van f.
  3. 293, - geen verschil van mening bestaat; dat appellante evenwel van mening is, dat deze laatste bijtelling ten onrechte heeft plaats gevonden, terwijl de Inspecteur van mening is, dat tot het zuiver bedrijfsvermogen, verminderd met de toelaatbare reserves bij het einde van het boekjaar 1950, niet behoort een bedrag van f. 5.000, -, dat door wijlen de vader van appellante in de loop van het jaar 1950 in enige termijnen bij wijze van korte kasgeldlening privé aan het bedrijfsvermogen was onttrokken; dat, wanneer genoemd bedrag van f.5.000, - bij de berekening van het bedrijfsvermogen, verminderd met de toelaatbare reserves bij het einde van het boekjaar 1950 buiten beschouwing wordt gelaten, dit bedrijfsvermogen, vergeleken met het bedrijfsvermogen, verminderd met de toelaatbare reserves bij het begin van het boekjaar 1950, een vermindering heeft ondergaan van f. 2.293, -, zodat tot dat bedrag een toevoeging aan de winst uit de onbelaste reserve dient plaats te vinden; dat appellante hiertegenover de stelling heeft verdedigd, dat door een tijdelijke kasgeldlening het bedrijfskapitaal niet vermindert, terwijl zij voorts heeft verzocht de omschrijving in de balans per 31 December 1950 "tijdelijke kasgeldlening" te mogen wijzigen in "vooruitbetaalde aankoop vrachtwagen", daar deze omschrijving beter de werkelijkheid zou weergeven; dat, wat de primaire stelling van appellante betreft , aan appellante kan worden toegegeven, dat een korte kasgeldlening van een bedrijf aan de ondernemer voor privé doeleinden niet onder alle omstandigheden behoeft mede te brengen, dat daardoor het bedrijfsvermogen afneemt, doch dat dit appellante niet kan baten, daar er in het onderhavige geval geen sprake is van een al dan niet tijdelijke kasgeldlening; dat men immers slechts van een lening kan spreken, indien een bepaald geldsbedrag door de ene persoon (of rechtspersoon of daarmede gelijk te stellen afgescheiden vermogen) tijdelijk ter beschikking wordt gesteld van een andere persoon (resp. rechtspersoon of daarmede gelijk te stellen afgescheiden vermogen) ; dat van een dergelijke lening in het onderhavige geval geen sprake is, omdat het bedrijf van wijlen de vader (bedoeld is echtgenoot) van appellante niet werd uitgeoefend in de vorm van een naamloze vennootschap of andere rechtspersoon of in de vorm van een vennootschap onder firma of andere vorm van een afgescheiden vermogen, doch in de vorm van een eenmanszaak; dat bij een eenmanszaak wel boekhoudkundig en bij de hantering van fiscaalrechtelijke begrippen een onderscheid kan worden gemaakt tussen zaakvermogen en privé-vermogen, doch dat het te dezen gaat om de civielrechtelijke vraag, of hier van een "geldlening" kan worden gesproken; dat de Raad deze vraag ontkennend beantwoordt, omdat civiel-rechtelijk geen onderscheid kan worden gemaakt tussen het bedrijfsvermogen van een eenmanszaak en het privé-vermogen, en een geldlening van een dergelijk bedrijfsvermogen aan het privé-vermogen derhalve een - ondenkbare - geldlening aan zichzelf zou zijn; dat ook het subsidiaire verzoek van appellante niet voor toewijzing vatbaar is; dat appellante immers allerminst aan de Raad aannemelijk heeft gemaakt, dat het aan het bedrijfsvermogen onttrokken kasgeld gebruikt is als vooruitbetaling voor de aankoop van een vrachtauto; dat het immers, naar de Raad uit eigen wetenschap bekend is, in de autohandel ongebruikelijk is om een handgeld te bedingen, zoals wel bij de aankoop van onroerend goed geschiedt, terwijl appellante ook niet, zoals zij door het overleggen van een brief van de autohandelaar of een kwitantie had kunnen aantonen, aannemelijk heeft gemaakt, dat in afwijking van dit gebruik in het onderhavige geval een deel van de koopprijs vooruitbetaald moest worden om later de bestelde vrachtauto toegewezen te kunnen krijgen; dat in de tweede plaats door appellante ter zitting van de Raad niet betwist is, dat, wat er zij van een voornemen om een vrachtauto voor bedrijfsdoeleinden aan te schaffen, deze aankoop geen doorgang heeft gevonden; dat in de derde plaats de omschrijving "vooruitbetaalde aankoop vrachtwagen" (hetgeen impliceert: vooruitbetaald aan de autohandelaar) onverenigbaar is met de primaire stelling van appellante, dat het hier betreft een tijdelijke kasgeldlening (hetgeen impliceert: een betaling aan de ondernemer' zelf, in casu aan de vader (echtgenoot) van appellante); dat de Raad dan ook tot de overtuiging is gekomen dat het aan het bedrijfsvermogen onttrokken bedrag van f. 5.000, - niet aan de autohandelaar vooruit is betaald in verband met de aankoop van een vrachtauto, maar in handen is gebleven van wijlen de vader (echtgenoot) van appellante privé; dat de Raad in deze overtuiging nog versterkt wordt door het feit, dat appellante niet heeft betwist, dat het bedrag van f. 5.000, - als volgt is samengesteld: door de vader (echtgenoot) van appellante ontvangen bij verkoop van een deel van een bedrijfsauto, doch niet in de zaakkas gestort f. 3.500,- opgenomen voor aflossing op een privé hypotheek f. 500,-- geleend voor aankoop van een bedrijfsauto f. 900,-- gedebiteerd in verband met het voornemen om t.z.t. f.5000, - in de zaakkas te storten f. 100,-- f. 5.000,-- dat de omschrijving van de posten van f. 3.500,-, f. 500, - en f. 100, - duidelijk wijst op een bestemming voor doeleinden vreemd aan het bedrijf, terwijl, wat de omschrijving "geleend voor aankoop van een bedrijfsauto" betreft bij de post van f. 900,-, appellante de Raad niet duidelijk heeft kunnen maken, waarom een zo onnodig ingewikkelde transactie vereist was, als deze omschrijving wil suggereren: eerst onttrekking aan het bedrijfsvermogen ten behoeve van het privévermogen, om privé in staat te zijn een vrachtauto ten dienste van het bedrijf te kopen, die dus na aankoop weer in het bedrijf zou moeten worden ingebracht; " Overwegende dat belanghebbende in cassatie tegen de uitspraak enige grieven heeft te berde gebracht, 1o. De Raad heeft ten onrechte het bedrag van f. 5000,-, waarvoor [A] per 31 December 1950 op de bedrijfsbalans was gedebiteerd, niet aangemerkt als een op dien datum tot het bedrijfsvermogen behorende vordering. Het betreft hier gelden, die niet voor privé doeleinden aan het bedrijf waren onttrokken, doch bestemd waren om te worden aangewend voor het aankopen van een vrachtauto ten behoeve van het bedrijf. Die gelden berustten tijdelijk onder de privé persoon van den ondernemer; zij maakten weliswaar geen deel uit van de bedrijfskas, doch het bedrijf had tot hun bedrag een vordering op [A] in privé; 2o. Of een zaak al dan niet tot het bedrijfsvermogen van een belastingplichtige behoort is afhankelijk van diens wil, zoals deze in zijn boekhouding of anderszins tot uitdrukking komt, en de belastingplichtige is daarbij in zijn beslissing binnen de grenzen der redelijkheid vrij. Uit de debitering van [A] voor een bedrag van f. 5000, - in de boeken van het bedrijf kon zijn wil om dat bedrag tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen blijken. Weliswaar was de aanduiding van den debetpost op de balans per 31 December 1950 als "korte kasgeldlening privé" onjuist, doch deze fout mocht worden hersteld. In het licht der door belanghebbende gestelde feiten moest die aanduiding luiden "contanten onder berusting van privé en bestemd voor aankoop van een vrachtwagen voor het bedrijf", waarmede de bedoeling van [A] om de bewuste gelden onder zijn bedrijfsvermogen te begrijpen beter tot haar recht zou komen; 3o. 's Raads beslissing berust op de overweging, dat het hier een eenmanszaak betrof, en dat de omschrijving van de posten van f. 3500, -, f.500, - en f. 100, - wijst op onttrekkingen voor doeleinden aan het bedrijf vreemd, terwijl voor wat betreft de omschrijving van den post van f. 900, - als "geleend voor aankoop van een bedrijfsauto" belanghebbende den Raad niet duidelijk heeft kunnen maken, waarom een zo onnodig ingewikkelde transactie vereist was als deze omschrijving wil suggereren. Daarbij is echter geen rekening gehouden met de volgende, door belanghebbende uitvoerig aan den Inspecteur medegedeelde, omstandigheden : 1e. het bedrijf werd uitgeoefend door wijlen [A] en daarin was tevens werkzaam als bedrijfsleider één van zijn twee zoons (enige kinderen) . 2e. bedoelde zoon was bij zijn vader in loondienst, genoot tevens een aandeel in de winst, had een aandeel in het bedrijfskapitaal en was bij testament aangewezen als opvolger en eigenaar van het bedrijf. 3e. hoewel geen authentieke of onderhandse acte, behalve voornoemd testament , was opgemaakt , bestond tussen vader en zoon een andere verhouding dan normaliter in een eenmanszaak. 4e. op grond van deze verhouding werd de zoon door de Raad van Arbeid in hoger beroep het recht op kinderbijslag voor zijn kinderen ontzegd, zodat bij deze procedure het bedrijf blijkbaar niet als een eenmanszaak werd aangemerkt. 5e. toen in 1950 de vader reeds ernstig ziek was, werden onderhandelingen gevoerd voor de overgave van het bedrijf aan de zoon per 1 Januari
  4. Door velerlei omstandigheden kreeg deze overdracht eerst einde 1952 zijn beslag. 6e. bij deze onderhandelingen in 1950 werd, gezien het feit dat het bestaande kapitaal toch reeds onvoldoende was om het bedrijf naar behoren te exploiteren, nadrukkelijk overeengekomen, dat het kapitaal als aangegeven op de balans van 1 Januari 1950, niet dan in uiterste noodzaak zou worden verlaagd en e.e.a. met het oog op het feit, dat beiden onbekend waren met de houding welke de tweede zoon, mede-erfgenaam, bij het overlijden van de vader eventueel zou aannemen, in de boeken tot uitdrukking te brengen. Het saldo van de privé-rekening op de balans werd casu quo als liquidum ondersteld. 7e . gevolggevend aan de wil van de vader en de wens van de zoon is de eigenaar daarom gedebiteerd voor f.5.000, - zij het dan op een minder gelukkig gekozen naam der rekening. De ingewikkelde transactie sproot derhalve voort uit de familieomstandigheden en had vermeden kunnen worden, indien de eigenaar als het geld niet tijdelijk, al was het voor doeleinden niet vreemd aan het bedrijf bestemd, onder privé-berusting had gehouden; Overwegende omtrent de eerste grief: dat de Raad van Beroep feitelijk heeft vastgesteld, dat het onderhavige bedrijf niet werd uitgeoefend in enigen rechtsvorm, waarbij een afgescheiden vermogen bestaat, doch in den vorm van een eenmanszaak; dat, gelijk de Raad terecht heeft overwogen, naar burgerlijk recht geen verschil kan worden gemaakt tussen het vermogen van een belastingplichtige, dat hij in zijn bedrijf aanwendt, en zijn overige privé-vermogen; dat dan ook een bedrijfsvordering van [A] op zichzelf in privé rechtens onbestaanbaar is en zijn debitering op de bedrijfsbalans per 31 December 1950 niet een tot het bedrijfsvermogen behorende vordering voorstelt; dat de grief mitsdien faalt; Overwegende met betrekking tot de tweede grief : dat het een belastingplichtige wel vrijstaat binnen de grenzen der redelijkheid te bepalen, dat zeker vermogensbestanddeel tot zijn bedrijfsvermogen behoort, doch die grenzen worden overschreden, indien hij een bedrag aan geld, dat nog niet in de bedrijfskas is ingebracht dan wel daaraan is onttrokken en dat hij onder zich heeft gehouden of genomen, vermengd met zijn overige geldmiddelen, tot zijn bedrijfsvermogen rekent, ook al moge hij het voornemen hebben gehad te zijner tijd uit zijn middelen gelden tot eenzelfde bedrag voor bedrijfsdoeleinden aan te wenden of in de bedrijfskas te storten; dat, voorzover belanghebbende bij haar grief heeft willen stellen, dat [A] het bedrag van f. 5000, -, waar het hier om gaat, ten behoeve van het bedrijf afzonderlijk in contanten heeft bewaard, afgescheiden van zijn overige geldmiddelen, deze stelling, wijl zij bij den raad van Beroep niet is aangevoerd en haar beoordeling een onderzoek van feitelijken aard verlangt, in cassatie niet in beschouwing kan worden genomen; Overwegende met betrekking tot de derde grief: dat uit de stukken, waarvan de Hoge Raad kan kennis nemen, niet blijkt, dat belanghebbende de stellingen, waarop deze grief berust, reeds bij den Raad van Beroep heeft aangevoerd; dat die stellingen, aangezien zij van feitelijken aard zijn, niet met vrucht voor het eerst in cassatie kunnen worden voorgedragen; dat derhalve ook deze grief geen doel treft; Verwerpt het beroep. Gedaan bij de Heren Nypels, vice-President , Dubois, van Rijn van Alkemade, Wiarda en Houwing, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den tweeden Februari 1900 vijf en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Reijers.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.