← Nederland

ECLI:NL:HR:1956:46

19 Juni 1956. T. No. 58135. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, Op het beroep van [requirant], geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1910, van beroep vertegenwoordiger, wonende te [woonplaats], requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van den 22sten Maart 1956, waarbij in hoger beroep met vernietiging van een vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van den 24sten October 1955 de requirant wegens "Medeplichtigheid aan het misdrijf van opzettelijk een minderjarige, die onttrokken is aan het wettig over hem gestelde gezag, verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren der Justitie of Politie onttrekken, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen (immers ten aanzien van twee minderjarigen) gepleegd", onder aanhaling van de artikelen 27, 48, 49, 57 en 280 van het Wetboek van Strafrecht werd veroordeeld tot gevangenisstraf voor den tijd van twee maanden; Gehoord het verslag van den Raadsheer Westerouen van Meeteren; Gezien het gerechtelijk schrijven namens den Procureur- Generaal aan den requirant uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij schriftuur en luidende: "I. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 338 t/m 344, 350, 358, 359, 415, 422 en 423 van het Wetboek Van Strafvordering, doordat het Hof als bewezen aanneemt, dat requirant zich bewust was, althans heeft begrepen of moeten begrijpen, dat hij door zijn handelingen meewerkte aan een met het Nederlands wettig over die kinderen gestelde gezag strijdige overbrenging naar het buitenland van de beide Joods kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], waarop naar hij wist door Joodse instanties aanspraak werd gemaakt tegenover de gezusters […], terwijl 1. de bewezenverklaring niet inhoudt een keuze tussen "bewustzijn", "begrijpen" en "moeten begrijpen"; 2. uit geen wettig bewijsmiddel is af te leiden, dat requirant wist, dat op de beide kinderen tegen over de gezusters […] door Joodse instanties aanspraak werd gemaakt; II. Schending althans verkeerde toepassing der artikelen av 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, 338 t/m 344, 350, 358, 359, 415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof verklaart dat het bewezene oplevert: "Mede-plichtigheid aan het misdrijf van opzettelijk een minderjarige, die onttrokken is aan het wettig over hem gestelde gezag, verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren der justitie of politie onttrekken, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen (immers ten aanzien van twee minderjarigen) gepleegd, voorzien en strafbaar gesteld bij de artikelen 280 jo. 48, 49 en 57 van het Wetboek van Strafrecht", 1. ofschoon de telastelegging omtrent de strafverzwarende omstandigheid van de leeftijd van de beide kinderen niets inhoudt; 2. terwijl het Hof niet nader motiveert waarom hier sprake zou zijn van meermalen plegen; immers er was slechts één huur van een auto, één vervoer; niet gemotiveerd wordt waarom de bewezenverklaarde feiten zouden moeten of kunnen worden beschouwd als op zich zelf staande handelingen of waarom zij meerdere misdrijven zouden opleveren, zoals artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht eist; III. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, 2, 279 en 280 van het Wetboek van Strafrecht, 338 t/m 344, 350, 358, 359, 415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof bewezen heeft verklaard dat requierant op of omstreeks 7 Juni 1948 te [plaats] resp. [plaats] opzettelijk [betrokkene 1] en [betrokkene 2] behulpzaam is geweest bij het plegen van het misdrijf van artikel 280 Wetboek van Strafrecht, zijnde het arrest op dit punt niet naar de eis der wet met redenen omkleed; IV. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, 338 t/m 344, 350, 358, 359, 415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof wettig en overtuigend bewezen heeft geacht requirants medeplichtigheid aan het feit dat op of omstreeks 7 Juni 1948 toen de meisjes [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onttrokken waren aan het over hen gestelde gezag [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hen hebben verborgen en aan de nasporingen van ambtenaren der Justitie en Politie hebben onttrokken, waarbij het Hof voorbijziet, dat requirant niet wist of weten kon, dat deze kinderen aan het (wettig) over hen gestelde gezag waren onttrokken; V. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 338 t/m 344, 350, 358, 359, 415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof de bewezenverklaring ten laste van requirant doet steunen op vermoedens en een redenering die op geen wettig bewijsmiddel gegrond is; VI. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 338 t/m 344, 350, 358, 359, 415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard dat requirant opzettelijk [betrokkene 1] en [betrokkene 2] behulpzaam is geweest bij het op of omstreeks 7 Juni 1948 te [plaats] en [plaats] verbergen en aan de nasporing van ambtenaren der Justitie en Politie onttrekken van de meisjes [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door die kinderen vanuit die twee plaatsen althans vanuit Nederland naar [plaats] te vervoeren of te doen of te laten vervoeren,

  1. a)zijnde het feit van het eventueel verbergen en aan nasporingen onttrekken niet te [plaats] resp. [plaats] gepleegd, maar in België althans bij het overschrijden van de grens van Nederland naar België en in ieder geval niet te [plaats] en [plaats];
  2. b)zijnde uit geen wettig bewijsmiddel af te leiden dat ten tijde als voormeld nasporingen door ambtenaren van Justitie en Politie werden gedaan;
  3. c)zijnde vervoeren niet gelijk te stellen met onttrekken, welk laatste begrip een min of meer duurzame toestand vereist, welke niet is ingetreden door het enkele feit van het wegbrengen en na korte tijd weer terugbrengen naar [plaats], welk laatste feit ten aanzien van [minderjarige 1] vaststaat; VII. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 47 en 280 van het Wetboek van Strafrecht, 338 t/m 344, 350, 358, 359, 415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof wettig en overtuigend bewezen acht, dat requirant opzettelijk buiten medeweten en goedvinden van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen de meisjes [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met een auto naar [plaats] heeft gebracht, zijnde uit geen wettig bewijsmiddel gebleken, dat het opzet van requirant mede gericht was op het ontbreken van het medeweten en goedvinden van deze Commissie; VIII. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 338 t/m 344, 350, 358, 359, 415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof de opgelegde straf mede motiveert met het feit, dat door het vervoer naar het buitenland "het herstel van de band met het over de kinderen gestelde wettig gezag uiteraard zeer werd bemoeilijkt", zijnde van dit laatste zeker ten aanzien van [minderjarige 1] niets ter terechtzitting gebleken, integendeel zijnde wel gebleken, dat requirant dit kind enkele weken na het vervoer naar België ook weer naar [plaats] heeft teruggebracht, zijnde dit laatste geschied op een tijdstip waarop [betrokkene 1] voogdes was over dit kind; " Gehoord den Advocaat-Generaal s' Jacob namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie, daartoe strekkende dat de Hoge Raad het cassatie-beroep niet-ontvankelijk zal verklaren voorzover bij 's Hofs arrest de requirant van het hem bij inleidende dagvaarding primair telastegelegde werd vrijgesproken, en het beroep voor het overige zal verwerpen; Overwegende dat bij het bestreden arrest ten laste van requirant is bewezen verklaard: "dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op of omstreeks 7 Juni 1948 te [plaats] en [plaats] tesamen en in vereniging en in gemeenschappelijk overleg het meisje [minderjarige 2], geboren [geboortedatum] 1940 en gesteld onder de voogdij van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen en het meisje [minderjarige 1], geboren [geboortedatum] 1940, die toen was toevertrouwd aan de zorg van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen, toen genoemde meisjes onttrokken waren aan het over hen gestelde gezag, hebben verborgen en aan de nasporing van ambtenaren der Justitie en Politie hebben onttrokken, door opzettelijk tesamen en in vereniging en in gemeenschappelijk overleg op of omstreeks 7 Juni 1948 gemelde meisjes buiten medeweten en goedkeuring van de gemelde Commissie voor Oorlogspleegkinderen vanuit respectievelijk [plaats] en [plaats] opzettelijk te vervoeren, te doen of te laten vervoeren naar het klooster "[A]" te [plaats] (België), zijnde verdachte op of omstreeks 7 Juni 1948 te [plaats] respectievelijk [plaats] opzettelijk behulpzaam geweest bij het plegen van bovenomschreven misdrijf door toen aldaar opzettelijk voor bovenomschreven vervoer een auto te huren, althans beschikbaar te stellen en opzettelijk buiten medeweten en goedvinden van gemelde Commissie voor Oorlogspleegkinderen, deze auto besturende, bovengenoemde meisjes met deze auto naar genoemd klooster te brengen;" dat het Hof deze bewezenverklaring heeft doen steunen op de navolgende bewijsmiddelen: A. de opgave van den verdachte, gedaan ter terechtzitting in hoger beroep, luidende: "In het jaar 1946 heb ik ten huize van de gezusters […], alwaar ik in dat jaar meermalen op bezoek kwam, het meisje [minderjarige 1] leren kennen. Het was een Joods meisje. In Juni 1948, ik spreek niet tegen, dat het op 7 Juni 1948 geweest is, heb ik op verzoek van een of meer der gezusters […] [minderjarige 1], die toen ongeveer acht jaar oud was, in een door mij bestuurde en gehuurde auto van de woning der gezusters […] te [plaats] naar het klooster "[A]" te [plaats] in België vervoerd. [betrokkene 2] ([betrokkene 2]) en getuig [betrokkene 3] ([betrokkene 3]) zijn toen ook medegereden. Vanuit [plaats] zijn wij met die auto eerst naar het klooster "Marienburg" in [plaats] gereden, waar een der genoemde zusters […] een meisje heeft afgehaald, waarvan ik toen hoorde zeggen, dat zij [minderjarige 2] heette. Ook dit meisje was ongeveer acht jaar oud. Dit meisje had een koffer bij zich, en ik hoorde of begreep, dat zij in gemeld klooster in [plaats] zou gaan verblijven evenals [minderjarige 1], van wie ik zulks reeds eerder wist. [betrokkene 2] is met de beide kinderen in het klooster "[A]" te [plaats] gebleven, terwijl ik met [betrokkene 3] naar Nederland ben teruggekeerd. Ik was tijdens de rit als geestelijke gekleed. Ik was destijds Franciscaner en droeg de kloosternaam "[…]". Reeds voor bedoelde rit naar [plaats] had ik van een of meer der gezusters […] gehoord, dat er moeilijkheden over [minderjarige 1] waren met Joodse instanties, die aanspraak op haar maakten, en dat daarover een proces werd gevoerd. Tijdens de rit heb ik nog aan [betrokkene 2] of [betrokkene 3] gevraagd, waarom de kinderen naar een klooster in België moesten worden gebracht, waarop ik ten antwoord kreeg, dat dit niet mijn zaken waren. Ik heb toen niet verder gevraagd noch enig bezwaar gemaakt; " B. de opgave van den verdachte, gedaan ter terechtzitting in eersten aanleg van 22 September 1955, voorzover luidende: “dat hij ter gelegenheid van bovenbedoelde rit naar [plaats] wist, dat er moeilijkheden waren met de Joodse instanties, welke aanspraak maakten op de meisjes ([minderjarige 1] en [minderjarige 2]) ;" C. het ambtsedig proces-verbaal d.d. 3 Mei 1954 no. 334 E 54 P van den rijksrechercheur [verbalisant 1] en den rijksveldwachter [verbalisant 2], voorzover zakelijk inhoudende als verklaring van den verdachte: "dat hij door het feit, dat hij ook [minderjarige 2] moest medenemen naar [plaats], wel begreep, dat er iets aan de hand was, waarom die kinderen weg moesten, dat hij het wegbrengen van twee Joodse kinderen verdacht vond ; " D. het proces-verbaal van den Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam, voorzover zakelijk inhoudende als opgave van den verdachte, gedaan op 23 Juni 1954: "dat hij uit zijn hem vertoond paspoort ziet, dat hij op 7 Juni 1948 de grenspost Oud-Vroenhoven heeft gepasseerd; dat deze ex grensovergang betrekking moet hebben op de keer, dat hij de meisjes [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats] bracht; " E. de verklaring van den getuige [getuige 1], luidende: "Sedert bij Koninklijk Besluit van 13 Augustus 1945 de Commissie voor Oorlogspleegkinderen werd ingesteld, ben ik lid van het dagelijks bestuur en directeur van het bureau dezer Commissie geweest tot per 1 September 1949 de werkzaamheden der Commissie een einde namen. Zodra [minderjarige 1] ([minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940) bij gemelde Commissie als oorlogspleegkind was aangemeld, is zij in het register van de aan haar zorg toevertrouwde minderjarigen ingeschreven, en was zij als zodanig overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van gemeld Besluit aan de zorg van de Commissie toevertrouwd. Dit is zo gebleven, tot [betrokkene 1] op 16 Juni 1948 door de Rechtbank te Amsterdam tot voogdes over [minderjarige 1] is benoemd. In de eerste helft van 1947 heeft de Commissie besloten [minderjarige 1] over te plaatsen naar een Joods gezin in Rotterdam, waartegen van de zijde van [betrokkene 1] en haar zuster [betrokkene 2] ([betrokkene 2]) verzet is gerezen. Nadat hierover vergeefs met [betrokkene 1] was onderhandeld en nadat ook nog het lid onzer Commissie kapelaan […], - naar hij mij destijds heeft medegedeeld -, [betrokkene 1] bij een mondeling onderhoud er op had gewezen, dat zij verplicht was om [minderjarige 1] aan de Commissie af te geven, ben ik op 21 Juli 1947 te [plaats] bij [betrokkene 1] op bezoek geweest. Ik heb toen aldaar een onderhoud met [betrokkene 1] gehad, waarbij ook getuige [getuige 2] aanwezig was. Ik heb [betrokkene 1] daarbij uiteengezet, dat [minderjarige 1] van overheidswege aan de Commissie was toevertrouwd, dat en waarom de Commissie besloten had [minderjarige 1] naar het gezin in [plaats] over te plaatsen en dat ik daartoe [minderjarige 1] kwam halen. [betrokkene 1] bleef echter bezwaar maken, waarop ik - daartoe door gemelde Commissie gemachtigd - van [betrokkene 1] uitdrukkelijk heb gevorderd om [minderjarige 1] in mijn gemelde hoedanigheid aan mij af te geven, hetgeen zij toen pertinent heeft geweigerd. Zij gaf bij het onderhoud nog te kennen, dat [minderjarige 1] op reis was, doch zeide niet waarheen. Overal waar [minderjarige 1] sedert 21 Juli 1947 tot 16 Juni 1948 verblijf heeft gehouden, geschiedde zulks steeds buiten medeweten en zonder goedkeuring der Commissie voor Oorlogspleegkinderen. Op 5 April 1948 is de Commissie voor Oorlogspleegkinderen door de Rechtbank te Amsterdam benoemd tot voogdes over [minderjarige 2], geboren [geboortedatum] 1940. Overal waar [minderjarige 2] verblijf heeft gehouden sinds zij op 4 Mei 1948 per auto is ontvoerd in den Haag, alwaar zij vanwege gemelde Commissie in een kindertehuis was ondergebracht, totdat zij in Maart 1954 werd teruggevonden in België geschiedde dit buiten medeweten van en zonder goedkeuring van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen. Het is mij bekend, dat sinds 21 Juli 1947 door Justitie en Politie tot dusver tevergeefs nasporingen zijn gedaan naar [minderjarige 1] en sinds 4 Mei 1948 tot zij werd teruggevonden ook naar [minderjarige 2]; " F.. het vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage d.d. 25 November 1948, waarbij ten laste van [betrokkene 4] is bewezenverklaard: "dat zij te 's-Gravenhage op of omstreeks 4 Mei 1948 opzettelijk het minderjarig kind [minderjarige 2] heeft. onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag, hebbende zij dat kind, dat krachtens rechterlijke beslissing was gesteld onder de voogdij van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen - welke Commissie haar had geplaatst in het kinderhuis "[B]" te 's-Gravenhage - toen het in de van Nijerodestraat te 's-Gravenhage wandelde, vanaf de straat opgepakt en naar elders ontvoerd;" G. een uittreksel uit het register van geboorten van den Burgerlijken Stand der gemeente Amsterdam, inhoudende, dat aldaar op [geboortedatum] 1940 is geboren [minderjarige 2]; H. een beschikking van de zesde Kamer van de Rechtbank bete Amsterdam van 5 April 1948, waarbij de voogdij over de minderjarige [minderjarige 2], geboren [geboortedatum] 1940, wordt opgedragen aan de Commissie voor Oorlogspleegkinderen te Amsterdam; I. een uittreksel uit het register van geboorten van den Burgerlijken Stand der gemeente Amsterdam, inhoudende, dat aldaar op [geboortedatum] 1940 is geboren [minderjarige 1] J. het ambstedig proces-verbaal d.d. 21 Juni 1954 van den Substituut-Officier van Justitie bij de Rechtbank te Amsterdam, Mr. C.F. Hartsuiker, voorzover zakelijk inhoudende als verklaring van [minderjarige 2]: "dat pater […] haar in Juni 1948 naar [plaats] heeft gebracht; dat tante [betrokkene 3] haar toen uit [plaats] gehaald heeft; dat zij in [plaats] nog wel gesproken heeft over deze ontvoering met tante [betrokkene 2] en ook met de andere tantes […] waaronder ook tante [betrokkene 1]; dat ze haar toen gezegd hebben, dat zij over haar ontvoering moest zwijgen als zij eens gepakt zou worden en dat zij ook nimmer de verblijfplaats van [minderjarige 1] moest zeggen;” K. het proces-verbaal van den Rechter-Commissaris voornoemd, zakelijk inhoudende als door [minderjarige 2] op 15 April 1954 afgelegde verklaring: "dat zij op 8 Juni 1948 samen met [minderjarige 1] en tante [betrokkene 2], die zij toen voor het eerst leerde kennen, per auto naar [plaats] is gegaan; dat de auto werd bestuurd door een pater, dien zij […] hoorde noemen; dat zij dien datum (8 Juni) zo goed weet, omdat haar later in [plaats] elk jaar op dien datum werd gewezen; " L. het ambtsedig proces-verbaal d.d. 13 October 1947 van den hoofdagent van gemeentepolitie tevens onbezoldigd rijksveldwachter te [plaats] [getuige 2], voorzover zakelijk inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]: "dat zij en haar zusters [betrokkene 2] en [betrokkene 5] in onderling overleg in het jaar 1943 het Joodse kind [minderjarige 1], geboren [geboortedatum] 1940, in huis hebben genomen in het door hen te [plaats] geëxploiteerde rusthuis; dat zij dit kind in Juli of Augustus 1945 als oorlogspleegkind heeft aangemeld bij de Commissie voor Oorlogspleegkinderen; dat zij in Juni 1947 maatregelen heeft genomen om het kind [minderjarige 1] te onttrekken aan de door de Commissie voor Oorlogspleegkinderen voorgenomen plaatsing in het gezin Van Dijk te Rotterdam; dat zij haar zuster [betrokkene 2] verzocht heeft, of zij met [minderjarige 1] wilde onderduiken; dat deze hierin toestemde;" M. het proces-verbaal van den Rechter-Commissaris voornoemd, voorzover zakelijk inhoudende als verklaring op 9 Juni 1954 afgelegd door [betrokkene 1]: "dat zij in het voorjaar van 1948 omstreeks Pasen in [plaats] is geweest, alwaar zij met de zusteroverste een bespreking heeft gevoerd over het eventuele komen van [minderjarige 1] aldaar in gezelschap van haar zuster [betrokkene 2], daar zij en haar zuster het niet aandurfden [minderjarige 1] daar alleen achter te laten; " dat het Hof vervolgens nog heeft overwogen: "dat verdachte's ontkentenis van het hem telastegelegde opzet reeds afstuit op zijn eigen hiervoor weergegeven verklaringen, waaruit volgt, dat hij er zich tijdens het plegen van het bewezenverklaarde van bewust was of althans heeft begrepen of moeten begrijpen, dat hij daardoor medewerkte aan een met het Nederlandse wettig over die kinderen gestelde gezag strijdige overbrenging naar het buitenland van de beide Joodse kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], waarop naar hij wist door Joodse instanties aanspraak werd gemaakt tegenover de gezusters […], terwijl het Hof overigens onaannemelijk acht, dat deze intellectueel geschoolde verdachte, die volgens zijn verklaring ter terechtzitting meermalen bij de gezusters […] aan huis kwam, die in of omstreeks 1948 meermalen autotochten met een of meer dier zusters maakte en een harer als particulier secretaresse had bij zijn werk, van den onwettigen aard en achtergrond van het vervoer der beide kinderen naar België niet precies op de hoogte is geweest; " Overwegende ten aanzien van het eerste middel: dat het Hof, na op grond van de aangevoerde bewijsmiddelen het aan requirant telastegelegde opzet bewezen te hebben geoordeeld, deze beslissing nader heeft gemotiveerd in de boven weergegeven overweging van het arrest, daarbij als zijn mening te kennen gevende, dat requirant er zich tijdens het plegen van het bewezenverklaarde van bewust was, of althans heeft begrepen of moeten begrijpen, dat hij daardoor medewerkte aan een met het Nederlandse wettig over de kinderen gestelde gezag strijdige overbrenging naar het buitenland, waaraan het Hof nog toevoegde het onaannemelijk te achten, om de redenen in evenbedoelde overweging gemeld, dat requirant van den onwettigen aard en achtergrond van het vervoer der beide kinderen naar België niet precies op de hoogte is geweest; dat uit een en ander blijkt, dat het Hof bij requirant een bewustzijn omtrent het onrechtmatig karakter van het vervoer der kinderen naar België aanwezig heeft geoordeeld, hetwelk opzet oplevert, met dien verstande, dat bij de overweging dat requirant heeft "moeten begrijpen", dat hij medewerkte aan een met het wettig gezag over de kinderen strijdig overbrengen, met die woorden in 's Hofs gedachtengang slechts kan zijn gedoeld niet op een behoren te begrijpen, doch op een mate van wetenschap bij requirant omtrent de omstandigheden, waaronder hij het feit pleegde, welke, gezien in verband met het bewijs, slechts de gevolgtrekking toelaat, dat hij begreep, medewerking te verlenen aan een overbrenging als voormeld; dat het middel derhalve in zijn eerste onderdeel faalt; dat de wetenschap bij requirant dat op de beide kinderen tegenover de gezusters […] door "Joodse instanties" aanspraak werd gemaakt wel degelijk uit de bewijsmiddelen valt af te leiden; dat in de toelichting op het middel het tegendeel wordt betoogd met betrekking tot [minderjarige 2], doch ten onrechte blijkens het onder C vermelde bewijsmiddel; dat in die toelichting voorts ten onrechte wordt beweerd, dat niet zou kunnen blijken van de omstandigheid, dat door de "Joodse instanties" aanspraak werd gemaakt op [minderjarige 2], bepaaldelijk tegenover de gezusters […], daar uitteraard die aanspraken golden tegenover een ieder, die met miskenning van het over het kind gestelde gezag de verwezenlijking daarvan trachtte te verijdelen; dat voor zover nog beroep wordt gedaan op schending van het voorschrift van artikel 341 laatste lid van het Wetboek van Strafvordering, requirant voorbijziet, dat deze bepaling slechts betrekking heeft op het bewijs van de gehele telastelegging; dat mitsdien ook het tweede onderdeel ongegrond is en het middel derhalve niet tot cassatie kan leiden; Overwegende ten aanzien van het tweede middel: dat dit almede ondeugdelijk is, in zijn eerste onderdeel omdat de telastelegging de geboorte-data der kinderen vermeldt, waaruit hun leeftijd ten tijde van het plegen van het feit valt af te leiden, en in het tweede, omdat de wet een nadere motivering als door requirant verlangd, niet eist; Overwegende ten aanzien van het derde middel: dat het Hof uit de bewijsmiddelen vermeld onder A, D, J en K heeft kunnen afleiden, dat het feit gepleegd werd op of omstreeks 7 Juni 1948 en in de toelichting op het middel ten onrechte geklaagd wordt over tegenstrijdigheid van de bewijsmiddelen in verband met de omstandigheid dat [betrokkene 1] steeds zou hebben verklaard, dat zij meent, dat begin Juli 1948 haar zuster de kinderen heeft weggebracht en [betrokkene 3], dat dit wegbrengen in Juni of Juli 1948 heeft plaats gehad, zijnde immers zodanige verklaringen van de gezusters […] niet als bewijsmiddel gebruikt; dat het middel dus vruchteloos is voorgesteld; Overwegende ten aanzien van het vierde middel: dat dit evenmin kan slagen, omdat artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht niet verlangt, dat de dader zich bewust moet zijn geweest, dat zijn handeling een strafbaar feit was, en het ontbreken van zodanige bewustheid ook geen strafuitsluitingsgrond oplevert; weshalve de door requirant blijkens de toelichting ingeroepen omstandigheid van wijziging van jurisprudentie inzake hetgeen in de artikelen 279 en 280 onder onttrekken moet worden verstaan hem niet kan baten; Overwegende ten aanzien van het vijfde middel; dat het Hof na op grond van tot zijn beslissing redengevende bewijsmiddelen het opzet van requirant bewezen te hebben geoordeeld vervolgens nog heeft te kennen gegeven, waarom het aan de ontkentenis van requirant met betrekking tot het hem verweten opzet geen geloof hecht; dat het aan het Hof vrijstond daarbij te rade te gaan met een aantal feiten en omstandigheden, die bij het onderzoek ter terechtzitting waren gebleken; dat niet valt in te zien, welk wettelijk voorschrift het Hof door aldus zijn beslissing nader te motiveren zou hebben geschonden of verkeerd toegepast; dat in de toelichting tot het middel de juistheid van het in voege voormeld door het Hof overwogene nog wordt bestreden, doch requirant daarbij het terrein der feiten betreedt, waarop de cassatierechter hem niet vermag te volgen; dat dus ook dit middel niet tot vernietiging van het bestreden arrest kan leiden; Overwegende ten aanzien van het zesde middel: dat het misdrijf, voorzien in artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht, waaraan requirant medeplichtig was, werd gepleegd te [plaats], respectievelijk [plaats], zijnde de plaatsen alwaar de handeling van het verbergen en onttrekken van de minderjarigen aan de nasporingen van ambtenaren van Justitie en Politie een aanvang nam, zodat het middel in zijn onderdeel
  4. a)ongegrond is; dat aan het onderdeel
  5. b)de misvatting ten grondslag ligt als zou artikel 280 den eis stellen van nasporingen van ambtenaren als voormeld, welke reeds zijn aangevangen en een onmiddellijk ingrijpen doen duchten; dat echter voor de toepasselijkheid van meergenoemd artikel voldoende is, dat gevaar voor nasporingen aanwezig is, zij het ook in een min- of meer verwijderde toekomst; dat het Hof tot de aanwezigheid van zodanig, zij het verwijderd gevaar, kon besluiten op grond van de in het bewijsmiddel E vervatte verklaring van den getuige [getuige 1], luidende: "Het is mij bekend, dat sinds 21 Juli 1947 door Justitie en Politie tot dusver tevergeefs nasporingen zijn gedaan naar [minderjarige 1] en sinds Mei 1948 tot zij werd teruggevonden ook naar [minderjarige 2]; " dat het enkele feit, dat de minderjarige [minderjarige 1] in voege als in de bewezenverklaring vermeld heimelijk naar het buitenland werd vervoerd de gevolgtrekking kon wettigen, dat zij werd onttrokken aan het over haar gestelde gezag, waaraan niet afdoet de omstandigheid van een latere terugkeer naar [plaats]; dat dus ook dit onderdeel ondeugdelijk is en het middel niet tot cassatie kan leiden; Overwegende ten aanzien van het zevende middel: dat dit berust op een onjuiste lezing van het aangevallen arrest; dat immers het Hof de te laste legging en bewezenverklaring kennelijk aldus heeft verstaan, dat requirant opzettelijk buiten medeweten en goedvinden van het over de kinderen gesteld wettig gezag de meisjes [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met een auto naar [plaats] heeft gebracht, zijnde - naar objectief is komen vast te staan - dat gezag de Commissie voor Oorlogspleegkinderen; dat dus ook dit middel faalt; Overwegende ten aanzien van het achtste middel: dat het enkele feit, dat de kinderen over de grenzen werden gevoerd met geheimhouding van dat vervoer en van de bestemming, de gevolgtrekking kon wettigen, dat het herstel van de band met het over de kinderen gestelde wettig gezag uitteraard zeer werd bemoeilijkt, waaraan - met betrekking tot de minderjarige [minderjarige 1] - niet kan afdoen de omstandigheid dat dit kind - gelijk requirant betoogt - enkele weken na het vervoer naar België weer naar [plaats] zou zijn teruggebracht; dat dit middel mitsdien het lot der overige zal moeten delen; Verwerpt het beroep . Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heren Fick, Vice-President, Feber, Westerouen van Meeteren, Kazemier en Hülsmann, Raden, in bijzijn van den Griffier van Oordt, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den negentienden Juni 1900 zes en vijftig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren, alsmede van den Advocaat-Generaal s' Jacob, met uitzondering echter van den Raadsheer Westerouen van Meeteren, die verhinderd was geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn en dit arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.