7 Maart 1956. No. 12.623.- L. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het beroepschrift in cassatie van den Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen II te Rotterdam van 10 Maart 1955 betreffende den aan de coöperatieve vereniging ‘’[X]’’, gevestigd te [Z], opgelegden aanslag in de vennootschapsbelasting over het boekjaar 1949/1950; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, aan wie een aanslag in de vennootschapsbelasting over het boekjaar 1949/1950 werd opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van f. 1.972.274.--, daartegen tevergeefs bezwaar heeft gemaakt bij den Inspecteur, waarna zij zich heeft gewend tot den Raad van Beroep; Overwegende dat tussen partijen twee punten van geschil bestonden, waarvan het eerste thans niet meer van belang is; dat de Raad van Beroep het eerste geschilpunt ten gunste van belanghebbende heeft beslist, met het gevolg, dat het belastbaar bedrag diende te worden verminderd met f. 8.275.-; Overwegende dat de Raad van Beroep omtrent het tweede geschilpunt heeft overwogen: "dat dit betreft de vraag op welk waarderingssysteem van haar voorraden belanghebbende in verband met de Wet Belastingherziening 1950 voor het onderhavige boekjaar mag overgaan; dat belanghebbende vier systemen subsidiair heeft voorgesteld waarvan het eerste luidt als volgt: "1. Het waarderingsstelsel voor voorraden vindt toepassing ten aanzien van de economische voorraden, grond- en hulpstoffen, goederen in bewerking en gereed product. 2. De normale voorraden worden, voorzover zij in het bedrijf dezelfde functie vervullen als de voorraden per de aanvang van het boekjaar 1949/50 - ongeacht hun technische aard - bestendig gewaardeerd naar het prijspeil per de aanvang van het boekjaar 1949/50, dan wel naar de lagere marktprijs op de balansdatum. De herleiding tot genoemd prijspeil geschiedt zonodig, hetzij voor de gehele, hetzij voor een gedeelte van de voorraad, met behulp van (gewogen) indexcijfers. 3. Indien de voorraad minder bedraagt dan de normale voorraad geschiedt de waardering door op de waarde van de normale voorraad - gewaardeerd als sub 2 omschreven - in mindering te brengen het manco, gewaardeerd naar de marktprijs op de balansdatum. Indien de voorraad de normale voorraad overschrijdt wordt het meerdere gewaardeerd op koopprijs dan wel op lagere marktprijs per de balansdatum. 4. Onder normale voorraad wordt verstaan de voorraad, die naar het inzicht van de bedrijfsleiding op de balansdatum redelijkerwijze aanwezig moet zijn om productie en afzet ongestoord te doen verlopen. Grond- en hulpstoffen, goederen in bewerking en gerede producten worden geacht elkaar volledig te kunnen substitueren."; dat zij ter vergadering van de Raad het gestelde onder 4, lid 1, heeft gewijzigd als volgt: "Onder normale voorraad wordt verstaan de voorraad, die belanghebbende op basis van de huidige capaciteit van haar fabriek dient aan te houden."; dat de Inspecteur heeft gesteld dit systeem met goed koopmansgebruik in strijd te achten; dat de Inspecteur allereerst bestreden heeft dat belanghebbende op dit waarderingssysteem zou mogen overgaan, omdat waardering van de economische voorraden op zichzelf beschouwd reeds vóór de Wet Belastingherziening 1950 geoorloofd was, doch door belanghebbende niet is toegepast; dat belanghebbende hiertegen terecht heeft aangevoerd, dat het de Inspecteur niet vrijstaat een onderdeel van het door haar voorgestane systeem uit zijn verband te lichten, doch dat het systeem in zijn geheel dient te worden beschouwd; dat dit gehele systeem vóór de Wet Belastingherziening 1950 niet geoorloofd was; dat de Inspecteur voorts als bezwaar tegen het voorgestelde stelsel heeft aangevoerd, dat het zou leiden tot het vormen van een andere reserve dan bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, "omdat in dezen een reserve gevormd wordt, die van de naar een bepaalde maatstaf gewaardeerde voorraden wordt afgetrokken"; dat echter de omstandigheid, dat het door belanghebbende voorgestane systeem tengevolge kan hebben, dat de werkelijke waarde van de voorraden hoger is dan hun balanswaarde niet medebrengt, dat dit systeem zou kunnen leiden tot een reservering, die bij artikel 10 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 niet wordt toegelaten; dat immers bedoeld systeem niet beoogt het afzonderen van een deel van de te behalen winst, doch te voorkomen, dat als winst wordt aangemerkt wat het niet is, te weten het verschil tussen de werkelijke waarde en de lagere balanswaarde; dat in dit verband nog bedacht moet worden, dat de te behalen winst groter zou zijn naar de mate, waarin de balanswaarde van de voorraden lager is dan de werkelijke waarde; dat belanghebbende het gegronde bezwaar van de Inspecteur tegen de onbepaaldheid van de omvang der voorraden heeft ondervangen door ter vergadering de boven weergegeven wijziging van het gestelde onder 4, lid 1, aan te brengen; dat de Inspecteur als laatste bezwaar aanvoert, dat een bepaling ontbreekt, krachtens welke het prijspeil per de aanvang van het boekjaar 1949/1950 als maatstaf zal worden vervangen door een toekomstig gestabiliseerd prijspeil, zodra zich dat voordoet; dat de Raad dit bezwaar niet overneemt, daar een dergelijke bepaling in de practijk onhanteerbaar zou zijn; dat tussen de partijen vaststaat dat aanvaarding van het onderhavige waarderingsstelsel een verlaging van het belastbare bedrag medebrengt met een bedrag van f. 176.555.-; Overwegende dat de Raad op grond van een en ander heeft besloten, dat het belastbaar bedrag behoort te worden verminderd met (f. 8.275.- plus f. 176.555.- of in totaal) f. 184.830.-, en de Raad dienvolgens de beschikking van den Inspecteur heeft vernietigd en den aanslag heeft teruggebracht tot een aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van f. 1.787.444.-; Overwegende dat de Staatssecretaris van Financiën als middelen van cassatie heeft voorgedragen: 1. Schending of verkeerde toepassing van artikel 6 van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, juncto artikel 7 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, doordat de Raad van Beroep heeft goedgekeurd dat belanghebbende met ingang van haar boekjaar 1949/50 overging van het stelsel van waardering van haar voorraden op kostprijs of lagere marktwaarde naar het in de uitspraak omschreven stelsel van voorraadwaardering, zulks ten onrechte omdat in het door belanghebbende gekozen stelsel de noodzakelijke beperking van den omvang van den voorraad, welke naar den vasten basisprijs zal worden gewaardeerd, onvoldoende is aangebracht, waardoor het stelsel in verscheidene gevallen noodzakelijkerwijs leidt tot een winstberekening, welke in strijd met goed koopmansgebruik is en omdat in dit stelsel de omvang van den zogenaamde normalen voorraad ook voor de toekomst wordt bepaald op basis van de capaciteit bij den aanvang van het boekjaar 1949/1950, hetgeen eveneens in strijd met goed koopmansgebruik is; 2. Schending of verkeerde toepassing van artikel 6 van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, juncto de artikelen 7, 9, 10 en 11 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, doordat de Raad van Beroep heeft goedgekeurd dat belanghebbende met ingang van haar boekjaar 1949/1950 overging van het stelsel van waarderen van haar voorraden op kostprijs of lagere marktwaarde naar het in de uitspraak omschreven stelsel van voorraadwaardering, zulks ten onrechte omdat in dat stelsel bij de waardering van den voorraad indien deze kleiner is dan de "normale" voorraad, rekening wordt gehouden met het verschil tussen den marktprijs van de aan den normalen voorraad ontbrekende hoeveelheid en den vasten basisprijs van die hoeveelheid, hetgeen, ongeacht de wijze van boeking, het vormen van een zelfstandige reserve ten laste van de winst betekent, welke reserve niet kan worden begrepen onder een der op den voet van de artikelen 9, 10 en 11 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 toegelaten reserves; Overwegende, dat belanghebbende met ingang van haar van 1 Mei 1949 tot ultimo April 1950 lopende boekjaar verlangt over te gaan tot een stelsel van voorraadwaardering, waarvan de kern is, dat de normale - gestadig aan te houden - voorraad grond- en hulpstoffen, goederen in bewerking en gerede producten bestendig wordt gewaardeerd naar het prijspeil bij den aanvang van dat boekjaar, ofwel naar de lagere marktwaarde op den balansdatum; dat zodanig stelsel slechts dan in overeenstemming met goed koopmansgebruik kan worden geacht, indien het den waarborg inhoudt, dat aan het volgende wordt voldaan: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.