← Nederland

ECLI:NL:HR:1958:AY1823

9 April

  1. No.
  2. T. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN , Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 Juli 1957, aan partijen verzonden op 9 December 1957, betreffende den aan hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1954; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende over voormeld jaar werd aangeslagen in de inkomstenbelasting naar een inkomen van f. 15.188, -- , nadat de Inspecteur bij het aangegeven inkomen had geteld een door belanghebbende in 1954 ontvangen uitkering ten bedrage van f. 1.487, -- terzake van geleden oorlogsschade; Overwegende dat belanghebbende tegen dien aanslag als bezwaar heeft aangevoerd, dat deze correctie ten onrechte is aangebracht, vermits volgens hem voormeld bedrag van f. 1.487, -- dient te worden beschouwd als liquidatiewinst, ontstaan bij de per 1 Januari 1952 begonnen en in 1954 voltooide liquidatie van het door hem voor 1 Januari 1952 geëxploiteerde eenmansbedrijf, hetwelk per laatstgenoemden datum was omgezet in een vennootschap onder firma; Overwegende dat de Inspecteur den aanslag heeft gehandhaafd op grond: dat het bedrijf van belanghebbende door inbreng in de Vennootschap onder firma niet werd overgedragen althans niet voor het gedeelte waarin hij in het firmavermogen gerechtigd bleef; dat de vordering oorlogsschade, die tot dusverre op nihil werd gewaardeerd, niet in de firma werd ingebracht, zodat ze bleef behoren tot het niet overgedragen gedeelte van het bedrijf van belanghebbende; dat er dan ook geen sprake is van overdrachtswinst, zodat de vrijstelling van artikel 20, lid 3, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 niet van toepassing is; Overwegende dat op het beroep van belanghebbende het Hof de beschikking van den Inspecteur heeft bevestigd, uit overweging: "dat het ingestelde beroep zich uitsluitend richt tegen de verwerping van voormeld bezwaar, terwijl daarbij wordt gevorderd dat de aanslag alsnog nader zal worden vastgesteld met in achtneming van het te dezen door belanghebbende verdedigde standpunt; dat tussen partijen vaststaat, dat door belanghebbende met vier anderen per 1 Januari 1952 werd opgericht een Vennootschap onder firma, van welke oprichting per 15 November 1954 werd opgemaakt een onderhandse akte, waarvan door de gemachtigde van belanghebbende ter zitting een exemplaar werd overgelegd; dat de opgerichte vennootschap ten doel heeft voort te zetten de voorheen door belanghebbende als eenmanszaak geëxploiteerde textielhandel; dat belanghebbende na hare oprichting in die vennootschap is opgetreden als beherende vennoot; dat door belanghebbende in de vennootschap niet werd gebracht de litigieuse vordering terzake van oorlogsschade, welke bij de oprichting der vennootschap op nihil werd gewaardeerd; dat artikel V van opgemelde akte bovendien uitdrukkelijk vermeldt, dat stille reserves in fiscale zin zullen verblijven aan belanghebbende; dat de litigieuse vordering in 1954 werd gehonoreerd; dat deze vordering niet voordien -ook niet toen zij zogenaamd "rijp" was- tegen hare objectieve waarde werd overgebracht uit het bedrijfsvermogen van belanghebbende naar diens privé-vermogen; dat de opbrengst van deze vordering uitsluitend is ten goede gekomen aan belanghebbende; dat op grond van vorenstaande vaststaande feiten en omstandigheden niet kan worden aangenomen dat belanghebbende het door hem vóór de oprichting der vennootschap geëxploiteerde bedrijf bij die oprichting likwideerde, doch integendeel moet worden aangenomen, dat belanghebbende zijn oorspronkelijk bedrijf ook na de oprichting der vennootschap heeft voortgezet zij het dan dat tengevolge van die oprichting zijn bedrijfsvermogen werd gesplitst in een gedeelte hetwelk werd beheerst door het vennootschappelijk verband en een ander gedeelte, hetwelk bleef behoren tot zijn privé bedrijfsvermogen; dat laatstbedoelde splitsing in de gegeven omstandigheden niet kan leiden tot de gevolgtrekking dat de opbrengst der litigieuse vordering zou moeten worden belast naar een andere dan het normale tarief, hetwelk -gelijk is onbetwist- ook zou hebben moeten zijn gehanteerd indien belanghebbende niet tot oprichting van een vennootschap ware overgegaan; dat immers -gelet op het vorenstaande- deze opbrengst ook in de gegeven omstandigheden geacht moet worden op normale wijze te zijn voortgevloeid uit de door het bedrijf van belanghebbende gevormde bron van inkomen;" Overwegende dat belanghebbende tegen deze uitspraak als middel van cassatie heeft voorgesteld: Schending of verkeerde toepassing van artikel 20 in verband met artikel 48 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, ter toelichting waarvan is aangevoerd: dat belanghebbende op 1 Januari 1952 in een met vier anderen opgerichte vennootschap onder firma inbracht alle toen bestaande activa en passiva van het tot dan toe door hem geëxploiteerde eenmansbedrijf met uitzondering van de aanspraak op uitkering van een aanvullende bijdrage ter zake van oorlogsschade aan een tot dat eenmansbedrijf behoord hebbend bedrijfsmiddel; dat belanghebbende per 1 Januari 1952 niet alleen het tot dien datum door hem geëxploiteerde eenmansbedrijf, doch ook de bedrijfsuitoefening daarvan staakte; dat in 1954 bedoelde aanspraak op een aanvullende bijdrage werd gerealiseerd, welke bate, mede in aanmerking genomen den aard, liquidatiewinst is van het eenmansbedrijf; dat het te dezer zake ontvangen bedrag van f.1.487, -- onbelast is op grond van artikel 20, lid 3, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941; subsidiair: dat, ook al moge van liquidatie van het eenmansbedrijf geen sprake zijn, doch aangenomen wordt dat belanghebbende zijn oorspronkelijk bedrijf ook na de oprichting van de vennootschap heeft voortgezet, de uitspraak van het Gerechts hof niet in stand kan blijven, daar alsdan belanghebbende alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 6 van de Wet Belastingherziening 1950 gebruik te maken; Overwegende met betrekking tot het middel: dat de belastingplichtige, die tot voortzetting van het tevoren door hem alleen uitgeoefende bedrijf een vennootschap aangaat met een of meer anderen, voorzover in den aard van de bedrijfsuitoefening overigens geen wijzigingen optreden, die grond kunnen geven voor de conclusie, dat het in vennootschap uitgeoefende bedrijf niet meer is hetzelfde bedrijf, dat tevoren door den belastingplichtige alleen werd uitgeoefend, dat bedrijf niet liquideert, doch een gedeelte daarvan, overeenkomende met het door de andere leden van de vennootschap daarin verworven aandeel overdraagt; dat het Hof op grond van de in de uitspraak vermelde feiten en omstandigheden terecht heeft beslist, dat belanghebbende het door hem vóór de oprichting der vennootschap geëxploiteerde bedrijf bij die oprichting niet heeft geliquideerd, doch dat integendeel moet worden aangenomen, dat hij zijn oorspronkelijk bedrijf na de oprichting der vennootschap met zijn vier kinderen, die blijkens de stukken reeds voor 1952 in dat bedrijf werkzaam waren, heeft voortgezet; dat derhalve de onderhavige bate niet valt onder de winst, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, zodat het derde lid van genoemd artikel toepassing mist; dat mitsdien het middel faalt; Overwegende dat belanghebbende subsidiair heeft verzocht de ontvangen schadeloosstelling alsnog te reserveren op den voet van artikel 6 van de Wet Belastingherziening 1950, doch dit verzoek niet met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden gedaan; Verwerpt het beroep. Gedaan bij de Heren Nypels, Vice-President, van Rijn van Alkemade, Wiarda, van der Loos en Tekenbroek, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den negenden April 1900 acht en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Verstraaten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.