D. Tegenwoordig de Heren: Donner, President; Boltjes, de Jong, Hülsmann en Petit, Raden; Reyers, Griffier; Langemeijer, Procureur- Generaal. Openbare terechtzitting van Vrijdag 6 Maart 1959. De zitting is geopend des voormiddags te 10 uur. De deurwaarder roept de volgende zaken uit: DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, in de zaak (No. 9257) van: [eiser] , wonende te [plaats] , eiser tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, op 26 Maart 1958 tussen partijen gewezen, incidenteel verweerder, vertegenwoordigd door Mr. C. R. C. Wijckerheld Bisdom, advocaat bij den Hogen Raad, tegen [verweerder] , wonende te [plaats] , verweerder in cassatie, incidenteel eiser, vertegenwoordigd door Mr. A. G. Maris, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Procureur-Generaal in zijn conclusie tot verwerping van beide beroepen onder compensatie van kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat op 6 Mei 1954 in de Staalhaven-Oost te IJmuiden het sleepschip Bertha, waarvan [verweerder] toen was eigenaar en gebruiker, ingevolge een tussen partijen gesloten sleepovereenkomst op een korte draad werd gesleept door de sleepboot Revenir, waarvan [eiser] toen was eigenaar en gebruiker, in aanvaring is gekomen met het motorschip Adriana; dat [verweerder] als eiser in eerste aanleg in een bij de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam gevoerd geding de daardoor door hem geleden schade, bij dagvaarding nader omschreven, ten bedrage van f. 4.648, 60, van [eiser] heeft gevorderd, stellende: "dat de Bertha een lading van 1294 ton slakzand had ingenomen in de Staalhaven-Noord en op 6 Mei 1954 des namiddags te 2.30 uur aldaar aan de Noordzijde tussen een paar andere schepen gelegen was met de kop naar binnen (naar het westen) en met het achterschip ongeveer twee scheepslengten van de hoek, die de Staalhaven-Noord maakt met de zogenaamde dode hoek van de Staalhaven-Oost naar het noorden; dat de Revenir ten tijde en ter plaatse voormeld met een korte draad heeft aangemaakt op de middenachterbolder van het schip, waarop het roer in een stand van ongeveer 30° naar stuurboord werd vastgezet met de vang; dat de Revenir de Bertha eerst over stuur met het achterschip in gemelde dode hoek van de Staalhaven-Oost zou slepen en daarna, zodra het voorschip in de Staalhaven-Oost zou zijn bijgekomen, op dit voorschip zou vastmaken teneinde de Bertha uit de Staalhaven-Oost in zuidelijke richting weg te trekken, welk een en ander aldus diende te geschieden, omdat de Bertha wegens haar lengte in de Staalhaven-Noord niet kon zwaaien; dat aan boord van de Bertha een krabbend vooranker werd gezet, teneinde de kop stil te houden, hetwelk opgehaald diende te worden, zodra er ruimte zou zijn om het voorschip in de Staalhaven-Oost te laten bijkomen, alwaar zulks overigens toch diende te worden opgehaald wegens een aldaar liggende kabel; dat de Revenir dadelijk met onverantwoordelijk grote snelheid is gaan trekken en deze snelheid ondanks roepen van de Bertha niet heeft verminderd, terwijl zij het achterschip in de dode hoek trok; dat de Revenir daarbij tot overmaat van ramp de bocht zodanig nam, dat de Bertha met het achterschip schuin-dwars in de richting van een viertal schepen getrokken werd, welke in de Staalhaven-Oost aan de oostelijke wal tegenover de uitgang van de Staalhaven-Noord lagen; dat aan boord van de Bertha te rechter tijd, - als hierboven aangegeven -, het vooranker is opgehaald; dat intussen door het onbesuisde varen van de Revenir de vang op het roer brak, wegens het sterke schroefwater van de Revenir, zodat het roer niet meer in dezelfde stand te houden was, ondanks alle pogingen daartoe; dat de Revenir vervolgens, in stede van in de richting van het voorschip van de Bertha te trekken, - teneinde vaart uit het schip te halen -, dwars naar bakboord is gaan trekken, waardoor het schip juist nog grotere vaart heeft gekregen en met geweld met het achterschip en het roer tegen de buitenste van de vier genoemde schepen is gebotst; " dat de Rechtbank, nadat [eiser] zich onder meer tot zijn verweer op verjaring ingevolge artikel 952, eerste lid onder 4°, van het Wetboek van Koophandel had beroepen, met gegrondverklaring van dit verweer in haar vonnis van 22 Februari 1957 [verweerder] niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering; dat op het hoger beroep van [verweerder] het Hof in zijn bestreden arrest heeft overwogen: "dat de grieven van [verweerder] aldus zijn samen te vatten en te verstaan, dat de Rechtbank ten onrechte voormeld beroep van [eiser] op verjaring van de vordering heeft aanvaard; "dat, al is bij dagvaarding in eerste aanleg niet gesteld dat de Bertha werd gesleept ingevolge een tussen partijen gesloten sleepovereenkomst, dit feit niettemin in de loop van het geding is komen vast te staan en het Hof daarmede rekening zal hebben te houden; "dat de gestelde schade naar de boven weergegeven voorstelling van [verweerder] is veroorzaakt door de schuld van de Revenir; dat immers de nopens de toedracht der aanvaring gestelde feiten, indien bewezen, opleveren ernstige navigatiefouten van de Revenir; "dat [verweerder] dus aan de Revenir verwijt schending van de, ook buiten overeenkomst, voor de Revenir geldende verplichting om in het verkeer te water zodanig te varen, dat niet aan andere schepen, ook niet aan dat van [verweerder] , schade wordt berokkend; "dat deze verplichting voor [eiser] onverkort geldt, afgezien van schending van diens verplichtingen uit de sleepovereenkomst; "dat, nu de stellingen van [verweerder] hierop neerkomen dat de Revenir heeft gevaren in strijd met de tegenover zijn - [verweerder] - goederen in het verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid waardoor een aanvaring werd veroorzaakt die leidde tot schade in zijn vermogen, [verweerder] gerechtigd was tot het instellen van een vordering uit onrechtmatige daad (aanvaring); "dat die vordering bij dagvaarding van 16 April 1956 tijdig is ingesteld, immers binnen het tijdsverloop van twee jaren na de aanvaring op 6 Mei 1954; "dat de grieven van [verweerder] mitsdien zijn gegrond en hij, met vernietiging van het vonnis a quo, alsnog in zijn vordering ontvankelijk moet worden verklaard;" dat het Hof op die gronden het vonnis van de Rechtbank heeft vernietigd, [verweerder] ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering en, omdat partijen over de feiten streden, een getuigenverhoor heeft gelast; dat [eiser] tegen dit arrest als middel van cassatie aanvoert: "Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 175 der Grondwet, 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 1269, 1275, 1279, 1282, 1303, 1374, 1375, 1401, 1402, 1403, 1983 van het Burgerlijk Wetboek, 48, 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 748, 780, 782, 925, 929, 930, 931, 932, 936, 937, 938, 952, 953 van het Wetboek van Koophandel, door met vernietiging van het vonnis van de Rechtbank [verweerder] in zijn vordering ontvankelijk te verklaren, na het door [eiser] gedaan beroep op verjaring ingevolge de bepaling van artikel 952 4° van het Wetboek van Koophandel te hebben verworpen, ten onrechte en in strijd met de aangehaalde wetsartikelen,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.