20 oktober 1964 Nr .: 62724 Mo. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, Op het beroep van [requirant], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936, wonende aldaar, van beroep aannemer, requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 juni 1964, waarbij in hoger beroep, met vernietiging van een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam van 26 november 1963, requirant wegens "aan zijn schuld bij gelegenheid van een botsing met een door hem bestuurd motorrijtuig de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de dood door de botsing is veroorzaakt", met aanhaling van de artikelen 36, lid 1 en 39, lid 1 van de Wegenverkeerswet en de artikelen 10, 55, lid 2, 91 en 307 van het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de tijd van één maand, met ontzegging aan requirant van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van één jaar ; Gehoord het verslag van de Raadsheer Eijssen; Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur- Generaal aan de requirant uitgereikt, ter kennisgeving van de dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op de middelen van cassatie, namens de requirant voorgesteld bij schriftuur en nader toegelicht bij pleidooi, luidende : "I. Verzuim van vormen en/of schending van het recht, met name door schending van de artikelen 126, 296, 350, 351, 352, 358, 359, 415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 1 van de Wet van 17 Juli 1911 (Staatsblad nr. 215), houdende voorziening in de bestaande onzekerheid ten aanzien van de vorm, waarin eden, beloften en bevestigingen moeten worden afgelegd, doordien niet blijkt dat Ir. […], door het Hof als deskundige gehoord, de door artikel 296 sub 1º gevorderde eed op de voorgeschreven wijze heeft afgelegd. II. Verzuim van vormen en/of schending van het recht, met name door schending van de artikelen 350, 351, 352, 358, 359,415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, doordien de bewezenverklaring niet kan worden afgeleid uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen, kunnende daaruit inzonderheid niet worden afgeleid dat requirant hoogst roekeloos, onvoorzichtig en onoordeelkundig is geweest, zijnde in ieder geval de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed."; Gehoord de Advocaat-Generaal Moons, namens de Procureur- Generaal in zijn conclusie, daartoe strekkende dat de Hoge Raad het aangevallen arrest - behoudens voor wat betreft de daarbij gegeven vrijspraak, waartegen requirant zijn cassatie- beroep kennelijk niet heeft willen richten - zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Gerechtshof teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen; Overwegende omtrent het eerste middel: dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 19 februari 1964 in deze zaak als deskundige is gehoord de in het middel genoemde persoon; dat in dat proces-verbaal is vermeld, dat die deskundige de eed heeft afgelegd "bij artikel 296, 1e lid, van het Wetboek van Strafrecht gevorderd"; dat in de plaats van dit wetboek kennelijk moet worden gelezen het Wetboek van Strafvordering; dat in genoemd proces-verbaal niet is vermeld, op welke wijze bedoelde eed is afgelegd, zodat niet vaststaat, dat zulks overeenkomstig het op straf van nietigheid gegeven voorschrift van artikel 126 van laatstgenoemd wetboek is geschied op de wijze, voorgeschreven bij artikel 1 van de Wet van 17 juli 1911, Staatsblad 215; dat derhalve het eerste middel gegrond is, zodat het tweede middel geen bespreking behoeft; Vernietigt het bestreden arrest; Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heren Mrs. Feber, President, Kazemier, Loeff, Eijssen en de Meijere, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend, en door voornoemde President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de twintigste oktober 1900 vier en zestig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren, met uitzondering echter van de Raadsheer Kazemier, die verhinderd was geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn en dit arrest te ondertekenen, doch in tegenwoordigheid van de Raadsheer Westerouen van Meeteren en de Advocaat-Generaal Moons.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.