4 november 1964 v.D. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, (Derde Kamer) in de zaak no. 745 van: [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van een door de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam op 9 juni 1964 tussen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. C.H. Telders, advocaat bij de Hoge Raad, tegen Mr. Gijsbert van Hall, Burgemeester van de gemeente Amsterdam, wonende te Amsterdam, als zodanig deze Gemeente in rechte vertegenwoordigende en voor haar ter fine van onteigening optredende, verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. S.K. Martens, mede advocaat bij de Hoge Raad, en tegen en haar vennoten [medeverweerder 1] en [medeverweerder 2], beiden wonende te [woonplaats], mede- verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. W. Meijer, mede advocaat bij de Hoge Raad ; Gehoord de eiser tot cassatie en de verweerder in zijn voormelde hoedanigheid; Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakhoven namens de Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep in cassatie en tot veroordeling van eiser tot cassatie in de daarop gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden vonnis blijkt: dat de Burgemeester van Amsterdam - hierna als procespartij aan te duiden als de Gemeente - [medeverweerder 2] voornoemd en de rechtsvoorganger van [medeverweerder 1] voornoemd heeft gedagvaard en heeft gevorderd de onteigening in het belang van de volkshuisvesting van de percelen gelegen te Amsterdam, kadastraal bekend als […], van welke percelen de gedaagden als eigenaren zijn aangewezen; dat de Rechtbank bij tussenvonnis van 30 december 1958 een drietal deskundigen heeft benoemd, die hun op 16 januari 1963 uitgebracht rapport ter griffie hebben gedeponeerd; dat de Rechtbank vervolgens, na onder meer de eiser tot cassatie in hoedanigheid van pachter als tussenkomende partij in het geding te hebben toegelaten, bij tussenvonnissen van 26 maart 1963 en van 29 oktober 1963 aan deskundigen heeft opgedragen nader advies uit te brengen betreffende de aan eiser tot cassatie als pachter toekomende schadeloosstelling; dat de Rechtbank in haar bestreden eindvonnis dienaangaande heeft overwogen: "deze - thans eiser tot cassatie - oefende zijn bedrijf als één geheel uit op ongeveer 19,5 hectare door hem gepacht land van het onderhavige te onteigenen terrein en op ongeveer 24 hectare, welke hij gepacht had van de vennootschap onder firma "[A]" en van welke grond heden door deze Rechtbank en kamer eveneens de onteigening is uitgesproken in de zaak onder rolnummer 584209. Partijen hebben zich verenigd met de opvatting van deskundigen dat 40% van de totale aan interveniënt toekomende schadeloosstelling wegens inkomens-, liquidatie- en belastingschade moet worden gesteld op rekening van de onderhavige onteigening. De bedoelde totale schadeloosstelling wordt als volgt berekend: aan inkomensschade f 229.000, -- zoals door deskundigen in hun nader advies berekend; aan door deskundigen in hun eerste advies berekende en door niemand betwiste liquidatieschade f 11.000, --; tezamen derhalve f 240.000, -- waarop in mindering gebracht moet worden het belastingvoordeel van f 21.715, -- zodat blijft een schadeloosstelling deswege van f 218.285, --. Daarvan komt aan interveniënt in deze zaak derhalve toe 40 % of f 87 . 314 , -- . " ; dat de Rechtbank dienovereenkomstig de aan eiser tot cassatie toekomende schadeloosstelling heeft vastgesteld op f 87.314, -- in hoofdsom; Overwegende dat tegen voormelde beslissing der Rechtbank door eiser tot cassatie in zijn middel van cassatie wordt aangevoerd dat door de door de Rechtbank toegepaste toerekening van het belastingvoordeel het recht inzake onteigening is geschonden, en voorts: "Dit "belastingvoordeel" is de uitkomst van het vergelijken van de inkomstenbelasting verschuldigd over:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.