29 Mei 1964 Br. De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak nr. 9763 van [eiser] , assuradeur, wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van de arresten van 25 Januari 1962 en 2 Juli 1963, door het Gerechtshof te 'sHertogenbosch tussen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. A. G. Maris, advocaat bij den Hogen Raad, t e g e n [verweerster] , weduwe van [A] , wonende te [woonplaats] , verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. H. Willems , mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Procureur-Generaal, concluderend tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser tot cassatie in de daarop gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit de bestreden arresten en de gedingstukken blijkt: dat de eiser tot cassatie, [eiser] , de verweerster, [verweerster] , heeft gedaagd voor de Arrondisements-Rechtbank te Maastricht en heeft gevorderd haar veroordeling om mede te werken aan het passeren van de akte van eigendomsoverdracht van het woon- en winkelhuis met aanhorigheden, gelegen: Achter [a-straat 1] te [woonplaats] , zulks tegen gelijktijdige betaling door [eiser] van een koopsom van ƒ 46.000,--, te verminderen met het aan [eiser] van [verweerster] toekomende uit hoofde van een hypothecaire geldlening in hoofdsom groot ƒ 8.000,-- met de daarop verschenen rente ad 6% 's-jaars, zulks op grond dat blijkens akte van schuldbekentenis en hypotheekstelling, verleden voor notaris [notaris] te Eysden d.d. 25 November 1957 [verweerster] uit hoofde van ter leen ontvangen gelden aan [eiser] schuldig is de som van ƒ 8.000,--, rentende 5% 's jaars; dat bij deze akte door [verweerster] ten behoeve van [eiser] recht van (tweede) hypotheek is verleend op genoemd haar in eigendom toebehorend perceel en daarin voorts is bepaald, dat bij voorgenomen vervreemding van het onroerend goed, waaronder mede begrepen aangekondigde publieke verkoping ingevolge gelegd beslag of krachtens artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek door een ander dan [eiser] , de hoofdsom van de geldlening, of het restant daarvan, met de rente daarvoor, onmiddellijk opeisbaar wordt, en in datzelfde geval aan [eiser] onherroepelijk het recht toekomt het onroerend goed te kopen voor den prijs van ƒ 46.000,--; dat in ‘’De Nieuwe Limburger’’ van 20 December 1958, notaris [notaris] te Eysden tegen 6 Januari 1959 den publieken verkoop krachtens artikel 1223, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek aankondigde van genoemd onroerend goed; dat [eiser] bij aangetekend schrijven d.d. 20 December 1958 aan [verweerster] heeft medegedeeld, dat hij van het hem bij de akte van 25 November 1957 verleende recht gebruik wenst te maken en [verweerster] heeft opgeroepen om op 31 December 1958 des voormiddags te 11 uur te verschijnen ten kantore van notaris [notaris] te Eysden ter verlijding van de koopacte; dat [verweerster] aan deze oproeping geen gevolg gegeven heeft; dat [verweerster] tegen deze vordering verweer heeft gevoerd, daarbij onder meer stellend dat het door haar van [eiser] ter leen ontvangen bedrag niet ƒ 8.000,-- maar ongeveer ƒ 7.000,-- bedroeg, en zij voorts heeft aangevoerd dat de overeenkomst van geldlening, althans het beding waarbij aan [eiser] een kooprecht was toegekend, een ongeoorloofde oorzaak had als tot stand gekomen door misbruik van omstandigheden, door [eiser] gepleegd, op grond waarvan zij in reconventie concludeerde tot vernietiging van die overeenkomst althans van bedoeld beding; dat de Rechtbank te Maastricht bij vonnis van 22 September 1960 onder meer heeft overwogen, dat [verweerster] ‘’vooreerst heeft gesteld, dat de in voormelde notariële akte neergelegde overeenkomst een ongeoorloofde oorzaak heeft, immers is tot stand gekomen onder ‘’undue influence’’, dan wel misbruik van omstandigheden zijdens [eiser] , op welke gronden zij tevens in reconventie nietigverklaring dier overeenkomst heeft gevorderd; dat [verweerster] vooreerst heeft verwezen naar de inhoud dier acte en met name naar het daarin opgenomen beding van het recht van aankoop door [eiser] van de bezwaarde onroerende goederen voor de prijs van ƒ 46.000,--; dat ten deze, nu tussen partijen in confesso is, dat ten tijde van het verlijden der acte die goederen bij twee afzonderlijke schattingen telkens waren geschat op een waarde van ƒ 50.000,--, in verband met transportkosten een koopsom van ƒ 46.000,-- niet als onevenredig laag is aan te merken; dat [verweerster] weliswaar heeft aangevoerd, dat zij later een bod van ƒ 95.000,-- voor die goederen heeft gekregen doch dat, wat daarvan zij, zulks ten deze irrelevant is waar de vraag, of een ongeoorloofde oorzaak aanwezig is geweest, moet worden beantwoord aan de hand van de toestand ten tijde van het aangaan dier overeenkomst’’; dat de Rechtbank vervolgens heeft betwist, dat op [verweerster] de bewijslast rustte dat zij niet ƒ 8.000,-- maar ƒ 7.000,-- van [eiser] ter leen had ontvangen, en haar tot het bewijs daarvan heeft toegelaten; dat nadat [verweerster] van het doen horen van getuigen had afgezien, de Rb. bij vonnis van 25 Mei 1961 in conventie de vordering van [eiser] heeft toegewezen en in reconventie aan [verweerster] haar vordering heeft ontzegd; dat zij daartoe, na te hebben vastgesteld dat, nu [verweerster] niet heeft bewezen dat zij slechts ƒ 7.000,-- ter leen heeft ontvangen, vaststaat dat de leenschuld ƒ 8.000,-- bedroeg, omtrent het beroep van [verweerster] op ‘’undue influence’’ van de zijde van [eiser] nader heeft overwogen: ‘’dat dit beroep moet worden verworpen, reeds aanstonds omdat — mede nu in rechte is komen vast te staan, dat [verweerster] het gehele bedrag van ƒ 8.000,--, waarvan [eiser] terugbetaling vordert, van hem ter leen heeft ontvangen en tevens, zoals in voormeld tussenvonnis reeds is overwogen, de door [eiser] bedongen prijs, waarvoor hij onder de in de akte van 25 November 1957 gestelde voorwaarde bij voorkeursrecht het met hypotheek belaste onroerend goed van [verweerster] van haar kon kopen, niet als onevenredig laag is aan te merken — ten deze niet kan worden gezegd, dat door die overeenkomst aan [verweerster] zo evident nadeel wordt berokkend, dat ieders rechtvaardigheidsgevoel daartegen in opstand komt; dat daarnaast de door [verweerster] gestelde, door [eiser] voor het merendeel betwiste feiten, welke zij opgeeft als omstandigheden, waaronder voormelde akte is tot stand gekomen, tot staving van haar stelling, dat [eiser] bij het aangaan der litigieuze overeenkomst misbruik van omstandigheden heeft gemaakt — indien die feiten al in rechte zouden komen vast te staan en indien daarbij zou blijken, dat zij als omstandigheden ten aanzien van die overeenkomst zijn aan te merken — naar het oordeel der Rechtbank zodanig misbruik niet opleveren; dat [verweerster] ten deze onder meer heeft gesteld, dat zij in een overspannen toestand zou hebben verkeerd ten tijde van het tekenen der litigieuze akte — waarbij zij zich beroept op een tweetal verklaringen van de arts [arts] te [woonplaats] , door haar in het geding gebracht en waarvan de eerste inhoudt, dat [verweerster] van September 1957 tot December 1957 in volkomen overspannen toestand was, en de tweede, dat zij in 1957 meerdere malen geestelijk overspannen is geweest, zodat zij niet in staat was om wettelijke dingen te tekenen en dat dit ook bleek aan de mensen, die met haar in contact stonden — doch dat daarbij opvalt, dat [verweerster] niet aantast de akte van eerste hypotheek, die, zoals tussen partijen in confesso is, eveneens op 25 November 1957 door haar is getekend; dat voorts, voor zover [verweerster] zich erop wil beroepen, dat haar toestemming tot de inhoud van de akte werd gegeven in een toestand van geestelijke gestoordheid, zulks niet aan de rechtskracht dier akte vermag af te doen, nu zij niet heeft gesteld, dat [eiser] zulks wist, althans moest weten, daar hij buiten dat geval mocht afgaan op de uiterlijke schijn, dat zij de inhoud dier akte begreep en daaromtrent haar wil heeft bepaald; dat zulks temeer klemt, nu [verweerster] , gelijk tussen partijen in confesso is, ten aanzien van het in die akte voorkomend haar belastend beding, houdende dat [eiser] nog gedurende twintig jaren na terugbetaling der geleende gelden zijn voorkeursrecht op de bij die akte hypothecair verbonden goederen van [verweerster] zou kunnen doen gelden onder de daar vermelde omstandigheden, alvorens te tekenen heeft bedongen, dat die termijn op tien jaren werd teruggebracht’’; dat [verweerster] van beide vonnissen der Rechtbank in hoger beroep is gekomen bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarna zij bij akte ter rolle verandering van haar eis heeft verzocht in dien zin dat in de formulering van haar eis in reconventie wordt ingevoegd ‘’immers [verweerster] tot deze overeenkomst van hypotheekverlening met het daarin opgenomen optierecht is bewogen geworden door [eiser] door de onbehoorlijke invloed van deze op [verweerster] uitgeoefend, daarbij misbruik makend van haar geestelijke gesteldheid, waarmee hij op de hoogte was en [verweerster] zonder die onbehoorlijke beïnvloeding niet tot bovengemelde rechtshandelingen zou zijn overgegaan’’, welke verandering het Hof heeft toegestaan; dat [verweerster] voorts bij memorie van grieven tegen het tussenvonnis een grief heeft opgeworpen, terwijl zij wat het eindvonnis betrof, onder verwijzing naar de gedane verandering van eis, aanbood te bewijzen dat zij tot de op 25 November 1957 met [eiser] gesloten overeenkomst is bewogen door den onbehoorlijken invloed van [eiser] op haar, waarbij hij misbruik maakte van haar geestelijke gesteldheid, welke hij kende, en zij zonder dien onbehoorlijken invloed niet tot deze rechtshandeling zou zijn overgegaan; dat het Hof bij het bestreden arrest van 25 Januari 1962 het vonnis der Rechtbank van 22 September 1960 heeft bevestigd en voorts [verweerster] heeft toegelaten door middel van getuigen te bewijzen zodanige feiten en omstandigheden waaruit kan blijken, dat [eiser] , op de hoogte van de geestelijke gesteldheid van [verweerster] en daarvan misbruik makend, [verweerster] door onbehoorlijken invloed op haar uit te oefenen heeft bewogen tot het aangaan van de overeenkomst van schuldbekentenis en hypotheekverlening met het daarin opgenomen optierecht, als vermeld in de op 25 November 1957 voor notaris [notaris] te Eysden verleden akte en zij zonder die onbehoorlijke beïnvloeding niet tot bovenvermelde rechtshandelingen zou zijn overgegaan; dat het Hof daartoe heeft overwogen: ‘’dat het Hof de door [verweerster] tegen het beroepen tussenvonnis opgeworpen grief ongegrond acht; ‘’dat blijkens de bij conclusie van repliek in prima overgelegde fotocopie van de grosse der op 25 November 1957 verleden akte van schuldbekentenis en hypotheekstelling partijen zijn overeengekomen, dat voor het geval [verweerster] tot vervreemding van het onroerend goed wenst over te gaan, waaronder mede begrepen aangekondigde publieke verkoping ingevolge gelegd beslag of krachtens artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek door een ander dan [eiser] , zij nu voor alsdan en onherroepelijk aan [eiser] het recht verleent en wel gedurende 10 jaren daarna het hogervermelde onroerend goed te kopen voor een koopprijs groot: zes en veertig duizend gulden; ‘’dat, waar blijkens bij conclusie van repliek in prima overgelegde fotocopie van het dagblad ‘’De Nieuwe Limburger’’ d.d. 20 December 1958 ten verzoeke van de eerste hypotheekhouder de publieke verkoop van het onroerend goed is aangekondigd ingevolge artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek het aan [eiser] verleende optierecht in werking trad, en het mitsdien niet ter zake doet, of deze aangekondigde executie nadien werd afgelast; ‘’dat evenmin in de bovenaangehaalde bepaling van de akte van 25 November 1957 is te lezen, dat het optierecht eerst van kracht zou zijn na aanzegging van verkoop ex artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek, gevolgd door executie; ‘’dat het beroepen tussenvonnis mitsdien moet worden bevestigd; ‘’dat [verweerster] tegen het eindvonnis in wezen geen grieven heeft ingebracht, doch heeft verzocht in de gelegenheid te worden gesteld door getuigen te bewijzen, dat zij door onbehoorlijke beïnvloeding door [eiser] is bewogen tot het aangaan van meergenoemde overeenkomst van hypotheekverlening, die daarbij misbruik heeft gemaakt van haar geestelijke gesteldheid, waarmede [eiser] op de hoogte was en zij zonder die onbehoorlijke beïnvloeding niet tot bovengenoemde rechtshandelingen zou zijn overgegaan; ‘’dat het Hof termen aanwezig vindt [verweerster] tot dit bewijs door getuigen toe te laten, nu dit bewijs niet door de wet is uitgesloten en de te bewijzen aangeboden feiten tot nietigverklaring althans vernietiging van de overeenkomst kunnen leiden’’; dat tenslotte, na gehouden getuigenverhoren, het Hof bij het bestreden arrest van 2 Juli 1963 het vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 25 Mei 1961 heeft vernietigd, aan [eiser] zijn vorderingen heeft ontzegd en de in de op 25 November 1957 tussen partijen gesloten akte opgenomen optie-clausule heeft nietig verklaard, na te hebben overwogen: ‘’dat de beslissing van het geding zowel in conventie als in reconventie nog uitsluitend afhangt van het antwoord op de vraag of [verweerster] is geslaagd in het bewijs, waartoe zij bij dat arrest werd toegelaten; ‘’dat het Hof deze vraag bevestigend beantwoordt; ‘’dat het Hof allereerst door de verklaringen der getuigen [getuige 1] , arts [arts] en [getuige 2] , welke in dit opzicht niet door andere verklaringen zijn ontzenuwd, bewezen acht, dat [verweerster] zich in de maanden, voorafgaande aan en tijdens het aangaan van de litigieuze overeenkomst bevond in een zeer depressieven en geestelijk labielen toestand, zéér weinig begrip van zaken had en gemakkelijk beïnvloedbaar was; ‘’dat uit de verklaring van den getuige [getuige 2] , die een alleszins betrouwbaren indruk maakte en die geen enkel belang bij de onderhavige zaak heeft, is gebleken, dat in die maanden één van de grootste zorgen, die [verweerster] bezig hield, deze was, haar huis te kunnen behouden ondanks de dreiging van executie daarvan door schuldeisers, voor wie zij geen liquide middelen ter beschikking had, en dat [eiser] in de maanden, voorafgaande aan het passeren van de litigieuze akte, zéér veel en regelmatig contact met [verweerster] had, als gevolg waarvan [verweerster] de stellige overtuiging had gekregen, dat slechts [eiser] haar kon redden in dien zin, dat hij het behoud van haar huis door het verschaffen van de nodige geldmiddelen kon verzekeren, en [verweerster] in dit opzicht geheel onder invloed van [eiser] , die op den duur het huis bij haar plat liep, was gekomen; ‘’dat daaruit volgt, dat [eiser] op de hoogte van de geestelijke gesteldheid was van [verweerster] , hetgeen wordt bevestigd door de verklaring van den getuige [getuige 1] , die uit [eiser] mond vernam, dat hij de zaak van zijn leven had gedaan door van [verweerster] het litigieuze optierecht te bedingen, terwijl hij er vast op rekende, daarvan een spoedig gebruik te zullen kunnen maken, zulks terwijl hij, naar uit de verklaring van den getuige [getuige 2] blijkt, moet hebben geweten en begrepen ingevolge zijn intensieve contact met [verweerster] , dat haar voornaamste beweegreden tot het aangaan van de litigieuze overeenkomst juist had bestaan in haar verlangen om het huis te kunnen behouden en haar overtuiging, dat zij door die overeenkomst dat doel had bereikt; ‘’dat [eiser] ook aan getuige [getuige 1] mededeelde, dat [verweerster] geen begrip en verstand van zaken had; ‘’dat uit dit alles volgt, dat [eiser] , bekend met de geestelijke gesteldheid van [verweerster] en daarvan misbruik makend, door onbehoorlijken invloed op haar uit te oefenen [verweerster] tot het aangaan van het litigieuze optierecht heeft bewogen; ‘’dat die invloed onbehoorlijk was en het gebruik maken van de geestelijke gesteldheid van [verweerster] misbruik was, omdat [eiser] daardoor [verweerster] bewoog, om hem een onverplicht voordeel in den vorm van een nog lange jaren geldend optierecht voor een vasten prijs, waarvan [eiser] verwachtte, dat het spoedig realiseerbaar zou worden, te verlenen, zulks geheel in strijd met hetgeen [verweerster] zelf bedoelde te bereiken en meende door de overeenkomst bereikt te hebben, te weten het behoud van het huis voor zichzelf; ‘’dat uit de verklaring van den getuige [getuige 2] nog blijkt, dat [verweerster] op den dag, waarop de litigieuze akte is gepasseerd, geheel onverwachts door [eiser] naar den notaris is medegenomen zonder dat zij wist, welke overeenkomsten zij daar zou aangaan, hetgeen te meer bevestigt, dat zij onder invloed van [eiser] handelde; ‘’dat uit al het bovenstaande tevens blijkt, dat [verweerster] zonder de onbehoorlijke beïnvloeding door [eiser] hem het litigieuze optierecht niet zou hebben verleend, vermits het geheel in strijd was met hetgeen zij nastreefde; ‘’dat de verklaringen der in contra-enquete gehoorde getuigen het geleverde bewijs niet aantasten; ‘’dat de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] niets ter zake hebben verklaard, daar zij met de verhouding tussen partijen niet bekend waren; ‘’dat de getuige [notaris] in zoverre het door [verweerster] geleverde bewijs aanvulde, dat hij bevestigde, dat de inhoud der litigieuze akte hem door [eiser] alleen was opgegeven en [verweerster] daarmede tot op den dag van het passeren onbekend was; ‘’dat deze getuige nu wel verklaarde, dat hij [verweerster] de akte, waarin opgenomen het optiebeding, langzaam heeft voorgelezen en de betekenis daarvan heeft uitgelegd, doch uit de verklaring van den getuige [getuige 2] blijkt, dat zij desondanks van die betekenis geen juist begrip heeft gekregen, hetgeen ook niet te verwonderen valt, gezien haar zakelijk onbegrip en haar depressieven toestand; ‘’dat trouwens uit de verklaring van getuige [notaris] geen aanwijzing valt te putten, waaruit zou kunnen worden afgeleid, dat [verweerster] niet onder onbehoorlijken invloed van [eiser] tengevolge van haar geestesgesteldheid hem het onderhavige optierecht heeft verleend, zelfs al zou zij tijdens het passeren van de akte begrepen hebben dat zij zulks deed; ‘’dat het Hof mitsdien bewezen acht, dat het geding van het optierecht door ‘’undue influence’’ door [eiser] is verkregen; ‘’dat daaruit volgt, dat dit beding nietig is en mitsdien, met vernietiging van het beroepen eindvonnis, aan [verweerster] haar subsidiaire reconventionele vordering moet worden toegewezen, zijnde voor toewijzing van de primaire vordering tot nietigverklaring van de gehele tussen pp. aangegane overeenkomst van geldlening met hypotheekstelling geen gronden gebleken, en aan [eiser] zijn conventionele vordering moet worden ontzegd met veroordeling van [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in beide instantiën’’; Overwegende dat [eiser] de beide arresten van het Hof bestrijdt met het volgende middel van cassatie: ‘’Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder de artikelen 1208, 1210, 1223, 1224, 1242, 1251, 1269, 1271, 1289, 1299, 1300, 1304, 1305, 1349, 1350, 1355, 1356, 1357, 1358, 1359, 1360, 1361, 1362, 1364, 1371, 1373, 1374, 1375, 1377, 1401, 1402, 1403, 1493, 1494, 1495, 1501, 1502, 1509, 1510, 1549, 1902, 1903 en 1907 van het Burgerlijk Wetboek, 46, 48, 59, 103, 104, 199, 200, 200A, 250, 251, 252, 253, 332, 336, 337, 339, 343, 347, 348, 349 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet, door in deze zaak te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormelde arresten is omschreven, ten onrechte,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.