10 december 1965 v.S. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, in de zaak nr. 9884 van [eiseres] , echtgenote van [de echtgenoot] , wonende te [plaats] , eiseres tot cassatie van een door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch tussen partijen gewezen arrest van 24 november 1964, vertegenwoordigd door mr. L.D. Pels Rijcken, advocaat bij de Hoge Raad; tegen de naamloze vennootschap Bierbrouwerij "De Drie Hoefijzers" N.V., gevestigd te Breda, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door mr. D.J. Veegens, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten, namens de Procureur-Generaal, in zijn conclusie, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest, tot verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot het geven met betrekking tot de kosten van het geding in cassatie van zodanige uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest en uit de gedingstukken blijkt: dat de verweerster in cassatie - verder te noemen De Drie Hoefijzers - bij dagvaarding van 19 maart 1963 de eiseres - [eiseres] - heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Maastricht, en heeft gesteld: dat bij akte op 17 april 1958 verleden voor notaris [...] te Wittem "De Drie Hoefijzers" ven [betrokkene 1] , toen echtgenoot van [eiseres] , heeft bedongen een vierde hypotheek voor de betaling van onder meer f 3.000, -- op het te Mechelen gelegen pand, waarin [betrokkene 1] een café exploiteerde, welk pand behoorde tot de toen tussen [betrokkene 1] en [eiseres] bestaande huwelijksgemeenschap; dat in deze akte waren opgenomen de navolgende bepalingen betreffende de verplichting van [betrokkene 1] bier van De Drie Hoefijzers te verkopen en wat daarmede samenhangt, door partijen aangeduid als bierafnameverplichting: "Voorts verklaarde de comparant [betrokkene 1] nog met de Bierbrouwerij te zijn overeengekomen: 1. dat hij verplicht is, om zolang hij eigenaar is van voormelde onroerende zaken, hetzij hij daarin zelf koffiehuizen of bierbottelarijen exploiteert, hetzij door een ander, in die koffiehuizen of bierbottelarijen en in andere door hem geëxploiteerde of nog te exploiteren koffiehuizen of bierbottelarijen met aanhorigheden, geen ander bier te verkopen of voorhanden te hebben zonder schriftelijke toestemming van de Bierbrouwerij dan het bier afkomstig uit de Bierbrouwerij en ter keuze van deze rechtstreeks door haar tegen de bij haar gebruikelijke prijzen tegen contante betaling geleverd ofwel door tussenkomst van een door de Bierbrouwerij aangewezen wederverkoper, en wel op verbeurte ener boete van een honderd gulden voor elke overtreding en voor elke dag, dat een overtreding voortduurt, ten behoeve van de Bierbrouwerij. Onder gelijk beding en onder verbeurte van dezelfde boeten zal de schuldenaar verplicht zijn de in voornoemde onroerende zaken en eventueel andere door hem geëxploiteerde of nog te exploiteren panden benodigde limonadedranken eveneens uitsluitend van de Bierbrouwerij te betrekken of te doen betrekken; 3. dat de onderzetter met inachtneming van het hierna speciaal sub c bepaalde aan degenen, aan wie hij de voormelde verbonden zaken of de andere koffiehuizen of bierbottelarijen of een gedeelte daarvan in gebruik en genot afstaat, hetzij onder de titel van huur, hetzij onder welke andere titel ook, gelijke verplichtingen jegens de Bierbrouwerij op moet leggen, als hierboven sub 1, 2 en 2 A door hem op zich zijn genomen. 4. dat de onderzetter bij eventuele overdracht van de verbonden zaken of van de andere koffiehuizen of bierbottelarijen of van een gedeelte daarvan, onder welke vorm ook, op de nieuwe verkrijgers de verplichtingen moet overbrengen ten behoeve van de Bierbrouwerij, welke voor hem sub 1 tot en met 4 zijn omschreven; 5. dat de verplichtingen sub 1 tot en met 4 slechts zullen gelden, totdat het door de onderzetter verschuldigde met renten en kosten, alsmede boeten zal zijn afgelost en betaald, en de Bierbrouwerij voorts niets meer uit welken hoofde ook van hem onderzetter te vorderen heeft, en geen borgstellingen of verbintenissen als hoofdelijk medeschuldenares door de Bierbrouwerij voor of met de onderzetter lopen, echter met dien verstande, dat ongeacht deze bepaling, de verplichtingen sub 1 tot en met 4 in elk geval zullen gelden tot en met de dertigste april 1983; 7. dat bij niet-nakoming van een of meer der bepalingen sub 3, 4 en 6 omschreven, de onderzetter telkens ten behoeve van de Bierbrouwerij een boete zal verbeuren van een duizend gulden, zulks voor iedere overtreding en onverminderd de aansprakelijkheid van de onderzetter bij overtreding van de in deze akte gestipuleerde bedingen door de desbetreffende opvolger of verkrijger. dat bij het overlijden van [betrokkene 1] op 8 maart 1959 [eiseres] , de enige erfgename, die de nalatenschap niet verwierp, hem in al zijn rechten en verplichtingen is opgevolgd en sindsdien tot op heden eigenares is van voormeld pand, waarin steeds het café is geëxploiteerd; dat sedert begin december 1962 het voor dit café benodigde bier niet meer wordt betrokken van De Drie Hoefijzers, maar van Brands' Brouwerij te Wylré; op welke gronden De Drie Hoefijzers heeft gevorderd [eiseres] te veroordelen om over de periode van 1 januari 1963 tot genoemde dag der dagvaarding, zijnde 63 dagen, aan haar een boete te betalen van 63 X f 100, -- , zijnde f 6.300, -- , voorts [eiseres] te gelasten om aanstonds bedoeld beding met alle daarbij behorende bepalingen stipt in acht te nemen en mitsdien om onmiddellijk het kopen, het ten verkoop aanbieden en het verkopen van ander bier en andere limonadedranken dan afkomstig uit de brouwerij van De Drie Hoefijzers te staken, op straffe van een dwangsom van f 100, -- voor elke dag dat [eiseres] zich niet aan dit bevel houdt ; dat de Rechtbank bij vonnis van 13 februari 1964 [eiseres] heeft veroordeeld tot voormelde betaling van f 6.300, -- en haar heeft gelast om aanstonds bedoeld beding met alle daarbij behorende bepalingen stipt in acht te nemen en mitsdien om onmiddellijk het kopen, het ten verkoop aanbieden en het verkopen van ander bier en andere limonadedranken dan afkomstig uit de brouwerij van De Drie Hoefijzers te staken op straffe van een dwangsom van f 100, -- voor elke dag dat [eiseres] zich niet aan dit bevel houdt, zulks na, voor zover thans nog van belang, te hebben overwogen: "dat [eiseres] zich heeft beroepen op nietigheid der gehele hypotheekovereenkomst met nevenbedingen, althans van die nevenbedingen, als zijnde volgens haar in strijd met de goede zeden, waar in casu, nu tegenover een geldlening van slechts f 5.000, -- tegen 7,5% een verplichting stond tot bierafname gedurende 25 jaren, van een wanverhouding tussen de wederzijdse prestaties gesproken moet worden; "dat onevenredigheid tussen de wederzijdse prestaties zonder meer nog geen nietigheid der overeenkomst medebrengt en de Rechtbank, wel willend aannemende dat een termijn van 25 jaren, zoals De Drie Hoefijzers ook niet heeft bestreden, afwijkt van die welke bij overeenkomsten als de onderhavige gebruikelijk zijn, doch overigens van oordeel zijnde, dat een bierafnameverplichting als in casu door [betrokkene 1] op zich genomen niet onder alle omstandigheden zó bezwarend behoeft te zijn, als [eiseres] het wil doen voorkomen, nietigheid der overeenkomst op die grond dan ook niet aanneemt, afgezien nog ervan dat, zoals niet in geschil is, [betrokkene 1] ten tijde van het aangaan der litigieuse overeenkomst uit hoofde van vroegere geldleningen nog een bedrag van ruim f 3.500, -- aan De Drie Hoefijzers schuldig was, waarbij de Rechtbank, als zijnde naar haar oordeel ten dezen niet beslissend, buiten beschouwing laat in welke mate De Drie Hoefijzers in het verleden geldleningen en credieten heeft verschaft en of de bij de onderhavige overeenkomst bedongen vierde hypotheek De Drie Hoefijzers voldoende zekerheid verschafte, waaromtrent partijen van mening verschillen; "dat [eiseres] zich echter ook erop heeft beroepen, dat de ten processe bedoelde overeenkomst tot stand zou zijn gekomen onder misbruik zijdens De Drie Hoefijzers van omstandigheden waaronder [betrokkene 1] verkeerde, doordat namelijk De Drie Hoefijzers haar geestelijk overwicht zou hebben doen gelden jegens [betrokkene 1] die lichamelijk en geestelijk ziek en onervaren was en voorts bevreesd was, dat hij zijn normale leverancierscrediet zou missen; "dat echter tegenover de betwisting door De Drie Hoefijzers van een en ander, [eiseres] geen feiten heeft gesteld, veel minder te bewijzen heeft aangeboden, waaruit van dat doen gelden van haar geestelijk overwicht door De Drie Hoefijzers zou kunnen blijken, gelijk [eiseres] tegenover de betwisting door De Drie Hoefijzers evenmin te bewijzen heeft aangeboden, dat [betrokkene 1] lichamelijk en geestelijk ziek was, zodanig dat hij niet in staat moest worden geacht tot een juiste waardering van de bij de overeenkomst betrokken belangen of tot een handelen in overeenstemming met die belangen, terwijl [eiseres] niet eens gesteld heeft, dat zulks voor De Drie Hoefijzers kenbaar zou zijn geweest; "dat, waar niet in geschil is, dat [betrokkene 1] reeds in 1951 een bierafnameverplichting tegenover De Drie Hoefijzers op zich had genomen - welke verplichting in 1957 geëindigd was - veeleer van ervarenheid dan van onervarenheid van [betrokkene 1] gesproken moet worden; "dat, indien ook al [betrokkene 1] wellicht bevreesd zou zijn geweest, dat hij, wanneer hij de overeenkomst niet aanging, geen crediet meer zou verkrijgen, daarin alleen nog geen reden zou zijn gelegen om tot misbruik van omstandigheden als voorschreven te besluiten;" dat op het door [eiseres] tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch dit vonnis bij arrest van 24 november 1964 heeft bekrachtigd, na te hebben overwogen: 1. dat [eiseres] als eerste grief heeft aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist, dat naar de inhoud van het "bierafnamebeding" de verplichtingen daaruit na de dood van [betrokkene 1] overgingen op diens erfgenamen ; 2a. "dat deze grief verworpen moet worden; b. dat immers, naar het oordeel van het Hof, noch uit de inhoud, noch uit de aard van het beding valt af te leiden, dat het beding zou betreffen een hoogst persoonlijke verplichting van [betrokkene 1] ; c. dat zulks volgt uit het feit dat blijkens de bepalingen van het beding de "bierafnameverplichting" blijft bestaan ingeval een ander het café zou exploiteren en die bepalingen sub 3, 4 en 6 een zogenaamd kettingbeding bevatten zakelijk inhoudende onder meer dat, wanneer een ander het verbonden pand of andere onder het beding vallende café's onder bijzondere titel verkrijgt, de hypotheekgever de "bierafnameverplichting" aan deze ander moet opleggen, alsook uit het feit, dat zonder enige beperking is bepaald, dat de bedoelde verplichting in elk geval zal gelden tot en met 30 april 1983; d. dat weliswaar de bepalingen, waarin het "bierafnamebeding" in de akte is omschreven, aanvangen met de woorden "dat hij verplicht is om zolang hij eigenaar is .... ", doch hiermede kennelijk wordt aangeduid, dat de verplichting voor [betrokkene 1] - en daarmede ook voor diens rechtsopvolgers onder algemene titel - slechts geldt zolang de eigendom niet onder bijzondere titel aan een ander is overgegaan, in welk geval het zogenaamd kettingbeding werkt; e. dat de bepalingen aldus conform het bepaalde bij artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek in derzelver verband genomen en de een door de ander uitgelegd duidelijk zijn en artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek geen toepassing kan vinden; f. dat [eiseres] wel nog stelt, dat tussen partijen geen wilsovereenstemming heeft bestaan over het overgaan der verplichting op de erven, omdat [betrokkene 1] het beding niet zo begrepen heeft en het zo niet heeft kunnen begrijpen, doch, nu niet blijkt, dat partijen het tegendeel bedongen hebben, overgang van rechten en plichten van de erflater op diens erven van rechtswege plaats heeft; 3. " dat [eiseres] 's tweede grief inhoudt, dat de Rechtbank ten onrechte beslist heeft, dat een "bierafnamebeding" met een inhoud als hier door haar aangenomen niet nietig is wegens strijd met de goede zeden; 4a. "dat [eiseres] hierbij over het hoofd ziet, dat, naar tussen partijen als erkend vaststaat, de looptijd van het beding van 25 jaar op 12 jaar werd teruggebracht; b. dat, wat er van deze laatste termijn zij, het beding in ieder geval geacht moet worden te gelden voor een periode, welke niet in strijd is met de goede zeden en niet gesteld of gebleken is, dat thans reeds het einde van zulk een periode bereikt zou zijn; c. dat deze grief derhalve verworpen moet worden; d. dat overigens het "bierafnamebeding" niet zonder meer nadelig was voor [betrokkene 1] , zoals [eiseres] stelt, daar de overeenkomst een crediet voor hem opende en dit beding hem de mogelijkheid liet als caféhouder een normale winst te maken, zijnde niet gesteld of gebleken, dat de door De Drie Hoefijzers berekende prijzen een lagere winstmarge overlieten, dan die van andere brouwerijen; 5a. "dat zelfs al zou de overeenkomst nadelig geweest zijn voor [betrokkene 1] , dit slechts één der factoren kan vormen, die - naast alle andere omstandigheden, welke bij het aangaan van de overeenkomst een rol gespeeld hebben - bepalen of de overeenkomst is aangegaan uit een oorzaak, welke strijdt met de goede zeden; b. dat het feit dat [eiseres] met zijn echtgenote stonden tegenover de brouwerij met haar juristen en haar notaris, nog niet medebrengt, dat zijdens de brouwerij misbruik van omstandigheden is gemaakt, terwijl van het echtpaar [betrokkene 1] toch verwacht mocht worden, dat het zich behoorlijk van de aan te gane verplichtingen op de hoogte zou stellen of zich zo nodig door deskundigen zou laten raden; c . dat zijdens [eiseres] is overgelegd een schrijven d.d. 13 maart 1964 van de zenuwarts [...] , waarin deze tot slot verklaart: "Evenmin kan geponeerd worden, dat de verminderde geestelijke capaciteit van [betrokkene 1] kenbaar moet zijn geweest voor wie zakelijk met hem handelde; wel zal een zekere geremdheid en overbezorgdheid mogelijk opgevallen zijn"; d. dat hieruit, noch uit de verdere inhoud van gemeld schrijven kan volgen, dat [betrokkene 1] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een geestelijk wrak was, zoals [eiseres] stelt, noch dat dit aan de wederpartij kenbaar was; e. dat ook al zou aan bezorgers en agenten van De Drie Hoefijzers "natuurlijk" bekend geweest moeten zijn, dat [betrokkene 1] aan bewustzijnsstoornissen leed, in het ziekenhuis te Heerlen was opgenomen en daarna onder poliklinische controle bleef, gelijk [eiseres] aanvoert, dit dan nog niet medebrengt, dat [betrokkene 1] ten tijde van het aangaan der overeenkomst voor De Drie Hoefijzers kenbaar slechts in verminderde mate of geheel niet in staat was zijn wil te bepalen; f. dat dan ook De Drie Hoefijzers mocht aannemen, dat de door [betrokkene 1] ondertekende akte diens bewuste wilsuiting bevatte; 6. " dat derhalve falen zowel de derde, als de vierde, en de vijfde grief inhoudende, dat de Rechtbank ten onrechte besliste dat er in casu geen sprake is van nietigheid der gestelde overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden, door De Drie Hoefijzers gepleegd, dat er geen sprake was van afwezigheid van wilsovereenstemming bij [betrokkene 1] en dat [eiseres] 's beroep op dwaling bij [betrokkene 1] verworpen moet worden"; Overwegende dat [eiseres] tegen dit arrest is opgekomen met het navolgende middel van cassatie: "Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, een en ander in het bijzonder als vervat in de artikelen: 501, 502, 1208, 1216, 1217, 1219, 1221, 1269, 1270, 1275, 1278, 1283, 1285, 1349, 1350, 1351, 1354, 1355, 1356, 1365, 1366, 1367, 1371, 1372, 1373, 1374, 1375, 1376, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 14 der Wet houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving van het Koninkrijk, 48, 59, 134, 343, 347, 348, 349, 353, 611ª en 611ᵇ van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 175 der Grondwet, 20 en 69 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie; doordien het Hof op de in zijn arrest vervatte gronden, welke geacht moeten worden te dezer plaatse woordelijk te zijn ingelast, heeft bevestigd het beroepen vonnis van de Rechtbank, waarbij de in prima door De Drie Hoefijzers tegen [eiseres] ingestelde vorderingen waren toegewezen in voege als in het dictum van voormeld vonnis is vermeld, ten onrechte immers:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.