5 november 1965 Br DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, in de zaak nr 9879 van [eiser] , wonende te [plaats] , eiser tot cassatie van twee arresten, door het Gerechtshof te 's-Gravenhage tussen partijen gewezen, van 30 januari 1964 en van 22 oktober 1964, vertegenwoordigd door Mr. Philip C.M. van der Ven, advocaat bij de Hoge Raad, tegen [verweerster] , echtgenote van [de echtgenoot] , wonende te [plaats] en te [plaats] een bedrijf uitoefenende onder de naam "Algemeen Verkoopkantoor van Tulsa Producten", verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. R.F. Foortse, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de waarnemend Advocaat-Generaal Minkenhof, namens de Procureur-Generaal, concluderend tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de eiser in de kosten op de cassatie gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit de bestreden arresten blijkt: dat verweerster in cassatie, verder te noemen [verweerster] , tegen eiser tot cassatie, [eiser] , voor de Arrondissements- Rechtbank te 's-Gravenhage heeft ingesteld een vordering tot betaling van f 3.450, -- , als grondslag daardoor stellende : dat partijen op of omstreeks 20 oktober 1956 zijn overeengekomen gelijk is omschreven in het op die datum getekende contract; dat [eiser] volgens artikel 6 van genoemd contract van [verweerster] heeft gekocht, gelijk deze aan hem heeft verkocht diverse soorten, naar de keuze van [eiser] te bepalen, oliën en vetten, tegen de prijs van f 1,25 per liter, en wel in een jaarlijkse hoeveelheid van minimaal 800 liter; dat [eiser] echter tot op heden weigert mede te delen welke soort olie of vet hij verlangt; casu quo weigert iets af te nemen; dat [verweerster] derhalve, levering aanbiedende, van [eiser] betaling vermag te vorderen van de tot op 20 april 1959 verkochte 2.000 liter olie of vet ad f 1,25 per liter is f 2.500, --; dat [eiser] voorts op grond van artikel 15 van voormeld contract en op grond van de voormelde weigering olie af te nemen aan [verweerster] schuldig is voor boete de somma van f 500, --; dat tenslotte volgens artikel 20 van genoemd contract alle buitengerechtelijke incassokosten, welke [verweerster] moet maken en welke volgens de verkoopvoorwaarden van [verweerster] zijn te stellen op 15%, voor rekening van [eiser] komen; dat ondanks aanmaning en ingebrekestelling geen betaling van de voornoemde f 3.450, -- is te verkrijgen; dat de Rechtbank te 's-Gravenhage bij vonnis van 31 oktober 1962 [verweerster] niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering, van welk vonnis [verweerster] in hoger beroep is gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage; dat het Hof bij het bestreden arrest van 30 januari 1964 eerst heeft overwogen: 1) "dat de eerste grief van [verweerster] inhoudt dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat tussen partijen geen koopovereenkomst is gesloten omdat er geen sprake zou zijn van wilsovereenstemming tussen partijen over de zaak en de prijs waardoor niet is voldaan aan de door de wet gestelde eisen voor het tot stand komen van een geldige koopovereenkomst; 2) "dat bij de toelichting op deze grief [verweerster] er vooreerst op heeft gewezen dat de Rechtbank niet [verweerster] niet-ontvankelijk in haar vordering had mogen verklaren omdat [eiser] nimmer het verweer heeft gevoerd dat er geen koopovereenkomst zou zijn gesloten, integendeel in de derde alinea van de conclusie van antwoord heeft erkend de gestelde overeenkomst te hebben gesloten; 3) "dat deze zienswijze echter niet juist is; dat weliswaar [eiser] in de conclusie van antwoord heeft erkend de onderhavige overeenkomst te hebben gesloten, doch dit de rechter op grond van artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet belet om ambtshalve te onderzoeken of het tussen partijen in het contract overeengekomene, nu dit contract in rechte is overgelegd, al dan niet een koopovereenkomst inhoudt; 4) "dat overigens het Hof in tegenstelling tot de Rechtbank van oordeel is dat zulks wèl het geval is; "dat hetgeen partijen bij artikel 6 van het contract zijn overeengekomen, voor zover thans van belang, hierop neerkomt dat [eiser] zich verplicht gedurende de looptijd van de overeenkomst tenminste 800 liter over het eerste jaar met een progressieve verhoging van 10% per jaar van het 2e tot en met het 5e jaar van de door hem benodigde Tulsa olie en vetten bij [verweerster] te betrekken tegen een prijs van f 1,25 per liter bij afname van 100 liter, waarbij Tulsa - [verweerster] - het recht heeft de handelsprijs te verhogen of te verlagen, indien wijzigingen in het huidige prijs-, loon- en/of kostenniveau naar haar oordeel dat noodzakelijk maken; 5) "dat deze overeenkomst voldoet aan de vereisten in de artikelen 1493 en 1494 van het Burgerlijk Wetboek voor het tot stand komen van een koopovereenkomst gesteld, te weten dat partijen het eens zijn geworden over de zaak en de prijs; "dat daaraan niet afdoet dat enerzijds aan [eiser] de keus van de door hem gewenste Tulsa oliën en vetten is gelaten mits hij maar de overeengekomen minimum hoeveelheden afneemt, en anderzijds [verweerster] zich de vrijheid heeft voorbehouden tot wijziging van de overeengekomen prijs indien dit wegens verandering van het loon-, prijs- en/of kostenpeil noodzakelijk is, welk beding bij overeenkomsten wier werking zich over een lang tijdsverloop uitstrekt, voor een goede functionering van de handelsbetrekkingen, gelet op het ervaringsfeit van voortdurende stijging van productie- en andere kosten van goederen en waren, voor dit soort van contracten als normaal is te beschouwen; 6) "dat het dan ook een onjuist standpunt is dat door een telkens door [eiser] te nemen en aan [verweerster] kenbaar te maken wilsbesluit pas een koopovereenkomst met betrekking tot de af te leveren produkten zou ontstaan; "dat integendeel door wilsovereenstemming van partijen bij het sluiten van het contract de koopovereenkomst met betrekking tot later te leveren en af te nemen produkten is tot stand gekomen; 7) "dat nu wel in casu de noodzakelijkheid van de prijswijziging uitsluitend ter beoordeling van [verweerster] staat zodat [eiser] daarop geen invloed kan uitoefenen, doch dit niet wegneemt dat tussen partijen bij het sluiten der overeenkomst een bepaalde en naar aan te nemen valt, normale prijs is overeengekomen, die slechts in de bij de overeenkomst aangeduide gevallen gewijzigd kan worden, welke wijziging overigens naar de huidige rechtsopvattingen door [verweerster] niet volkomen willekeurig kan worden doorgedreven doch ingetoomd wordt door de eisen van billijkheid en goede trouw; 8) "dat derhalve de eerste grief gegrond is;" dat het Hof bij dit arrest vervolgens aan [eiser] , ter zake van andere geschilpunten van partijen, heeft opgedragen zekere feiten te bewijzen; dat, nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden, het Hof bij het bestreden arrest van 22 oktober 1964 heeft beslist, dat [eiser] in het hem opgedragen bewijs niet was geslaagd, en, met vernietiging van het vonnis der Rechtbank, aan [verweerster] haar vordering tot een bedrag van f 2.875, -- heeft toegewezen; Overwegende dat [eiser] de twee arresten van het Hof bestrijdt met het volgende middel van cassatie: "Verzuim van vormen en schending van het recht, met name door schending van de artikelen 175 van de Grondwet, 20 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie, 3 en 11 van de Wet houdende Algemene Bepalingen van het Koninkrijk, 48 en 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1374, 1375, 1493 en 1501 van het Burgerlijk Wetboek, door bij het tussenarrest naar aanleiding van de eerste appelgrief van [verweerster] te overwegen en te beslissen als vermeld in de hier als herhaald te beschouwen vierde tot en met achtste rechtsoverweging en mede op grond daarvan bij het eindarrest het beroepen vonnis van de Rechtbank te vernietigen en, in voege als in dat eindarrest omschreven, de vordering van [verweerster] toe te wijzen, zulks ten onrechte, omdat de tussen partijen gesloten overeenkomst onder meer behelst dat [eiser] zich verplicht gedurende de (tienjarige) looptijd daarvan zekere hoeveelheden olie en vetten bij [verweerster] te betrekken tegen een prijs van f 1,25 per liter, waarbij [verweerster] het recht heeft de handelsprijs te verhogen of te verlagen, indien wijzigingen in het huidige prijs-, loon- en/of kostenniveau naar haar oordeel dat noodzakelijk maken, zodat de tussen partijen overeengekomen prijs niet, althans niet genoegzaam bepaald casu quo objectief bepaalbaar is en derhalve de tussen partijen gesloten overeenkomst niet is een (geldige) koopovereenkomst, waaraan niet afdoet dat, gelijk het Hof (ten onrechte overigens) overweegt, een beding als het evenbedoelde "bij overeenkomsten wier werking zich over een lang tijdverloop uitstrekt, voor een goede functionering van de handelsbetrekkingen, gelet op het ervaringsfeit van voortdurende stijging van produktie- en andere kosten van goederen en waren, voor dit soort van contracten als normaal is te beschouwen", en waaraan evenmin afdoet dat, gelijk het Hof mede overweegt, de wijziging van de prijs "naar de huidige rechtsopvattingen door [verweerster] niet volkomen willekeurig kan worden doorgedreven doch ingetoomd wordt door de eisen van billijkheid en goede trouw"."; Overwegende aangaande dit middel: dat dit enkel bestrijdt 's Hofs beslissing met betrekking tot de prijs; dat het Hof daaromtrent heeft vastgesteld, dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst een bepaalde prijs zijn overeengekomen, die slechts gewijzigd kan worden in de gevallen waarin wijziging van de in de overeenkomst aangeduide omstandigheden dat nodig maakt; dat, naar het Hof voorts heeft vastgesteld, de verkoopster heeft bedongen dat de vraag of een wijziging in die omstandigheden wijziging in de prijs noodzakelijk maakt, te harer beoordeling staat; dat dit, anders dan het middel blijkens de toelichting beoogt te stellen, niet ten gevolge heeft, dat niet meer van een, in de zin van artikel 1501 van het Burgerlijk Wetboek, door partijen bepaalde prijs sprake zou zijn; dat toch de verkoopster bij de beantwoording van die vraag uitsluitend de door de partijen overeengekomen omstandigheden in aanmerking mag nemen, en zij dat niet naar willekeur mag doen, immers verplicht is de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren; dat het middel dus faalt; Verwerpt het beroep; Veroordeelt eiser tot cassatie in de op het beroep gevallen kosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerster in cassatie begroot op f 50, -- aan verschotten en f 1.000, -- voor salaris. Aldus gedaan door de Heren Mrs. de Jong, Vice-President, Wiarda, Houwing, Hülsmann en Beekhuis, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de vijfde november 1900 vijf en zestig, in tegenwoordigheid van de waarnemend Advocaat- Generaal Minkenhof.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.