23 december 1966 Br. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, in de zaak nr. 10.009 van de naamloze vennootschap N.V. Bierbrouwerij "De Drie Hoefijzers", gevestigd te Breda, eiseres tot cassatie van een door de Arrondissements-Rechtbank te Middelburg tussen partijen gewezen vonnis van 23 maart 1966, vertegenwoordigd door Mr. C.D. van Boeschoten, advocaat bij de Hoge Raad, tegen [verweerster] , wonende te [plaats] , verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. M.P. Plantenga, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal Minkenhof, namens de Procureur-Generaal, in haar conclusie, strekkende tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak, met veroordeling van verweerster in cassatie in de op het cassatieberoep gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden vonnis en de stukken van het geding blijkt: dat verweerster in cassatie, verder te noemen [verweerster] , bij exploit van 30 november 1964 de eiseres tot cassatie, hieronder aan te duiden als de Brouwerij, voor de Kantonrechter te Terneuzen heeft doen dagen en heeft gevorderd, dat de Kantonrechter de ontbinding van na te melden tussen partijen bestaande huurovereenkomst zou uitspreken, de Brouwerij zou veroordelen het bij die overeenkomst door haar gehuurde pand op straffe van een dwangsom te ontruimen, en tevens de Brouwerij zou veroordelen om aan [verweerster] te vergoeden alle door haar ten gevolge van de wanprestatie van de Brouwerij geleden en te lijden schade ; dat [verweerster] daartoe, voor zover in cassatie nog van belang stelde: dat zij bij akte van 14 augustus 1957 aan de Brouwerij heeft verhuurd het pand [a-straat 1] te [plaats] , waarin gevestigd een hotel- café- restaurantbedrijf met goodwill en inventaris tegen een huurprijs van f 8.060, -- per jaar met de nadien verschenen huurverhogingen, berekend over de helft van dit bedrag; dat de Brouwerij weigert de vorenbedoelde huurverhogingen te betalen; dat [verweerster] daarnaast nog beroep deed op andere feiten die volgens haar wanprestatie van de Brouwerij opleverden, maar de Kantonrechter en de Rechtbank haar in zover niet zijn gevolgd en deze feiten thans niet meer aan de orde zijn; dat de Kantonrechter, na door de Brouwerij gevoerd verweer, bij vonnis van 22 januari 1965 een gerechtelijke plaatsopneming heeft bevolen, en, nadat deze had plaats gevonden, bij vonnis van 12 februari 1965 aan [verweerster] haar vordering heeft ontzegd; dat de Kantonrechter daartoe met betrekking tot de klacht van [verweerster] , dat de Brouwerij weigerde de door [verweerster] bedoelde huurverhogingen te betalen, heeft overwogen:
- Tussen partijen staat als erkend of onbetwist het volgende ten processe vast: Bij akte van 14 augustus 1957 heeft [verweerster] het haar toebehorende pand aan de [a-straat 1] , waarin zij gedurende lange jaren een hotel-café-restaurantbedrijf had gevoerd tezamen met haar overleden echtgenoot, voor 10 jaren verhuurd, met inbegrip van de aanwezige goodwill en met de bedrijfsinventaris, aan de Brouwerij.
- " De huurprijs bedroeg f 8.060, -- per jaar, en partijen kwamen nog overeen, dat eventuele van overheidswege verplicht gestelde huurprijsverhogingen over de helft van dat bedrag zouden worden berekend.
- " In 1961 werd de Brouwerij door een toenmalige onderhuurster aangesproken wegens onvoldoende onderhoud van het gehuurde, waarop [verweerster] door haar in vrijwaring werd geroepen. De procedure is door een minnelijke regeling tussen partijen geëindigd, nadat nog een rapport over de toestand van het gehuurde door een onpartijdige deskundige is uitgebracht, die zijn onderzoek in tegenwoordigheid onder andere van [verweerster] heeft verricht.
- " Blijkens diens rapport waren de drinkwater- en sanitaire installaties, daterende uit 1936-1937, onvoldoende, enz.
- " Sindsdien is door [verweerster] en de Brouwerij vrijwel steeds onderhandeld over aankoop van de inventaris en over het onderhoud, doch zonder dat een oplossing bereikt kon worden.
- " Ten aanzien van de niet-betaling van de overeengekomen huurprijsverhogingen kan aan [verweerster] worden toegegeven, dat in het algemeen het enkele uitblijven van groot onderhoud ten laste van de verhuurder de huurder niet ontheft van de nakoming van de bedongen betalingsverplichting, nu voor het afdwingen van dat onderhoud een bijzondere rechtsgang is voorgeschreven in artikel 29 (bedoeld is kennelijk artikel 26 a juncto artikel 27) van de Huurwet. Ten deze echter heeft juist het uitblijven van dat onderhoud, waarvoor [verweerster] dient te zorgen, reeds jarenlang het onderwerp van onderhandelingen uitgemaakt met de Brouwerij, hetgeen toch moeilijk aan iets anders kan zijn te danken dan aan de welwillendheid en toegeeflijkheid van de Brouwerij, die kennelijk ook [verweerster] niet voor al te grote plotselinge financiële lasten heeft willen plaatsen, door op nakoming van haar verplichtingen tot onderhoud aan te dringen. Onder die omstandigheden, waarbij [verweerster] ook alle gelegenheid had om harerzijds die huurprijsverhogingen tot onderwerp van onderhandelingen te maken, achten Wij het in strijd met de goede trouw, als [verweerster] van haar kant in rechte nakoming van haar wederpartij vordert van een betrekkelijk klein gedeelte van haar tegenprestatie."; dat [verweerster] van het vonnis van 12 februari 1965 in hoger beroep is gekomen, en de Arrondissements-Rechtbank te Middelburg bij het bestreden vonnis van 23 maart 1966 het vonnis, waarvan beroep, heeft vernietigd, aan de Brouwerij een termijn van een maand na de betekening van haar vonnis heeft gegund om alsnog aan haar betalingsplicht voortvloeiende uit de huurovereenkomst te voldoen, en voor geval de Brouwerij hieraan niet binnen de gestelde termijn mocht hebben voldaan, de vordering van [verweerster] heeft toegewezen; dat de Rechtbank daartoe heeft vastgesteld hetgeen in de eerste twee alinea's van het vonnis van 12 februari 1965 als vaststaande was aangenomen en voorts heeft overwogen:
(1)" [verweerster] ' voornaamste grief komt hierop neer, dat de Kantonrechter in zijn vonnis heeft verworpen haar stelling, dat de Brouwerij de volledige overeengekomen huurprijs dient te betalen en zich daaraan niet kan onttrekken door een overigens door [verweerster] onjuist geacht beroep op onvoldoende onderhoud.
(2)"Deze grief komt gegrond voor.
(3)"Als niet althans onvoldoende weersproken staat ook tussen partijen het navolgende vast:
(6)"Sedert 1961 zijn door de onderhuurders van het onderhavige pand ernstige klachten geuit over het te kort schieten van [verweerster] in haar verplichtingen tot onderhoud van dit haar in eigendom toebehorend pand. Een deswege in 1961 voor het Kantongerecht te Terneuzen aanhangig gemaakte procedure tegen de Brouwerij, waarbij [verweerster] door haar in vrijwaring werd opgeroepen, is geëindigd met een minnelijke regeling tussen de betrokken partijen.
(7)"Sindsdien is door de Brouwerij en [verweerster] vrijwel ononderbroken onderhandeld over de uitvoering van het grote onderhoud door [verweerster] , de aankoop van de inventaris en nadere vaststelling van de huurprijs.
(8)"Deze onderhandelingen zijn, zoals uit de in hoger beroep overgelegde correspondentie onweersproken vast staat, voortgezet ook na het vonnis waarvan thans beroep.
(9)"De Brouwerij heeft zich daarbij herhaaldelijk bereid verklaard tot betaling van de inmiddels ingetreden huurverhogingen, waartoe zij contractueel verplicht was, doch deze afhankelijk gesteld van de uitvoering van het groot-onderhoud, waarin grote achterstand zou zijn ontstaan, door [verweerster] .
(10)" [verweerster] heeft hiertegen aangevoerd, dat zelfs al zou zij nalatig zijn gebleven in de uitvoering van het voor haar rekening komend groot-onderhoud, dit de Brouwerij niet het recht geeft een gedeelte der huurprijspenningen, te weten de huurverhogingen, niet te betalen en aldus pressie op [verweerster] uit te oefenen.
(11)"Indien de Brouwerij van oordeel is dat [verweerster] in deze haar verplichtingen te kort schiet, is de rechtsgang van artikel 27 juncto artikel 26 a der Huurwet aangewezen.
(12)"De Rechtbank kan [verweerster] hier in volgen.
(13)"Het voeren van onderhandelingen als hierboven bedoeld tussen huurder en verhuurder ontheft de huurder niet van zijn primaire verplichting de verschuldigde huurprijs volledig en op tijd aan de verhuurder te betalen.
(14)"Wanprestatie in dit opzicht levert grond voor ontbinding der huurovereenkomst.
(15)"Het vonnis van de Kantonrechter dient derhalve te worden vernietigd.
(16)"Een bespreking van de tweede door [verweerster] aangevoerde grief, inhoudende dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen, dat zij haar verplichting tot onderhoud niet behoorlijk zou zijn nagekomen, kan achterwege blijven nu de Rechtbank zoals hierboven is weergegeven van oordeel is, dat zelfs indien [verweerster] haar bedoelde verplichting niet zou zijn nagekomen, dit de Brouwerij niet zou ontheffen van haar primaire verplichting de overeengekomen huurprijs te voldoen.
(30)"De Rechtbank vindt echter in hetgeen omtrent de jarenlange onderhandelingen tussen partijen als onweersproken is komen vast te staan, reden gebruik te maken van de bevoegdheid haar bij artikel 23 der Huurwet gegeven en de Brouwerij alsnog een termijn van één maand na de betekening van dit vonnis te gunnen om alsnog aan haar betalingsverplichting uit bovenbedoelde huurovereenkomst te voldoen. " Overwegende dat de Brouwerij deze beslissing met het navolgende cassatiemiddel heeft bestreden: "Schending van het recht, meer in het bijzonder van het bepaalde in de artikelen 3 (tekst 1960, 1962, 1964, 1965) 15, 18, 20, 23, 26 a, 27, 28 a, 28 b en 29 van de Huurwet, of verzuim van vormen uit de niet-inachtneming waarvan nietigheid voortvloeit, doordat de Rechtbank naar aanleiding van de eerste appelgrief van [verweerster] heeft overwogen en beslist als in het bestreden vonnis staat vermeld, zulks ten onrechte, omdat de Rechtbank, na te hebben vastgesteld dat [verweerster] het haar toebehorende pand aan de [a-straat 1] te [plaats] , waarin zij gedurende lange jaren een hotel-café-restaurantbedrijf had gevoerd tezamen met haar inmiddels overleden echtgenoot, bij akte van 14 augustus 1957 met inbegrip van de aanwezige goodwill en met de bedrijfsinventaris voor 10 jaren aan de Brouwerij heeft verhuurd, aldus, gelijk de Kantonrechter reeds had gedaan, aannemende dat het hier betreft een huur en verhuur van een pand waarin een hotelbedrijf is gevestigd en dus van een gebouwd onroerend goed niet zijnde een woning als waarop artikel 3 van de Huurwet het oog heeft (bedrijfspand) en voorts te hebben vastgesteld dat de huurprijs f 8.060, -- per jaar bedroeg en partijen - in voormelde akte - waren overeengekomen dat eventueel van overheidswege verplicht gestelde huurverhogingen over de helft van dat bedrag zouden worden berekend, en verder het geschil van partijen aldus te hebben weergegeven, dat in onderhandelingen tussen partijen de Brouwerij zich herhaaldelijk bereid verklaard heeft tot betaling van de inmiddels ingetreden huurverhogingen, waartoe zij contractueel verplicht was, doch zulks afhankelijk heeft gesteld van de uitvoering door [verweerster] van het groot-onderhoud waarin grote achterstand zou zijn ontstaan, waartegen [verweerster] heeft aangevoerd dat, zelfs al zou zij nalatig zijn gebleven in de uitvoering van het voor haar rekening komend groot-onderhoud, dit de Brouwerij niet het recht geeft een gedeelte der huurpenningen, te weten de huurverhogingen, niet te betalen en aldus pressie op [verweerster] uit te oefenen, en dat de Brouwerij met betrekking tot een niet-nakoming van de onderhoudsverplichting van [verweerster] zou zijn aangewezen op de rechtsgang aangewezen door de artikelen 27 juncto 26 a van de Huurwet, heeft beslist dat de Brouwerij door de verschuldigde huurprijs niet volledig en op tijd aan de verhuurster te betalen zich heeft schuldig gemaakt aan een wanprestatie die grond oplevert tot ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van de Brouwerij tot ontruiming van het gehuurde, tenzij de Brouwerij alsnog binnen een termijn van een maand na de betekening van het vonnis aan haar betalingsverplichting uit de huurovereenkomst zou voldoen, doch aldus de Rechtbank de ter zake toepasselijke rechtsregelen heeft miskend of geschonden, daar immers,
- in de eigen gedachtengang van de Rechtbank partijen omtrent een verhoging van de in augustus 1957 overeengekomen huurprijs ad f 8.060, -- geen overeenstemming hebben bereikt nu de Brouwerij haar bereidheid tot betaling van een verhoogde huurprijs afhankelijk heeft gesteld van de uitvoering van voor rekening van [verweerster] komende onderhoudswerkzaamheden, en artikel 3 van de Huurwet in alle versies die sedert 1 april 1960 hebben gegolden heeft bepaald en thans nog bepaalt, dat de huurprijs van een gebouwd onroerend goed niet zijnde een woning is de huurprijs geldende op de dag voorafgaande aan die waarop de wijziging van het artikel van kracht werd, tenzij partijen nadien anders overeenkomen voor zover de overeengekomen huurprijs de voor de wetswijziging hoogst toelaatbare met niet meer dan een door de wet aangegeven percentage overschreed, onderscheidenlijk overschrijdt, en uit deze bepaling in verband met artikel 29 van de Huurwet volgt, dat een contractueel beding, volgens hetwelk de huurder van een bedrijfspand reeds krachtens de oorspronkelijke huurovereenkomst gehouden is de huurverhogingen te betalen die de wet na het sluiten daarvan toelaat, onverbindend is, en mitsdien de verhuurder betaling van een (wettelijk toelaatbare) hogere huurprijs dan de oorspronkelijk tussen partijen overeengekomene niet kan vorderen zolang dienaangaande geen wilsovereenstemming tussen partijen is bereikt, zodat de slotsom waartoe de Rechtbank, gekomen is in ieder geval onjuist is, welke uitleg zij ook aan het door haar aangehaalde contractuele beding omtrent de berekening van huurverhogingen heeft bedoeld te geven;
- het bestreden vonnis onvoldoende inzicht in de gedachtengang van de Rechtbank geeft of blijk geeft van een in zich zelf tegenstrijdige en daardoor onbegrijpelijke beschouwing en aldus niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu de Rechtbank met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst ten aanzien van verhogingen van de overeengekomen huurprijs niet meer heeft vastgesteld dan dat eventueel van overheidswege verplicht gestelde huurverhogingen over de helft van de contractuele huurprijs zouden worden berekend, maar daaruit niet, althans niet zonder meer, volgt, dat op de Brouwerij een contractuele plicht zou hebben gerust tot betaling van de facultatieve huurverhogingen voor bedrijfspanden die de opvolgende wijzigingen van artikel 3 van de Huurwet hebbende toegelaten, doch niet hebben verplicht gesteld of van rechtswege hebben doen intreden;
- blijkens hetgeen de Rechtbank omtrent de inhoud van het geschil van partijen heeft vastgesteld dit (mede) betrekking heeft op de vraag welke de betalingsverplichting van de huurder is en volgens het dwingende voorschrift vervat in artikel 20 van de Huurwet de rechter in een dergelijk geval alvorens te beslissen zal bevelen, dat de Huuradviescommissie hem over deze vraag een schriftelijk rapport zal uitbrengen als niet een advies als bedoeld in artikel 11 van de Huurwet is overgelegd, welk voorschrift ten deze niet is nageleefd nu noch een advies als bedoeld in artikel 11 van de Huurwet is overgelegd noch de rechter een schriftelijk rapport als hiervoor bedoeld heeft bevolen, althans van een en ander uit het vonnis en de stukken des gedings niet blijkt;
- de Rechtbank met toepassing van artikel 23 van de Huurwet de Brouwerij een termijn van een maand na de betekening van het vonnis heeft gegund om alsnog aan haar betalingsverplichting uit de huurovereenkomst te voldoen, en voor het geval de Brouwerij binnen de gestelde termijn daaraan niet mocht hebben voldaan, de ontbinding van de huurovereenkomst heeft uitgesproken en de Brouwerij heeft veroordeeld tot ontruiming op straffe van een dwangsom, doch zij daarbij heeft verzuimd vast te stellen welke de betalingsverplichting van de Brouwerij is en welke bedragen de Brouwerij aan [verweerster] zou moeten voldoen om de ontbinding van de huurovereenkomst en het van kracht worden van de veroordeling tot ontruiming te voorkomen, doch redelijke toepassing van het aangehaalde wetsartikel vergt, dat de rechter, aan de huurder een termijn gunnende om alsnog aan zijn betalingsverplichting te voldoen, in zijn vonnis vaststelt welke bedragen hij daartoe aan de verhuurder zal moeten betalen, hetwelk althans geldt in een geval als het onderhavige waarin uit de processtukken niet valt af te leiden op betaling van welke bedragen [verweerster] aanspraak maakt, hebbende zij dienaangaande niet meer gesteld dan dat de Brouwerij, die zich op 14 augustus 1957 verbonden heeft tot betaling van een huurprijs van f 8.060, -- per jaar, weigert de nadien verschenen huurverhogingen berekend over de helft van dit bedrag te betalen."; Overwegende ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel: dat [verweerster] heeft aangevoerd, dat dit middel reeds hierom faalt, omdat er op het in artikel 3, lid
- sub b (thans lid 1, sub b), van de Huurwet bepaalde niet eerder beroep is gedaan en dit niet voor het eerst in cassatie kan geschieden, nu niet vaststaat, dat het onderhavige pand niet is een gebouwd onroerend goed, niet zijnde een woning; Overwegende dienaangaande: dat de Kantonrechter en de Rechtbank hebben vastgesteld, dat het verhuurde onroerend goed een pand was, waarin [verweerster] gedurende lange jaren voor 14 augustus 1957 met haar overleden echtgenoot een hotel-, café- en restaurantbedrijf had gevoerd; dat met het oog op de te geven beslissing diende te worden vastgesteld, of het verhuurde pand een woning was als bedoeld in artikel 3 van de Huurwet, dan wel een gebouwd onroerend goed, niet zijnde een woning, als bedoeld in dat artikel, daar de wet deze beide categorieën gebouwd onroerend goed nevenschikkend naast elkaar noemt zonder te bepalen, dat een gebouwd onroerend goed een woning is, tenzij het tegendeel blijkt, en voorts op deze beide categorieën van elkaar verschillende rechtsregels van toepassing zijn; dat in verband hiermede de bovenomschreven vaststellingen door de Kantonrechter en de Rechtbank aldus moeten worden verstaan, dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst betrof een gebouwd onroerend goed, niet zijnde een woning, in de zin van artikel 3 van de Huurwet, en niet een "woning" in de zin van dat artikel, welk laatste ook geen der beide partijen had beweerd; dat tevens uit het vonnis van de Kantonrechter blijkt, dat dit goed vóór 5 mei 1945 tot stand is gekomen; dat mitsdien voormeld betoog van [verweerster] onjuist is; Overwegende voorts, dat blijkens het bestreden vonnis de Brouwerij haar verplichting tot betaling van de na 14 augustus 1957 bij de wet voor woningen vastgestelde huurprijsverhogingen heeft betwist en daartoe heeft aangevoerd, dat [verweerster] nalatig zou zijn gebleven in de uitvoering van het voor haar rekening komend grote onderhoud van het pand, dat in verband hiermede sinds 1961 geregeld tussen partijen is onderhandeld over dit grote onderhoud en over nadere vaststelling van de huurprijs, en dat de Brouwerij haar bereidheid tot betaling van de inmiddels ingetreden huurverhogingen afhankelijk heeft gesteld van de nakoming door [verweerster] van haar verplichting tot uitvoering van dat grote onderhoud, waartoe de Brouwerij naar haar mening in de gegeven omstandigheden gerechtigd was; dat de Rechtbank dit betoog heeft verworpen en heeft beslist, dat de Brouwerij op grond van het in de overeenkomst van 14 augustus 1957 opgenomen beding, dat eventueel van overheidswege verplicht gestelde huurverhogingen over de helft van de huurprijs zouden worden berekend, verplicht was de nadien ingetreden huurverhogingen te betalen, en dat hetgeen zij had aangevoerd haar niet van die verplichting onthief; dat de Brouwerij in het eerste onderdeel van het middel aanvoert, dat de Rechtbank de door haar aangenomen gehoudenheid van de Brouwerij om de na 14 augustus 1957 ingetreden huurprijsverhogingen te betalen, ten onrechte heeft doen steunen op het vorenbedoeld beding in de overeenkomst van 14 augustus 1957, daar dit beding met ingang van 1 april 1960 zijn kracht heeft verloren; dat bij de op 1 april 1960 in werking getreden wet van 31 maart 1960, Staatsblad 116, waarbij voor het eerst na 14 augustus 1957 de huurprijs voor woningen werd verhoogd, tevens artikel 3 van de Huurwet is gewijzigd, onder meer door invoeging in lid 1, sub b, van het woord "nadien", en daarin toen is bepaald, dat voor de sub b bedoelde gebouwde onroerende goederen, waartoe blijkens het bovenoverwogene het ten processe bedoelde pand behoort, de vóór 1 april 1960 geldende huurprijs van kracht zou blijven, tenzij, partijen nadien anders zouden overeenkomen; dat blijkens de parlementaire geschiedenis van de wet van 31 maart 1960 de strekking van deze wijziging was, om buiten twijfel te stellen dat bedingen in huurovereenkomsten waarbij de huurder zich bij voorbaat had verbonden de in de toekomst wettelijk toegelaten huurverhogingen te zullen betalen, onverbindend waren; dat deze bepaling bij latere wijzigingen van de Huurwet is gehandhaafd en ook thans nog geldt; dat dit meebrengt, dat, al had de Brouwerij in de vorige instanties op deze wetswijziging geen beroep gedaan, de Rechtbank wegens het krachtens artikel 29 van de Huurwet dwingend karakter van de in 1960 in artikel 3, lid 1, sub b, opgenomen bepaling haar beslissing, dat de Brouwerij tot betaling van de onderhavige huurprijsverhogingen verplicht was, ten onrechte heeft doen steunen op voormeld beding in de akte van 14 augustus 1957, daar dit beding vanaf 1 april 1960 partijen zeker niet meer bond ; dat de Brouwerij alleen uit hoofde van nadien tussen partijen gesloten overeenkomsten tot betaling van huurprijsverhogingen kon worden verplicht, maar de vordering op zodanige overeenkomsten niet is gegrond; dat het eerste onderdeel mitsdien doel treft; Overwegende ten aanzien van het derde onderdeel van het middel: dat door de ontkentenis van de Brouwerij, dat zij de door [verweerster] beweerde huurprijsverhogingen verschuldigd was, de betalingsverplichting van de Brouwerij een punt van geschil in dit geding uitmaakte; dat de Brouwerij terecht aanvoert, dat over dit geschil niet mocht worden beslist, voordat een advies van de Huuradviescommissie was overgelegd; dat zodanige overlegging blijkens de gedingstukken niet heeft plaats gehad ; dat de vraag, of de Rechtbank over de betalingsverplichting van de Brouwerij mocht beslissen, voordat vorenbedoeld advies was overgelegd, een andere is dan die, welke de betalingsverplichting is, en, als betrekking hebbende op een bepaling van dwingend recht, ook voor het eerst in cassatie kan worden opgeworpen; dat mitsdien ook het derde onderdeel gegrond is; dat derhalve het bestreden vonnis moet worden vernietigd en verwijzing moet volgen, terwijl in verband hiermede het tweede en het vierde onderdeel van het middel buiten behandeling kunnen blijven; Vernietigt het bestreden vonnis; Verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en ter beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest; Veroordeelt de verweerster in cassatie in de op het beroep in cassatie gevallen kosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres tot cassatie begroot op f 82,50 aan verschotten en f 1.200, -- voor salaris. Aldus gedaan door de Heren Mrs. de Jong, Vice- President, Wiarda, Hülsmann, Loeff en Beekhuis, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de drie en twintigste december 1900 zes en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat- Generaal Minkenhof.