2 december 1966 Br. De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak nr. 10.0005 van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van de door het Gerechtshof te Arnhem tussen partijen gewezen arresten van 2 december 1964 en 2 maart 1966, vertegenwoordigd door Mr. J.W. Lely, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. C.R.C. Wijckerheld Bisdom, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten in zijn conclusie, namens de Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het cassatieberoep en tot veroordeling van eiser in de daarop gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest en de gedingstukken blijkt: dat verweerder, nader te noemen [verweerder] , eiser, nader te noemen [eiser] , bij dagvaarding van 21 februari 1964 heeft gedaagd voor de President van de Arrondissements-Rechtbank te Almelo, rechtdoende in kort geding, stellende, voor zover hier van belang, dat hij, [verweerder] , van [eiser] enige percelen gras- en bouwland had gekocht, — dat [eiser] echter niet bereid was mede te werken aan een akte tot transport, — dat hij, [verweerder] , veel belang heeft dat de akte van transport met betrekking tot het verkochte onroerende goed op zeer korte termijn wordt gepasseerd, op welke gronden [verweerder] heeft gevorderd de veroordeling van [eiser] om mede te werken aan het transport van het verkochte, onder verbeurte van een dwangsom bij niet voldoening aan het door de President te geven bevel; dat het verweer van [eiser] tegen deze vordering neerkwam op de stelling dat op gronden die in cassatie niet meer van belang zijn, de koopovereenkomst was vervallen; dat de President dit verweer niet heeft aanvaard en, na te hebben overwogen dat de vordering een spoedeisend karakter droeg, de vordering bij vonnis van 9 maart 1964 heeft toegewezen; dat [eiser] van dit vonnis in hoger beroep is gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem; dat het Hof in zijn arrest van 2 december 1964 aan [eiser] met betrekking tot zijn stelling dat de koopovereenkomst was vervallen, een bewijsopdracht heeft verstrekt; dat het Hof daarin voorts heeft overwogen: ‘’dat de derde grief inhoudt, dat de President ten onrechte zich bevoegd heeft verklaard van de vordering kennis te nemen: ‘’aangaande deze grief: dat [eiser] ter toelichting van de grief heeft aangevoerd: dat [verweerder] bij inleidende dagvaarding heeft gesteld veel belang te hebben bij een transport van de onroerende goederen op korte termijn, omdat hij deze gezien de voortschrijding van het seizoen wil gaan bewerken, bemesten en inzaaien; dat de procureur van [eiser] in de tweede pleitnota er op heeft gewezen, dat deze urgentie [verweerder] hoogstens had kunnen nopen tot het instellen van een vordering strekkende tot verkrijging van de gronden in feitelijk bezit in afwachting van een beslissing in het bodemgeschil; dat [verweerder] dus bij inleidende dagvaarding meer heeft gevorderd dan ter voorziening in zijn onmiddellijke belangen nodig was; dat [verweerder] in de inleidende dagvaarding uitdrukkelijk heeft gesteld, dat en waarom hij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde onmiddellijke voorziening bij voorraad, zodat de President terecht zich heeft bevoegd geacht tot kennisneming van de vordering; dat echter in de toelichting van de grief in wezen wordt betoogd, dat [verweerder] geen spoedeisend belang bij de toewijzing van de vordering heeft, omdat deze ter veiligstelling van zijn onmiddellijk belang had kunnen volstaan met het vorderen van een minder ingrijpende maatregel, namelijk verkrijging van het land in gebruik in afwachting van een beslissing in het bodemgeschil; dat dit betoog de strekking heeft, dat de President ten onrechte niet de vordering heeft ontzegd en het Hof daarom zal nagaan, of [verweerder] door een vordering tot verkrijging van het land in gebruik in te stellen een maatregel zou hebben gevorderd, welke de belangen van [eiser] minder zou aantasten; dat [eiser] bij toewijzing van zodanige vordering het genot van het land voorlopig zou kwijtraken, doch wel in belangrijke mate de daarop drukkende lasten zou moeten blijven betalen zonder dat in zijn gedachtengang voorlopig iets tegenover dit alles zou staan; dat de door de President bevolen voorlopige maatregel eveneens medebrengt, dat [eiser] het genot van het land voorlopig mist, doch tevens, dat hij de voorlopige beschikking over de koopsom en de daarvan te trekken rente krijgt en geen lasten ter zake van het land heeft te dragen; dat [eiser] weliswaar ook in geval van een inwilliging van een vordering tot voorlopige ingebruikneming een vordering tot schadevergoeding op [verweerder] zou verkrijgen als hij in het eventuele bodemgeschil in het gelijk zou worden gesteld, doch het Hof niet vermag in te zien, waarom in dat geval de belangen van [eiser] minder zouden worden aangetast dan bij toewijzing van de door [verweerder] ingestelde vordering;’’ dat het Hof vervolgens bij arrest van 2 maart 1966, na te hebben overwogen dat [eiser] niet was geslaagd in het hem opgedragen bewijs, het vonnis van de President heeft bekrachtigd; Overwegende dat [eiser] de arresten van het Hof bestrijdt met het volgende middel van cassatie: ‘’Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, met name van de artikelen 671, 671 a, 1493, 1495 van het Burgerlijk Wetboek, 48, 156, 289, 291, 292 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door in deze zaak te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormelde arresten omschreven, ten onrechte, omdat het Hof, door het vonnis van de President van de Arrondissements-Rechtbank te [woonplaats] te bekrachtigen en door zich bevoegd te achten van de ingestelde vordering kennis te nemen,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.