7 april 1967 Br. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, in de zaak nr. 10.054 van
- [eiser], wonende te [woonplaats] ,
- [eiseres], echtgenote van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisers tot cassatie van een door het Gerechtshof te Leeuwarden tussen partijen gewezen arrest van 8 juni 1966, kosteloos procederende ingevolge beschikking van de Hoge Raad van 30 september 1966, vertegenwoordigd door Mr. J. W. Lely, advocaat bij de Hoge Raad, tegen
- [verweerder 1], wonende te [woonplaats] , .
- [verweerder 2], wonende te [woonplaats] , 3a. [verweerder 3a], wonende te [woonplaats] , 3b. [verweerder 3b], wonende te [woonplaats] ,
- [verweerder 4], wonende te [woonplaats] , verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. J. Koeleman, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal Minkenhof, namens de Procureur-Generaal, concluderend tot verwerping van het beroep met veroordeling van de eisers in de op de cassatie gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest en de gedingstukken blijkt: dat op 30 maart 1936 is overleden [erflater], verder ook aan te duiden als de erflater; dat de erflater in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd met [betrokkene 1], en als erfgenamen volgens de wet naliet zijn echtgenote en de vier uit het huwelijk met haar geboren kinderen [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 3a] en [betrokkene 2], doch bij testament zijn echtgenote tot enig erfgename had benoemd ; dat de verweerders in cassatie [verweerder 1] , [verweerder 2] alsmede de drie erfgenamen van de inmiddels overleden [betrokkene 2] , zijnde [verweerder 3a], [verweerder 3b] en [verweerder 4] , allen tezamen verder aan te duiden als [verweerders], bij dagvaarding van 14 juni 1961 de weduwe van de erflater, [betrokkene 1], en diens zoon [eiser] hebben gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Groningen, en, stellende dat zij, onderscheidenlijk hun rechtsvoorgangster [betrokkene 2] , een beroep hebben gedaan op hun wettelijk erfdeel, hebben gevorderd veroordeling van [betrokkene 1] en [eiser] om met hen over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van erflater; dat deze vordering bij vonnis van 24 november 1961 is toegewezen; dat bij de scheiding en deling zwarigheden zijn gerezen, waarvan door notaris [notaris] te Winschoten bij akte van 5 september 1963 een proces-verbaal is opgemaakt; dat deze zwarigheden betrekking hadden op twee huizen gelegen te [plaats] (Duitse Bondsrepubliek), die deel uitgemaakt hadden van de tussen de erflater en [betrokkene 1] bestaan hebbende huwelijksgemeenschap en die [betrokkene 1] in 1956 had verkocht aan haar zoon [eiser] zonder medewerking of toestemming van de andere kinderen; dat voor zover thans nog van belang [verweerders] blijkens het proces-verbaal stelden dat zij als erfgenamen deelgerechtigd waren in deze huizen en, nu [betrokkene 1] deze had verkocht, recht hadden op hun aandeel in de ten tijde van de scheiding en deling geldende waarde ervan, waartegen [betrokkene 1] aanvoerde dat zij als legitimarissen slechts recht hadden op hun aandeel in de ten sterfdage van de erflater geldende waarde der toen aanwezige goederen verminderd met de schulden; dat vervolgens [betrokkene 1] bij dagvaarding van 22 april 1964 [verweerders] alsmede [eiser] heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Groningen en heeft gevorderd, kort samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, dat de Rechtbank de door [verweerders] opgeworpen zwarigheden zal verwerpen, subsidiair zal verklaren, dat aan [verweerders] hun aandeel in de nalatenschap zal worden toegescheiden in een geldsbedrag en dat het zuivere batig saldo der nalatenschap overeenkomstig de door [betrokkene 1] op de grondslag van het door haar ingenomen standpunt gemaakte berekening moet worden gesteld op f 2.499,49; dat de Rechtbank te Groningen deze vorderingen, nadat [verweerders] daartegen verweer hadden gevoerd en [eiser] had verklaard daarin te acquiesceren, bij vonnis van 20 november 1964 heeft toegewezen; dat [verweerders], met dagvaarding van [eiser] en van de gezamenlijke erfgenamen van de in- middels overleden [betrokkene 1], van dat vonnis in hoger beroep zijn gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden; dat het Hof bij het bestreden arrest het vonnis der Rechtbank heeft vernietigd en alsnog aan de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1] de door [betrokkene 1] ingestelde vorderingen heeft ontzegd, daarbij voor zover in cassatie nog van belang overwegende: "dat de drie aangevoerde grieven neerkomen op het volgende: de eerste: ten onrechte overweegt de Rechtbank, dat waar [verweerders] de goederen van de nalatenschap van de dag van het overlijden van de erflater af aan wijlen [betrokkene 1] hebben overgelaten, die er over heeft beschikt en [verweerders] slechts hun aandeel in geld wensen te ontvangen, de goederen sinds het overlijden van de erflater voor risico van [betrokkene 1] waren en dan ook naar die dag behoren te worden gewaardeerd; de tweede: ten onrechte overweegt de Rechtbank, dat, nu, blijkens de memorie van aangifte voor het recht van successie het zuiver batig saldo van de nalatenschap bedroeg f 2.499,49, op die basis het aandeel van ieder der legitimarissen behoort te worden berekend; de derde: ten onrechte overweegt de Rechtbank, dat artikel 1123 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, nu de goederen niet meer aanwezig zijn; "ten aanzien van de eerste grief: "dat de Rechtbank, waar zij zegt, dat de bewuste goederen onder de door de Rechtbank bedoelde omstandigheden voor risico van [betrokkene 1] waren, kennelijk bedoelt, dat veranderingen in de waarde van de bewuste goederen sinds het overlijden van de erflater ingetreden ten gunste of ten laste van [betrokkene 1] kwamen; "dat echter, bijgeval [betrokkene 1] bedoelde goederen niet had vervreemd en die goederen zich dus thans nog in de nalatenschap zouden hebben bevonden, voor de berekening van het aan ieder der deelgenoten bij de scheiding toekomende bedrag beslissend zou zijn de waarde dier goederen op dat tijdstip en de hoegrootheid van die waarde ten tijde van het openvallen der nalatenschap van geen belang zou zijn; "dat dit niet anders zou worden indien één of meer der erfgenamen geen goederen in natura zou wensen doch een uitkering in geld; "dat geen rechtsgrond valt aan te wijzen welke tot een andere beslissing zou moeten leiden, bijgeval - zoals in casu - de mede-erfgenamen van [betrokkene 1] haar het beheer van de goederen hebben overgelaten en zij - zonder toestemming van die mede-erfgenamen - die goederen heeft vervreemd; "dat dan ook de Rechtbank ten onrechte besliste, dat - voor de berekening van de waarde der te verdelen nalatenschap - beslissend is de waarde, die de vervreemde goederen ten tijde van het openvallen der nalatenschap hadden; "dat derhalve de besproken grief gegrond is; "dat hieruit ook de gegrondheid van de tweede grief volgt; "ten aanzien van de derde grief : "dat het in de grief genoemde artikel 1123 van het Burgerlijk Wetboek slechts op het oog heeft het geval, dat er geschil is over bij de verdeling in de nalatenschap aanwezige goederen; dat echter - naar 's Hofs oordeel - grond is voor analogische toepassing van bedoelde bepaling, voor het zich hier voordoende geval, waarin één der deelgenoten zonder toestemming van de overige deelgenoten tot de nalatenschap behorende goederen heeft vervreemd ; "dat uit dit alles volgt, dat - met vernietiging van het aangevallen vonnis - de primaire vordering van [betrokkene 1] van de hand moet worden gewezen"; Overwegende dat [eiser] voornoemd, alsmede [eiseres] , echtgenote van deze, als enige erfgenamen van [betrokkene 1] krachtens door haar gemaakte testament, tegen 's Hofs arrest beroep in cassatie hebben ingesteld en voordragen de volgende middelen van cassatie: "I. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht met name van de artikelen 968, 969, 970, 971, 972, 973 van het Burgerlijk Wetboek, 48 en 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormeld arrest is omschreven, ten onrechte, omdat het Hof, nadat door de Rechtbank was vastgesteld en vervolgens in hoger beroep vaststond, dat [verweerders] een beroep hebben gedaan op het hun toekomende wettelijk erfdeel en zij blijkens het proces-verbaal van zwarigheden hebben verklaard, dat zij evenals de andere deelgenoten voor een aandeel gerechtigd zijn in de onverdeelde boedel en mitsdien ook in de daartoe behorende onroerende goederen en derhalve recht hebben op hun aandeel in de ten dage van de scheiding en deling geldende waarde dier goederen, alsmede dat zij deze onroerende goederen zelf niet opeisen doch slechts de ten dage van de scheiding en deling geldende waarde dier goederen in verdeling wensen gebracht te zien en tevens willen dat de sedert het overlijden van de erflater ontvangen huur wordt verrekend, en nadat door de Rechtbank voorts was vastgesteld en eveneens in hoger beroep vaststond, dat partijen slechts verschillen over de vraag naar welk moment de waarde der ten processe bedoelde onroerende goederen moet worden vastgesteld (het moment van overlijden dan wel het moment van scheiding en deling), door te overwegen, althans er van uit te gaan, dat beslissend is de waarde van de goederen ten tijde van de scheiding en deling, 1) heeft miskend, dat de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel en/of van het deel van de nalatenschap waarop legitimarissen aanspraak kunnen maken wordt bepaald door de waarde van de goederen ten tijde van het overlijden van de erflater, terwijl, ook indien [betrokkene 1] bedoelde goederen niet had vervreemd en die goederen zich dus thans nog in de nalatenschap hadden bevonden, voor de berekening van het aan [verweerders] als legitimarissen toekomende bedrag beslissend zou zijn de waarde van die goederen ten tijde van het openvallen der nalatenschap, en het Hof door van een ander standpunt uit te gaan een voor zijn beslissing onjuist criterium heeft gebezigd, en legitimarissen niet gerechtigd zijn om goederen in natura uit de nalatenschap te eisen, terwijl, ook al zou zulks anders zijn, zulks in casu niet van belang is aangezien [verweerders] geen goederen in natura wensen doch een uitkering in geld, en overigens, zelfs al zouden wederom legitimarissen goederen in natura kunnen eisen uit de nalatenschap, zulks geenszins met zich brengt dat voor de bepaling van het hun toekomende beslissend is de waarde van de nalatenschap ten tijde van de scheiding en deling en niet ten tijde van het overlijden; 2) hebbende het Hof voorts ten onrechte beslist, althans door het Hof ten onrechte er van is uitgegaan, dat [verweerders] zijn erfgenamen en als mede-erfgenamen van [betrokkene 1] zijn aan te merken, aangezien door de erflater als enige erfgenaam was benoemd zijn echtgenote [betrokkene 1] en het inroepen door [verweerders] van hun legitieme niet met zich bracht en/of kon brengen, dat zij de positie van erfgenamen verwierven, althans en in ieder geval het inroepen van de legitieme niet met zich bracht en/of kon brengen dat zij voor wat betreft de tussen het tijdstip van overlijden en van scheiding en deling opgetreden waardevermeerdering dezelfde rechten konden doen gelden als testamentaire erfgenamen of erfgenamen bij versterf; 3) terwijl verder het Hof ten onrechte heeft beslist althans er van is uitgegaan, dat [verweerders] zijn aan te merken als deelgenoten ter gelegenheid van de scheiding der nalatenschap, aangezien het inroepen door [verweerders] van hun legitieme niet met zich bracht en/of kon brengen, dat zij tezamen met de testamentaire erfgename deelgenoten werden bij de scheiding en deling, en het inroepen van de legitieme slechts met zich brengt dat de legitimaris een vordering althans een vordering tot uitkering van het hem toekomende verkrijgt, en in ieder geval, ook al zou zulks anders zijn, zulks niet met zich brengt dat hij deelgenoot is, althans niet op dezelfde voet is als zulks het geval is bij de testamentaire erfgenaam en/of de erfgenaam bij versterf, terwijl, indien en voor zover de legitimaris, gelijk aangevoerd bij onderdeel 2 van dit middel, niet is erfgenaam, zulks op zich reeds inhoudt en met zich brengt dat hij niet is deelgenoot bij de scheiding en deling; 4) en voorts heeft miskend, dat de vraag welke waarde aan goederen moet worden toegekend in verband met een scheiding en deling van een nalatenschap slechts aan de orde kan komen ten aanzien van goederen die alsdan, te weten ten tijde der scheiding en deling, tot de nalatenschap en/of onverdeelde boedel behoren en aldus deel kunnen uitmaken van de scheiding en deling, terwijl in casu eerder bedoelde onroerende goederen ten tijde van de scheiding en deling niet meer tot de nalatenschap en/of onverdeelde boedel behoorden en aldus ook geen deel konden uitmaken van de scheiding en deling, en in ieder geval een waardebepaling van goederen naar het tijdstip van scheiding en deling en/of in verband met scheiding en deling van een nalatenschap niet in aanmerking kan komen ten aanzien van goederen die alsdan niet meer tot de nalatenschap en/of de onverdeelde boedel behoren en aldus ook geen deel van de scheiding en deling kunnen uitmaken, zijnde althans onduidelijk en onbegrijpelijk hoe het Hof beslissend heeft kunnen achten de waarde van de onroerende goederen ten tijde van de scheiding en deling, nu deze goederen alstoen niet meer behoorden tot de nalatenschap en/of onverdeelde boedel en 's Hofs arrest aldus reeds in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed; 5) terwijl 's Hofs arrest, ook afgezien van het zo even sub onderdeel 4 in fine aangevoerde, is niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aangezien onduidelijk en onbegrijpelijk is, hoe het Hof heeft kunnen oordelen althans er van uit heeft kunnen gaan, dat legitimarissen gerechtigd zijn tot de waarde van de goederen ten tijde van de scheiding en deling respectievelijk dat legitimarissen erfgenamen zijn casu quo als deelgenoten moeten worden aangemerkt. II. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen aangehaald onder middel I alsmede van artikel 2000 en 2002 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld arrest is omschreven, ten onrechte, omdat het Hof, door te overwegen en/of er van uit te gaan dat de mede-erfgenamen van [betrokkene 1] haar het beheer van de goederen hebben overgelaten en zij - zonder toestemming van die mede-erfgenamen - die goederen heeft vervreemd, 1) heeft miskend dat de, zogenoemde, mede-erfgenamen van [betrokkene 1] geen aanspraken meer konden maken op deze goederen ten tijde dat [betrokkene 1] deze goederen vervreemdde en laatstgenoemde voor deze vervreemding ook niet hun toestemming van node had, aangezien bij memorie van antwoord in hoger beroep onweersproken is gesteld, zonder dat zulks onjuist, ongegrond of niet ter zake is geoordeeld, dat [betrokkene 1] ten tijde van de verkoop van bedoelde goederen, in het jaar 1957, meer dan twintig jaar als eigenares de nalatenschap van wijlen [verweerder 1] te goeder trouw en uit kracht van een wettige titel, voortdurend en onafgebroken, ongestoord openbaar en niet dubbelzinnig had bezeten, op grond waarvan bij memorie van antwoord een beroep op (verkrijgende) verjaring door [betrokkene 1] ten aanzien van bedoelde goederen is gedaan, en verkrijging door verjaring in 1957 door [betrokkene 1] uitsluit, dat door de mede-erfgenamen nog aanspraken zouden kunnen worden geldend gemaakt ter zake van de waarde dezer goederen ten tijde der scheiding en deling, zijnde het tijdstip van de scheiding en deling gelegen na het jaar 1957; 2) en het Hof voorts zijn arrest ten deze niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, aangezien onduidelijk en onbegrijpelijk is hoe het Hof heeft kunnen oordelen en/of van belang heeft kunnen achten, dat de mede-erfgenamen van [betrokkene 1] haar het beheer van de goederen hebben overgelaten en zij - zonder toestemming van die mede-erfgenamen - die goederen heeft vervreemd, zijnde bij memorie van antwoord, in voege als hierboven besproken, een beroep op verjaring gedaan, hebbende het Hof in ieder geval in strijd met de wet nagelaten naar aanleiding van het beroep op verjaring te beslissen; " omtrent het eerste middel: Overwegende dat de erflater, [verweerder 1] Sr., in gemeenschap van goederen gehuwd was met [betrokkene 1] en bij testament haar tot enig erfgename had benoemd; dat dientengevolge bij zijn overlijden op 30 maart 1936 het vermogen waaruit de huwelijksgemeenschap toen bestond kwam toe te behoren aan zijn echtgenote, voor de helft krachtens de huwelijksgemeenschap en voor de helft krachtens het testament; dat evenwel blijkens het vonnis der Rechtbank in de onderhavige zaak, waartegen op dit punt niet is opgekomen, in juli 1937 de vier kinderen uit het huwelijk van de erflater met [betrokkene 1] een beroep hebben gedaan op hun wettelijk erfdeel; dat zij daardoor erfgenamen zijn geworden van de erflater, hetgeen tot gevolg had dat zij mede-eigenaren werden van de nalatenschap en daarmede tevens van het gehele vermogen der toen nog ongedeelde huwelijksgemeenschap, bestaan hebbend tussen de erflater en [betrokkene 1]; dat dit vermogen, hetwelk [betrokkene 1] toen onder zich had, verder onverdeeld onder haar beheer is gebleven; dat [betrokkene 1], toen zij in 1956 zonder medewerking of goedkeuring van de mede-eigenaren de litigieuze, tot dit vermogen behorende onroerende goederen te eigen bate verkocht, deswege vergoeding is schuldig geworden aan die mede-eigenaren; dat het Hof, aannemend dat die goederen, indien zij niet verkocht waren, bij de scheiding en deling nog in de boedel aanwezig zouden zijn geweest, heeft beslist dat zij bij de scheiding en deling in aanmerking moeten worden genomen voor hun waarde op dat ogenblik; dat het Hof dit terecht heeft beslist aangezien het niet anders inhoudt dan dat [betrokkene 1] deze waarde aan de boedel moet vergoeden, terwijl ten processe niet in geschil was dat, zo [betrokkene 1] te dezer zake tot vergoeding gehouden was, deze aldus moest worden berekend; Overwegende dat uit het vorenoverwogene volgt dat de onderdelen 2) en 3) van het middel ongegrond zijn, aangezien zij ten onrechte er van uitgaan, dat de legitimaris die beroep doet op zijn legitieme portie niet de positie van een erfgenaam zou krijgen; Overwegende dat om dezelfde reden ook onderdeel 1) faalt, hetwelk bovendien met elkander verwart de vraag welke waarden moeten worden in aanmerking genomen bij de berekening van het wettelijk erfdeel en bij de beoordeling of inbreuk daarop is gemaakt, en de vraag welke waarden bij de scheiding en deling moeten gelden; Overwegende dat onderdeel 4) evenmin doel treft; dat toch de beslissing van het Hof niet inhoudt dat in het algemeen als waarde van ten tijde van de scheiding en deling niet meer aanwezige goederen de waarde op dat tijdstip moet worden aangenomen; dat het Hof heeft beslist - en, blijkens het voren- overwogene, terecht - dat in het gegeven geval [betrokkene 1] die tot de nalatenschap behorende goederen te eigen bate had vervreemd, deswege moest verantwoorden de waarde die deze goederen ten tijde der scheiding en deling hadden; Overwegende dat de in het slot van onderdeel 4) en de in onderdeel 5) voorkomende klachten, waarin niets anders beweerd wordt dan dat onduidelijk en onbegrijpelijk is, hoe het Hof het daar omschrevene beslissend heeft kunnen achten, onderscheidenlijk het daar omschrevene heeft kunnen oordelen, onderscheidenlijk van het daar omschrevene is kunnen uitgaan, geen voor behandeling in cassatie in aanmerking komende grief bevatten; Overwegende omtrent het tweede middel: dat dit reeds daarom faalt, omdat de rechter in het onderhavige geding slechts heeft te oordelen over die zwarigheden die zich volgens het daarvan opgemaakte proces- verbaal bij de scheiding en deling hebben voorgedaan en dit proces-verbaal niet als zwarigheid vermeldt een geschil over de vraag of [betrokkene 1] door verjaring eigenares van de door haar vervreemde goederen der nalatenschap was geworden; dat het Hof daaromtrent derhalve geen oordeel had te geven; Overwegende dat dus geen der middelen tot cassatie kan leiden; Verwerpt het beroep; Veroordeelt eisers tot cassatie in de op het beroep gevallen kosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerders in cassatie begroot op f 50, -- aan verschotten en f 1.000, -- voor salaris. Aldus gedaan door de Heren Mrs. de Jong, Vice- President, Houwing, Hülsmann, Loeff en Beekhuis, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende april 1900 zeven en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Minkenhof.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.