← Nederland

ECLI:NL:HR:1967:AC4726

Nr.

  1. 21 maart 1967 Mo. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, Op het beroep van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1921, van beroep candidaat- notaris, wonende op Curacao, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring aldaar, rekwirant van cassatie tegen een vonnis van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen van 15 november 1966, waarbij in hoger beroep, met vernietiging van een mondeling vonnis van de Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curacao, van 4 oktober 1966, rekwirant is vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 is telastegelegd en voorts wegens "valsheid in geschrifte gepleegd in authentieke akte" onder aanhaling van de artikelen 31, 57, 230 en 231 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van negen maanden; Gehoord het verslag van de Raadsheer Ras; Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt, ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald; Gelet op de middelen van cassatie namens de rekwirant voorgesteld bij op de voet van artikel 11, tweede lid, van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen ingediende schriftuur en toegelicht bij pleidooi, welke middelen luiden: "I. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder van de artikelen 71, 72, 73, 74, 75, 76, 82, 83, 118, 138, 163, 196, 206, 208, 212, 224, 227, 231 en 301 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, 230 en 231 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, artikel 6 van Het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, alsmede verzuim van vormen, op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof heeft verworpen requirants beroep op respectievelijk nietige rechtsingang en verwijzing, nietige dagvaarding en/of niet ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in verband met het ontbreken van een proces-verbaal van verhoor door de Rechter-Commissaris alvorens verwijzing naar de terechtzitting heeft plaatsgevonden, aangezien het opmaken van een proces-verbaal van een zodanig verhoor een zo wezenlijke grondslag vormt van dat deel van het strafgeding dat leidt tot een beslissing omtrent verwijzing naar de terechtzitting, dat het niet opmaken hiervan tot nietigheid moet leiden, hebbende het Hof miskend, dat op straffe van nietigheid in geen geval verwijzing naar de terechtzitting kan plaats hebben, zolang de verdachte niet door de Rechter-Commissaris juist terzake van eventuele verwijzing, is gehoord of daartoe behoorlijk is opgeroepen, terwijl dit verhoor niet overbodig wordt en/of achterwege kan worden gelaten indien de verdachte reeds bij het inwinnen van voorlopige informatiën door de Rechter-Commissaris was gehoord en het ontbreken van een proces-verbaal als vermeld en de daaruit voortvloeiende nietigheid van het desbetreffende onderzoek door de Rechter-Commissaris met zich brengt, dat een rechtsgeldige verwijzing niet heeft plaatsgevonden en in ieder geval inhield en/of met zich bracht, dat de daarop gebaseerde althans daarop gevolgde dagvaarding nietig en van onwaarde was althans de Officier van Justitie niet ontvankelijk was in zijn vervolging. II. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof heeft verworpen requirants beroep op respectievelijk nietige rechtsingang en verwijzing, nietige dagvaarding en/of niet ontvankelijkheid van de Officier van Justitie nu in de beschikking tot verwijzing niet is vermeld de vordering van de Officier van Justitie, aangezien het niet vermelden van deze vordering is een verzuim dat betrekking heeft op een zo wezenlijke grondslag van dat gedeelte van het strafproces dat leidt tot een beslissing omtrent verwijzing naar de terechtzitting, dat het nietigheid met zich brengt, en rechtsingang en/of verwijzing naar de terechtzitting door de Rechter-Commissaris eerst mogelijk is nadat en voorzover hiertoe is gevorderd door de Officier van Justitie en dat van een zodanige vordering derhalve noodwendig moet blijken uit de beschikking tot verwijzing wil deze verwijzing als zodanig uit dien hoofde rechtsgeldig zijn, terwijl voorts bij het ontbreken van de vermelding van de vordering tot verwijzing in de beschikking tot verwijzing niet kan worden nagegaan of en in hoeverre een zodanige vordering heeft plaatsgevonden en dientengevolge ook niet kan worden nagegaan, of en in hoeverre de beschikking tot verwijzing in overeenstemming is met deze vordering. III. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof heeft verworpen requirants beroep op respectievelijk nietige rechtsingang en verwijzing, nietige dagvaarding en/of niet ontvankelijkheid van de Officier van Justitie nu in de beschikking tot verwijzing niet zijn vermeld de artikelen van de algemene verordening waarbij de feiten zijn strafbaar gesteld, aangezien het niet vermelden van deze artikelen eveneens is een verzuim dat betrekking heeft op een zo wezenlijke grondslag van dat gedeelte van het strafproces, dat leidt tot een beslissing omtrent verwijzing naar de terechtzitting, dat het nietigheid met zich brengt, zijnde de Officier van Justitie bij de door Hem uit te brengen dagvaarding gebonden, onder meer, aan de artikelen als voormeld en derhalve aan de door deze artikelen gestelde wettelijke eisen voor strafbaarheid, en de door de Officier van Justitie uit te brengen dagvaarding behoort overeen te stemmen met de in de artikelen gestelde wettelijke eisen althans niet gebaseerd mag en/of kan zijn op andere wettelijke artikelen, en het ontbreken van vermelding van artikelen als voormeld in de beschikking met zich brengt dat niet kan worden nagegaan of de in de dagvaarding voorkomende omschrijving overeenstemt met deze -immers ontbrekende- artikelen, althans en in ieder geval niet kan worden nagegaan of de omschrijving niet is gebaseerd op andere artikelen dan de -immers ontbrekende- artikelen in de beschikking, terwijl het hier besproken vereiste niet overbodig wordt indien zowel de feiten terzake waarvan rechtsingang werd verleend, als de gronden waarop die beslissing berustte, in de beschikking zijn uitgedrukt, zijnde dit afzonderlijke vereisten, die de Wet stelt naast en behalve vermelding van de vordering als voorzegd. IV. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof requirants beroep op respectievelijk nietige rechtsingang en verwijzing, nietige dagvaarding en/of niet ontvankelijkheid van de Officier van Justitie wegens het ontbreken van een proces-verbaal van verhoor door de Rechter-Commissaris heeft verworpen onder meer op deze grond, dat requirant is gehoord door de Rechter die de beschikking tot het verlenen van rechtsingang met verwijzing verleende hetgeen volgens het Hof zou blijken uit genoemde beschikking, aangezien het Hof dusdoende heeft acht geslagen op en heeft gebruik gemaakt van een stuk, te weten de beschikking tot verwijzing, ten bezware van requirant, zonder dat dit stuk blijkens het proces- verbaal van 's Hofs zitting is voorgelezen of de korte inhoud hiervan mondeling ter zitting is medegedeeld door de fungerend President. V. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I alsmede verzuim van vormen, op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof requirants beroep op respectievelijk nietige rechtsingang en verwijzing, nietige dagvaarding en/of niet ontvankelijkheid van de Officier van Justitie wegens het niet vermelden van de vordering van de Officier van Justitie en de artikelen der algemene verordening waarbij de feiten strafbaar zijn gesteld in de beschikking tot het verlenen van rechtsingang met verwijzing heeft verworpen onder meer op deze grond, dat zowel de feiten terzake waarvan rechtsingang werd verleend, als de gronden waarop die beslissing berustte, in de onderhavige beschikking zouden zijn uitgedrukt, aangezien het Hof dusdoende eveneens heeft acht geslagen op en heeft gebruik gemaakt van een stuk, te weten de beschikking tot verwijzing, ten bezware van requirant, zonder dat dit stuk blijkens het proces-verbaal van 's Hofs zitting is voorgelezen of de korte inhoud hiervan mondeling ter zitting is medegedeeld door de fungerend President, VI. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof als bewijsmiddel heeft gebruikt het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao, d.d. 25 mei 1966, zulks onder meer in verband met de aldaar door requirant afgelegde verklaringen, aangezien in eerste aanleg de zaak zoals deze heeft geleid tot het vonnis van 4 oktober 1966 niet is behandeld ter zitting van 25 mei 1966, en op deze laatste datum weliswaar een onderzoek ter zitting is aangevangen doch dit onderzoek en deze behandeling niet is voortgezet doch nadien, in verband met gewijzigde samenstelling, opnieuw is aangevangen en voortgezet tot derzelver beeindiging, en aldus van de verklaringen die op 25 mei 1966 zijn afgelegd geen gebruik kon worden gemaakt bij de behandeling in hoger beroep, terwijl het Hof voorts, op de hierboven vermelde gronden, ten onrechte in zijn vonnis de zitting van 25 mei 1966 betitelt als "terechtzitting in eerste aanleg", zijnde immers als terechtzitting in eerste aanleg slechts aan te merken de zitting waarop de behandeling opnieuw is aangevangen en voortgezet tot derzelver beeindiging. VII. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag der telastelegging, aangezien het in sub 1) der telastelegging bedoelde gebruikmaken nader was omschreven in dier voege, dat requirant in de bij de telastelegging bedoelde notariele akte gerefereerd zou hebben aan de eveneens nader genoemde onderhandse akte en deze akte geinsereerd zou hebben in de notariele akte door hierin letterlijk op te nemen, althans te laten opnemen hetgeen in de telastelegging is weergegeven, terwijl door het Hof niet is bewezen verklaard het telastegelegde insereren, en aldus een volgens de telastelegging voor het feit bepalende althans mede-bepalende omstandigheid in de bewezenverklaring ontbreekt. VIII. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof het sub 1) telastegelegde en - in voege als in 's Hofs verklaring weergegeven- bewezenverklaarde feit strafbaar heeft geacht en requirant deswege strafbaar heeft verklaard in plaats van hem deswege te ontslaan van rechtsvervolging, aangezien het sub 1) telastegelegde en bewezen verklaarde niet oplevert een strafbaar feit, 1) aangezien niet in de feitelijk bedoelde omschrijving van het telastegelegde is vermeld en/of weergegeven, dat, in hoeverre en/of in welk opzicht requirant van de ten processe bedoelde onderhandse akte als ware deze echt en onvervalst heeft gebruik gemaakt, 2) aangezien in de feitelijk bedoelde omschrijving van het telastegelegde en bewezen verklaarde niet is vermeld en/of weergegeven, dat, in hoeverre en in welk opzicht enig opzet van requirant bij het gebruik maken (als door het Hof bedoeld) van de onderhandse akte was gericht op de omstandigheid dat de akte vervalst was, en in ieder geval de omstandigheid, dat requirant zowel voor als na 27 januari 1965 bekend was met de ten processe bedoelde datumwijziging van de onderhandse akte niet inhoudt en/of met zich brengt enig opzet als zo even bedoeld, terwijl voorts uit het refereren aan de onderhandse akte, op zich zelf en zonder meer geenszins volgt, dat requirant van de akte gebruik zou hebben gemaakt als ware deze echt en onvervalst en/of dat zijn het opzet zou zijn gericht geweest op de omstandigheid dat de akte vervalst was. IX. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof bewezen heeft verklaard, in voege als in 's Hofs vonnis weergegeven, hetgeen aan requirant sub 1) is te laste gelegd en requirant deswege strafbaar heeft geacht in plaats van hem daarvan vrij te spreken, volgen 1) aangezien van refereren aan de door het Hof bedoelde onderhandse akte niet gesproken kan worden, omdat hetgeen ten deze - als in 's Hofs vonnis nader omschreven - letterlijk in de door en/of ten overstaan van requirant verleden en ondertekende akte is opgenomen niet is ontleend aan althans niet respectievelijk niet volledig en/of in dezelfde vorm of woorden voorkomt in de ten processe bedoelde onderhandse akte, 2) aangezien van een gebruikmaken door requirant van bedoelde onderhandse akte door in een door en/of ten overstaan van hem, requirant, verleden en ondertekende akte te refereren aan deze onderhandse akte, als nader ten processe omschreven, niet gesproken kan worden nu het enkele refereren aan deze onderhandse akte niet oplevert en/of kan opleveren een gebruikmaken van deze akte in de zin der Wet, 3) aangezien uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt en/of kan volgen, dat requirant van het onderhandse geschrift heeft gebruik gemaakt als ware het echt en onvervalst, en in ieder geval niet is bewezen verklaard en/of uit de bewijsmiddelen volgt en/of kan volgen, dat het gebruikmaken als door het Hof bedoeld is geschied ter misleiding van anderen en/of derden tegenover wie daarvan gebruik wordt gemaakt, terwijl evenmin is bewezen verklaard en/of uit de bewijsmiddelen volgt en/of kan volgen, dat enig opzet van requirant bij het gebruikmaken (als door het Hof bedoeld) van de onderhandse akte was gericht op de omstandigheid, dat de akte vervalst was, en in ieder geval verder de omstandigheid dat requirant zowel voor als na 27 januari 1965 bekend was met de ten processe bedoelde datumwijziging van de onderhandse akte niet inhoudt en/of met zich brengt enig opzet als zo even bedoeld, terwijl voorts uit de meer omschreven verrichting van requirant, te weten het refereren aan de onderhandse akte, op zich zelf en zonder meer geenszins volgt, dat dit geschiedde ter misleiding van anderen en/of derden en/of dat requirants opzet was gericht op de omstandigheid dat de akte vervalst was, 4) aangezien indien het Hof bedoeld mocht hebben bewezen te achten, dat het gebruikmaken van de onderhandse akte is geschied ter misleiding als voormeld en/of dat requirants opzet was gericht op de omstandigheid dat de akte was vervalst, het Hof is getreden buiten de grondslag van de telastelegging, 5) aangezien uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt en/of kan volgen dat uit het door het Hof bedoelde gebruik van de onderhandse akte nadeel kan ontstaan en zonder meer niet is in te zien hoe het meer vermelde refereren aan deze onderhandse akte nadeel kan opleveren nu de dagtekening hiervan is vervalst, terwijl, zelfs al zou -hetgeen evenmin is gebleken- uit een bepaald gebruik van de vervalste onderhandse akte nadeel kunnen voortvloeien, zulks nog niet insluit en/of met zich brengt dat een zodanig nadeel ook kon ontstaan uit het door het Hof bedoelde, meer omschreven, gebruik van deze onderhandse akte. X. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof het sub 3) telastegelegde en -in voege als in 's Hofs vonnis weergegeven- bewezen verklaarde feit strafbaar heeft geacht en requirant deswege strafbaar heeft verklaard in plaats van hem deswege te ontslaan van rechtsvervolging, aangezien het sub 3) telastegelegde, voorzover bewezen verklaard, niet oplevert een strafbaar feit, 1) aangezien niet in de feitelijk bedoelde omschrijving van het telastegelegde en bewezen verklaarde is vermeld en/of weergegeven, dat, in hoeverre en/of in welk opzicht requirant het oogmerk zou hebben gehad de notariele akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, 2) aangezien niet in de feitelijk bedoelde omschrijving van het telastegelegde en bewezen verklaarde is vermeld en/of weergegeven, dat, in hoeverre en/of in welk opzicht enig nadeel zou hebben kunnen ontstaan, en zonder meer de omstandigheid dat in de notariele akte, in voege als in de telastelegging omschreven, is melding gemaakt van een onderhandse akte, waarvan de dagtekening vervalst is de mogelijkheid van enig nadeel als voormeld niet inhoudt, 3) omdat de vermelding van de dagtekening van de meer bedoelde onderhandse akte in de notariele akte niet is een integrerend onderdeel van deze akte en/of niet bestemd was om tot bewijs van deze dagtekening te dienen, zodat, ook al zou deze dagtekening vervalst zijn, zulks niet inhoudt en/of met zich brengt dat requirant valselijk meerbedoelde notariele akte zou hebben opgemaakt en zich zou hebben schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte in voege als door het Hof aangenomen. XI. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof bewezen heeft verklaard, in voege als in 's Hofs vonnis weergegeven, hetgeen aan requirant onder 3) is telastegelegd en requirant deswege strafbaar heeft geacht in plaats van hem daarvan vrij te spreken. 1) aangezien uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt en/of kan volgen dat de ten processe bedoelde onderhandse akte vervalst was, terwijl de enkele omstandigheid, dat de dagtekening veranderd is van november in augustus 1962 niet inhoudt en/of met zich brengt een valsheid en/of vervalsing van de onderhandse akte, 2) aangezien van een valselijk opmaken door requirant van het ten processe bedoelde geschrift, zijnde dit een notariele akte waarin werd gerelateerd hetgeen de aldaar genoemde comparanten verklaarden, niet gesproken kan worden nu requirant in die akte niet anders heeft opgenomen dan de comparanten hem verklaarden, terwijl niet blijkt en/of is vastgesteld, dat requirant onjuist heeft weergegeven hetgeen comparanten hem verklaarden, zijnde in ieder geval juist hetgeen de comparanten omtrent de in de onderhandse akte voorkomende dagtekening, t.w. "augustus negentienhonderd tweeenzestig" en omtrent de verdere inhoud van die onderhandse akte verklaarden en zoals in deze notariele akte is vermeld, en aan een en ander niet afdoet dat de dagtekening van bedoelde onderhandse akte vervalst was, 3) aangezien uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt en/of kan volgen, dat requirant het oogmerk had om de notariele akte als echt en onvervalst te doen gebruiken, vermits, afgezien van het tevoren aangevoerde omtrent het ontbreken van enige vervalsing in de zin der Wet en zelfs al zou van zulk een vervalsing wèl de rede zijn, niet is bewezen dat requirant vervolgens ook het opzet had om de akte te gebruiken of te doen gebruiken als ware deze echt en onvervalst, en omtrent het gebruik dat van de notariele akte zou zijn te maken, laat staan omtrent het gebruik dat requirant zou hebben beoogd, in niets is vastgesteld en/of bewezen verklaard althans ongenoegzaam om te leiden tot een oogmerk als door de Wet vereist, 4) aangezien uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt en/of kan volgen, dat uit het gebruik van de notariele akte nadeel kan ontstaan, en niet is in te zien hoe zonder meer de vermelding van een onderhandse akte waarvan de dagtekening vervalst is, welke vermelding deel uitmaakt van de verklaringen van de comparanten bij de notariele akte, kan leiden tot nadeel bij het eventuele gebruik van die notariele akte, terwijl hetgeen bij de onderhandse akte is vermeld als hetgeen tussen de daarbij betrokken partijen is overeengekomen op zich zelf niet onjuist of in strijd met de waarheid is gebleken, terwijl voorts, zelfs al zou -hetgeen evenmin is gebleken - uit de vervalsing van de onderhandse akte en uit het gebruik hiervan nadeel kunnen voortvloeien, zulks nog niet insluit en/of met zich brengt dat een zodanig nadeel ook kan ontstaan uit een eventueel gebruik van de notariele akte, waarin deze onderhandse akte wordt vermeld. XII. Schending en/of verkeerde toepassing van het Recht van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder van de artikelen, vermeld onder middel I, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormeld vonnis is vermeld, waarheen verwezen zij, ten onrechte, omdat het Hof de gevangenhouding van requirant heeft bevolen, aangezien uit 's Hofs beslissing dienaangaande niet blijkt, dat de bij de Wet hiertoe, volgens onder meer artikel 76 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, voorgeschreven gronden aanwezig waren, en aldus moet worden aangenomen dat deze gronden zich niet voordeden, zijnde voorts 's Hofs vonnis op voormelde grond niet overeenkomstig de eisen der Wet met redenen omkleed."; Gehoord de Advocaat-Generaal s'Jacob namens de Procureur-Generaal in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep; Overwegende dat bij de bestreden uitspraak ten laste van rekwirant is bewezen verklaard: "
  2. dat hij, beklaagde, op of omstreeks de 27ste januari 1965 op het eiland Curacao, als kandidaat- notaris, door de daartoe bevoegde autoriteit, aangewezen om, ten tijde hiervoren vermeld, het ambt waar te nemen van Mr. [notaris] , notaris ter standplaats Curacao, opzettelijk van na te melden vervalst geschrift, als ware het echt en onvervalst, gebruik heeft gemaakt, terwijl uit dat gebruik nadeel kon ontstaan, hebbende hij beklaagde, alstoen aldaar opzettelijk daartoe van een onderhandse akte, geregistreerd op Curacao op 10 juni 1963, onder nummer 3147, ten kantore van de Landsontvanger ter plaatse voormeld, en welke akte is vastgehecht aan een akte van koop met transport, d.d. 29 mei 1963, verleden door en/of ten overstaan van hem, beklaagde, en waarvan voorts een fotocopie aan de dagvaarding is gevoegd en hiervan deel uitmaakt (gemerkt rood I), bestemd om, o.m. te dienen tot bewijs van het feit, dat de daarin vermelde ondergetekenden, met betrekking tot de gemeenschappen van goederen in huwelijk bestaan hebbende tussen de echtelieden,
  3. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ;
  4. [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en
  5. [betrokkene 1] en [betrokkene 4] , en de nalatenschappen dezer echtelieden, een, in gemelde onderhandse akte, onder de in die akte vermelde artikelen 1 t/m 6 breder omschreven, overeenkomst hebben gesloten, en waaruit enige verbintenis tussen de in bedoelde onderhandse akte genoemde partijen kon ontstaan, gebruik, gemaakt door, in een, door en/of ten overstaan van hem beklaagde, in hogervermelde hoedanigheid, verleden en ondertekende, akte, gedagtekend 27 januari 1965, betreffende een scheiding en deling van een onroerend goed zoals in evenbedoelde akte nader aangeduid, tussen [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en Mr. [advocaat] , advocaat, handelende in zijn hoedanigheid van mondeling lasthebber van [betrokkene 7] , te refereren aan vakerbedoelde onderhandse akte, door hierin letterlijk op te nemen, althans te laten opnemen, als volgt: De comparanten verklaarden bij deze akte te willen overgaan tot de scheiding en deling van het navolgend onroerend goed, te weten: Het stuk grond, groot eenhonderd hectare (100 ha), gelegen op Cas Abao, in het derde district van Curacao, nader omschreven in meetbrief de dato vijf april negentienhonderd drieenzestig nummer 139, welk stuk grond - ter uitvoering van een overeenkomst van scheiding en deling, waarvan blijkt uit een onderhandse akte, getekend op Curacao in de maand augustus negentienhonderd tweeenzestig en welke akte is vastgehecht aan een akte van verkoop en koop met transport op negenentwintig mei negentienhonderd drieenzestig voor mij, Waarnemend Notaris verleden - is toebedeeld aan de Heer [betrokkene 5] voor twee/derde (2/3) gedeelte en aan de Heer [betrokkene 6] voor een/derde (1/3) gedeelte, bij akte op negenentwintig mei negentienhonderd drieenzestig verleden voor mij Waarnemend-Notaris van welke akte een afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore op Curacao op negentien juni negentienhonderd drieenzestig in Register […] , zulks terwijl hij beklaagde, wist, dat op het moment van vorenomschreven gebruik van die onderhandse akte, de op die onderhandse akte voorkomende dagtekening t.w. "augustus 1962" vervalst was, immers onbevoegdelijk veranderd was van "november 1962" in "augustus 1962", uit welk gebruik nadeel kon ontstaan.
  6. dat hij, beklaagde, op of omstreeks de 27ste januari 1965, op het eiland Curacao, als kandidaat-notaris. door de daartoe bevoegde autoriteit, alstoen aangewezen om, het ambt waar te nemen van Mr. [notaris] , notaris ter standplaats Curacao, opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, het hierna te melden geschrift, met het oogmerk om dat geschrift - waarvan een fotocopie aan de dagvaarding is gehecht en hiervan deel uitmaakt, gemerkt rood II - te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware dat geschrift echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, hebbende hij, beklaagde, alstoen aldaar opzettelijk daartoe in bedoeld geschrift, zijnde een, door en/ of ten overstaan van hem, beklaagde, in hogervermelde hoedanigheid verleden en ondertekende, akte, d.d. 27 januari 1965, geregistreerd op Curacao op 11 februari 1965, onder nummer 742, ten kantore van de Landsontvanger ter plaatse voormeld, welke akte, o.m. bestemd is om te dienen tot bewijs van een overeenkomst tot scheiding en deling, gesloten, m.b.t. een onroerend goed in die akte nader omschreven, tussen [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en Mr. [advocaat] , advocaat, handelende in zijn hoedanigheid van mondelinge lasthebber van [betrokkene 7] , en waaruit enig recht en enige bevrijding van schuld kon ontstaan tussen de hiervoren genoemde partijen, letterlijk opgenomen: De comparanten verklaarden bij deze akte te willen overgaan tot de scheiding en deling van het navolgend onroerend goed, te weten: Het stuk grond, groot eenhonderd hectare (100 ha), gelegen op Cas Abao, in het derde district van Curacao, nader omschreven in meetbrief de dato vijf april negentienhonderd drieenzestig, nummer 139, welk stuk grond - ter uitvoering van een overeenkomst van scheiding en deling, waarvan blijkt uit een onderhandse akte, getekend op Curacao in de maand augustus negentienhonderd tweeenzestig en welke akte is vastgehecht aan een akte van verkoop en koop met transport op negenentwintig mei negentienhonderd drieenzestig voor mij, Waarnemend- Notaris verleden - is toebedeeld aan de Heer [betrokkene 5] voor twee/derde (2/3) gedeelte en aan de Heer [betrokkene 6] voor een/derde (1/3) gedeelte, bij akte op negenentwintig mei negentienhonderd drieenzestig verleden voor mij Waarnemend-Notaris van welke akte een afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore op Curacao op negentien juni negentienhonderd drieenzestig in Register […] , zulks terwijl hij, beklaagde, wist, dat, op het moment dat hij zijn ministerie verleende en die notariele akte opmaakte met voormelde, door hem, beklaagde, in hogergenoemde hoedanigheid gestelde, ambtelijke verklaring in die akte, de dagtekening van de door hem in die notariele akte bedoelde en nader aangeduide, onderhandse akte - waarvan een fotocopie aan de dagvaarding is gehecht en daarvan deel uitmaakt, gemerkt rood I, - zoals door hem opgenomen in die notariele akte, t.w. "augustus negentienhonderd tweeenzestig", vervalst was, zijnde immers die dagtekening veranderd van "november 1962" in "augustus 1962";"; Overwegende dat deze bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen:
  7. de opgave van rekwirant ter 's Hofs terechtzitting: "Op 27 januari 1965 heb ik op het eiland Curacao, als candidaat-notaris, door de daartoe bevoegde autoriteit, aangewezen om, ten tijde hiervoren vermeld, het ambt waar te nemen van Mr. [notaris] , notaris ter standplaats Curacao, die tot en met 15 maart 1965 is opgetreden in een andere functie, opzettelijk in een door en ten overstaan van mij, in hogervermelde hoedanigheid, verleden en ondertekende akte gedagtekend 27 januari 1965 betreffende een scheiding en deling van een onroerend goed, in bedoelde akte nader aangeduid, tussen [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en Mr. [advocaat] , [betrokkene 6] , advocaat, handelende in zijn hoedanigheid van mondelinge lasthebber van [betrokkene 7] , verwezen naar een onderhandse akte, gedateerd augustus
  8. Ik heb in die voormelde notariele akte van 27 januari 1965 gerefereerd aan vakerbedoelde onderhandse akte en deze akte geincorporeerd in voormelde notariele akte door daarin letterlijk op te nemen als op bladzijde 2 van de dagvaarding in het mij sub 1 telastegelegde breder is omschreven. U toont mij een onderhandse akte, waarvan een fotocopie gemerkt rood I aan de inleidende dagvaarding is gehecht, waarvan mij bekend is dat de datum veranderd is en welke in het mij bij dagvaarding sub 1 telastegelegde wordt bedoeld. U toont mij eveneens een notariele akte d.d.27 januari 1965 waarvan een fotocopie gemerkt rood II aan de inleidende dagvaarding is gehecht, welke in het mij bij dagvaarding sub 3 telastegelegde wordt bedoeld. Ik herken beide akten als die hiervoor bedoeld in mijn verklaring. Ik was reeds vóór 27 januari 1965 op de hoogte van het feit, dat de datum van de onderhandse akte onbevoegdelijk was veranderd in dier voege dat instede van "November 1962", daarin "augustus 1962" was aangebracht. Ik heb mij bij het verlijden en passeren van de notariele akte d.d.27 januari 1965 zeer goed gerealiseerd dat het hier ging om de boedelscheiding van de familie [betrokkene 6] , waarin complicaties waren opgetreden in verband met de echtscheiding van een der deelgerechtigden. Ik besefte toen, dat ik de akte d.d. 27 januari 1965 juist in verband met die voorgeschiedenis nodig achtte. De notariele akte van 27 januari 1965 werd voorafgegaan door een onderhandse akte van augustus 1964, waarin dezelfde partijen overeenkwamen de tussen haar bestaande onverdeeldheid te scheiden en te delen als in die akte vermeld. Die onverdeeldheid was een voortvloeisel uit de eerdere scheiding en deling van de boedel [betrokkene 6] , als in eerste instantie in de onderhandse akte, valselijk gedateerd augustus 1962, vastgelegd.";
  9. het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curacao, d.d. 25 mei 1966 inzake de Officier van Justitie tegen [verdachte] , voor zover inhoudende: hetgeen vermeld I. als verklaring van rekwirant: dat hij het feit sub 1), zoals in de dagvaarding omschreven, erkent; dat hij wist dat de akte vervalst was namelijk dat de oorspronkelijke datum "november 1962" was veranderd in "augustus 1962"; dat hij het feit sub 3), zoals in de dagvaarding omschreven, volkomen erkent;"; II. als verklaring van de op die zitting onder edele akte gehoorde getuige [betrokkene 5] : "In de maand november 1962 moesten de boedelgerechtigden op het kantoor van de notaris komen om een akte te tekenen. Bij deze gelegenheid waren bijna al de boedelgerechtigden aanwezig met uitzondering van [betrokkene 8] en [betrokkene 9] . De vrouw van [betrokkene 9] was wel aanwezig en die heeft ook getekend. Ik moet uitdrukkelijk verklaren dat er in augustus 1962 nog niets afgesproken of bekend was over het bedrag van de verkoop van Cas Abao. Toen ik in november 1962 de akte tekende, heeft de notaris mij niet gezegd dat de datum van die akte veranderd moest worden.";
  10. een door Mr. [verdachte] aan Mr. [betrokkene 10] , Rechter voor strafzaken in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curacao, gerichte brief d.d. 25 juni 1966, waaromtrent het Hof overweegt dat deze brief " zakelijk inhoudt een aantal bezwaren tegen hetgeen vermeld staat in het hiervoren sub 1 vermelde proces-verbaal van de terechtzitting van 25 mei 1966, doch geen bezwaren tegen de in dat proces-verbaal gerelateerde bekentenissen van het hem sub 1 en 3 telastegelegde", zijnde het proces-verbaal in 's Hofs overweging bedoeld het proces-verbaal hierboven sub 2 vermeld;
  11. het op 11 maart 1966 opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de Rechter-Commissaris van rekwirant, voor zover inhoudende als verklaring van rekwirant: "Ik zie hier voor mij de minuut van een notariele akte voor mij als wnd. notaris verleden op 29 mei
  12. Zij relateert een verkoop-transactie tussen de erven [betrokkene 6] en de Stichting Avanti betreffende een deel van de plantage de Cas Abao. Aan die notariele akte verbonden is een onderhandse akte welke is gedateerd augustus
  13. Nu weet ik uit eigen waarneming dat op die onderhandse akte tevoren als datering heeft gestaan: november
  14. Het is trouwens op de akte heel goed te zien, dat het woord augustus er op getypt is met een ander lint dan copie de woorden van de akte zelf. Ik herinner mij dat ik op de hoogte was van de datumwijziging in de onderhandse akte hierboven bedoeld toen voor mij werd verleden een akte van scheiding en deling op 27 januari 1965, in welke akte met zoveel woorden naar de meergenoemde onderhandse akte wordt verwezen en waarin wordt gesteld dat die akte op Curacao in de maand augustus 1962 was getekend. In zoverre erken ik dat ik op 27 januari 1965 in de op die dag verleden notariele akte vermeld heb dat er in verband met deze akte een onderhandse akte bestond, getekend op Curacao in de maand augustus 1962, terwijl ik wist dat die akte eerst later, in november 1962 in elk geval niet in augustus was getekend. Volgens mij heb ik voor het eerst de wijziging in de onderhandse akte hierboven vermeld geconstateerd op of kort vóór 27 januari
  15. Het staat mij nog bij dat ik daar niet erg van onder de indruk was.";
  16. de eigen waarneming van het Hof "dat de inhoud van: I.de onderhandse akte met betrekking tot de scheiding en deling van de boedel [betrokkene 6] , zoals nader in de dagvaarding omschreven en waarvan een fotocopie gemerkt rood I aan de dagvaarding in deze is gehecht; II. de authentieke akte op 27 januari 1965 ten overstaan van beklaagde als waarnemend notaris verleden, zoals nader in de dagvaarding omschreven en waarvan een fotocopie gemerkt rood II aan de dagvaarding in deze is gehecht volledig overeenstemt met de inhoud van die fotocopieën, dewelke aan dit vonnis zijn gehecht en als hier ingevoegd moeten worden beschouwd;";
  17. het Landsbesluit van de 16de juli 1964 No. 1 A.S. No. 7141, voor zover zakelijk inhoudende "dat de Gouverneur van de Nederlandse Antillen met ingang van 1 augustus 1964 tot en met de laatste dag van het optreden van notaris mr. [notaris] als waarnemend Gouverneur de heer mr. [verdachte] aanwijst om diens ambt van notaris waar te nemen;"; Overwegende dat het Hof met betrekking tot de bewezenverklaring nog heeft overwogen: "dat de beklaagde weliswaar ter terechtzitting van het Hof op zijn verklaringen bij de Rechter-Commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg op 25 mei 1966 is teruggekomen, doch dat nu dit niet op aannemelijke gronden is geschied, het Hof hem aan zijn oorspronkelijke verklaringen zal dienen te houden; dat daartoe te meer reden is daar de beklaagde een maand nà de terechtzitting van 25 mei 1966, t.w. in zijn hierboven onder 2 vermelde brief wel bezwaren formuleerde tegen het vermelde in het audiëntieblad van die zitting, doch daarbij geenszins ontkende, dat hij te dier terechtzitting de daarin vermelde bekentenissen had gedaan;"; Overwegende dat het Hof in de bestreden uitspraak voorts heeft overwogen: "dat de raadsman van beklaagde bij pleidooi als exceptief verweer heeft opgeworpen, dat de beschikking tot rechtsingang en verwijzing nietig is en dat de daarop gebaseerde dagvaarding eveneens nietig is, althans dat de Officier van Justitie niet ontvankelijk verklaard dient te worden; dat beklaagde dit verweer baseert op twee gronden; dat beklaagdes eerste grond - het ontbreken van een proces-verbaal van verhoor - zich richt tegen de verwijzing naar de terechtzitting, welke volgens het bepaalde in artikel 75 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen ter zake van een misdrijf op straffe van nietigheid in geen geval kan plaatsvinden, zolang de verdachte niet door de Rechter-Commissaris is gehoord of daartoe behoorlijk is opgeroepen; dat de rechtsingang tegen beklaagde met verwijzing van de zaak naar de terechtzitting door de Officier van Justitie is gevorderd ingevolge het bepaalde in artikel 131 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, zulks na door de beklaagde gedaan verzet tegen de oorspronkelijk rauwelijks tegen hem uitgebrachte dagvaarding; dat laatstgenoemd artikel bepaalt, dat de Officier van Justitie die vordering doet "na desnoods de beklaagde door de Rechter-Commissaris te hebben doen horen"; dat die noodzaak zich ten deze niet voordeed, nu beklaagde over de feiten terzake waarvan verwijzing naar de terechtzitting werd gevorderd reeds bij het inwinnen van voorlopige informatiën door de Rechter-Commissaris was gehoord, van welk verhoor proces-verbaal is opgemaakt en welk proces-verbaal hierna vermeld sub 3 ter terechtzitting aan de beklaagde is voorgehouden; dat beklaagde niettemin nogmaals is gehoord en wel door de Rechter, die de beschikking tot het verlenen van rechtsingang met verwijzing verleende, hetgeen blijkt uit genoemde beschikking; dat het feit dat van laatstgenoemd verhoor geen proces-verbaal is opgemaakt, geen nietigheid met zich meebrengt, nu nóch het houden van een dergelijk verhoor, nóch het opmaken van een proces-verbaal van een desondanks toch gehouden verhoor vereist is; dat beklaagdes tweede grond - het niet vermelden van de vordering van de Officier van Justitie en de artikelen van de algemene verordening, waarbij de feiten strafbaar zijn gesteld - zich richt tegen het niet voldoen van de beschikking tot rechtsingang en verwijzing aan enkele van de formele vereisten van artikel 82 en 83 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen; dat zulks echter geen nietige rechtsingang en geen daarop gegronde nietige dagvaarding of niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie ten gevolge heeft; dat immers blijkens de wetshistorie van de artikelen 92 en 93 van het vóór 1925 in Nederland gegolden hebbende Wetboek van Strafvordering, welke artikelen ter voor de onderhavige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen model gestaan hebben en gelijkluidend van inhoud zijn, de wettelijke nietigheid uit het oorspronkelijke regeringsontwerp is geschrapt; dat zich ten deze ook geen substantiële nietigheid voordoet, als door beklaagde betoogd, aangezien geen belang van proces-rechtelijke aard ten aanzien van beklaagde geschaad is, met name nóch zijn positie in het vooronderzoek is verzwaard, nóch zijn verdediging in het algemeen geschaad is, door het niet vermelden van de vordering van de Officier van Justitie en de toepasselijke artikelen van de algemene verordening, nu zowel de feiten terzake waarvan rechtsingang werd verleend, als de gronden waarop die beslissing rustte, in de onderhavige beschikking zijn uitgedrukt; dat derhalve beklaagdes beroep op nietigheid van de dagvaarding, althans niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie als ongegrond moet worden verworpen;"; Overwegende dat het proces-verbaal dat in evenvermelde overwegingen is aangeduid als "hierna vermeld sub 3", is het proces-verbaal hierboven sub 4 vermeld; Overwegende omtrent het eerste middel: dat dit middel faalt nu het Hof in de bestreden uitspraak heeft vastgesteld dat rekwirant over de feiten ter zake waarvan verwijzing naar de terechtzitting werd gevorderd reeds bij het inwinnen van voorlopige informatiën door de rechter-commissaris was gehoord en dat van dit verhoor proces-verbaal is opgemaakt; dat toch artikel 75, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen niet voorschrijft, gelijk het middel wil, dat de verdachte juist ter zake van eventuele verwijzing wordt gehoord, maar dat deze bepaling, mede blijkens de geschiedenis van het met gemelde bepaling corresponderende artikel 85, tweede lid, van het vroegere Nederlandse Wetboek van Strafvordering zoals dat luidde sinds de wet van 15 januari 1886 Stb. no.5, slechts beoogt te voorkomen dat ter zake van misdrijf verwijzing naar de terechtzitting zal plaats vinden zonder dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich tegen de aanklacht te verweren; dat mitsdien verwijzing naar de terechtzitting - voor zover hier van belang - kan plaats hebben indien de verdachte bij het inwinnen van voorlopige informatiën door de rechter-commissaris is gehoord over de feiten ter zake waarvan verwijzing naar de terechtzitting is gevorderd; Overwegende omtrent het tweede en derde middel: dat deze middelen falen omdat de vermelding in de beschikking waarbij rechtsingang wordt verleend van de vordering van het openbaar ministerie en van de artikelen der algemene verordening, waarbij het feit is strafbaar gesteld, niet op straffe van nietigheid van gemelde beschikking is voorgeschreven en de vermelding van een en ander ook niet van zodanig belang is dat het achterwege blijven daarvan - al is nietigheid niet uitdrukkelijk bedreigd - de nietigheid van de betreffende beschikking zou moeten meebrengen; Overwegende omtrent het vierde en vijfde middel: dat deze middelen falen omdat rekwirant die blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg van 25 mei 1966 en 4 oktober 1966 de rechtsgeldigheid van de beschikking tot verwijzing uitvoerig heeft bestreden, geacht moet worden met de inhoud van die beschikking volkomen bekend te zijn geweest, zodat hij bij de klacht dat deze beschikking niet ter terechtzitting in hoger beroep is voorgelezen of de korte inhoud daarvan mondeling door de voorzitter is medegedeeld, generlei redelijk belang heeft; Overwegende omtrent het zesde middel: dat het door het Hof als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curacao, van 25 mei 1966 is een wettig bewijsmiddel in de zin van artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, immers een schriftelijk bescheid als bedoeld in gemeld eerste lid, sub 5°, juncto artikel 307, aanhef en sub 2°, van genoemd wetboek; dat geen wettelijke bepaling het Hof verbood van dit bewijsmiddel gebruik te maken onder meer voor wat betreft de daarin voorkomende verklaring van rekwirant en met name daartoe geen beletsel vormt dat het onderzoek op bovengenoemde terechtzitting is geschorst en nadien, in verband met de gewijzigde samenstelling van het gerecht, opnieuw is aangevangen; dat dit middel dus tevergeefs wordt voorgesteld; Overwegende omtrent het zevende middel: dat blijkens de bestreden uitspraak de telastlegging onder 1 inhoudt, voor zover hier van belang, dat rekwirant van de onderhandse akte gebruik heeft gemaakt door in een door en/of ten overstaan van hem verleden akte "te refereren aan vakerbedoelde onderhandse akte en deze akte te insereren in laatstgemelde notariele akte, d.d. 27 januari 1965, door hierin letterlijk op te nemen, althans te laten opnemen, als volgt: ", waarna de tekst volgt die hierboven in de bewezenverklaring is weergegeven; dat het Hof door het "insereren" uit de bewezenverklaring weg te laten niets wezenlijks aan de telastlegging heeft veranderd, daar immers datgene waar het op aankomt, te weten het door de steller van de telastlegging aan rekwirant verweten opnemen althans laten opnemen - in de notariele akte - van de in de telastlegging omschreven tekst, door het Hof integraal bewezen is verklaard; dat dit middel dus tevergeefs wordt voorgesteld; Overwegende omtrent het achtste middel: dat de bewezenverklaring onder 1, voor zover hier toe van belang, inhoudt: a. dat rekwirant in een door en/of ten overstaan van In hem in zijn in de bewezenverklaring vermelde hoedanigheid verleden en ondertekende akte heeft opgenomen althans laten opnemen een tekst welke onder meer inhoudt dat de daarin bedoelde toebedeling van een stuk grond is geschied "ter uitvoering van een overeenkomst van scheiding en deling, waarvan blijkt uit een onderhandse akte, getekend op Curacao in de maand augustus negentienhonderd tweeenzestig"; b. dat ""de op die onderhandse akte voorkomende dagtekening t.w. "augustus 1962" vervalst was""; dat echter het als voormeld opnemen of laten opnemen van een tekst waarin melding wordt gemaakt van een onderhandse akte - op welke akte een vervalste dagtekening voorkomt - niet oplevert een gebruik maken van een vervalst geschrift in de zin van artikel 230, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen; dat toch van gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst - in de zin van laatstgenoemd voorschrift - slechts kan worden gesproken indien het geschrift zelf - als middel tot misleiding - tegenover derden wordt gebruikt; dat, nu de bewezenverklaring sub 1 niet inhoudt dat het geschrift zelf - in voege als voormeld - is gebruikt, deze bewezenverklaring - waarin aan de woorden "als ware het echt en onvervalst, gebruik heeft gemaakt" en "gebruik gemaakt" kennelijk slechts kwalificatieve betekenis toekomt - niet oplevert het strafbare feit omschreven in artikel 230, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, terwijl dit bewezenverklaarde ook niet elders is strafbaar gesteld; dat derhalve het middel, waarin wordt geklaagd dat het bewezenverklaarde sub 1 niet oplevert een strafbaar feit, terecht wordt voorgesteld, zodat de daarvoor aangevoerde gronden, voor zover deze in het bovenstaande geen bespreking hebben gevonden, verder buiten beschouwing kunnen blijven; Overwegende omtrent het negende middel: dat dit in al zijn onderdelen faalt en wel: in onderdeel 1 omdat het Hof op grond van de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder op grond van de opgave van rekwirant ter 's Hofs terechtzitting, luidende: "Ik heb in die voormelde notariele akte van 27 januari 1965 gerefereerd aan vakerbedoelde onderhandse akte", bewezen heeft kunnen achten dat rekwirant aan bedoelde onderhandse akte heeft gerefereerd; in de onderdelen 2, 3 en 4 omdat - zoals naar aanleiding van het achtste middel is overwogen - aan de woorden "als ware het echt en onvervalst, gebruik heeft gemaakt" en "gebruik gemaakt" slechts kwalificatieve betekenis toekomt, zodat deze geen deel uitmaken van de eigenlijke bewezenverklaring; in onderdeel 5 omdat het Hof op grond van het als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curacao, van 25 mei 1966, voor zover inhoudende als verklaring van rekwirant "dat hij het feit sub 1), zoals in de dagvaarding omschreven, erkent", bewezen heeft kunnen achten dat uit het refereren aan de onderhandse akte nadeel kon ontstaan; Overwegende omtrent het tiende middel: ten aanzien van de onderdelen 1 en 2: dat het sub 3 telastegelegde en bewezenverklaarde inhoudt dat rekwirant heeft gehandeld met het oogmerk om het in de telastlegging en bewezenverklaring bedoelde geschrift "te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware dat geschrift echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaat", hetgeen als een voldoende feitelijke omschrijving kan worden beschouwd en in de telastlegging en bewezenverklaring met name niet nader hoefde te worden gepreciseerd in hoeverre en/of in welk opzicht rekwirant het oogmerk zou hebben gehad de notariele akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken noch in hoeverre en/of in welk opzicht enig nadeel zou hebben kunnen ontstaan; dat deze onderdelen derhalve falen; ten aanzien van onderdeel 3: dat ingevolge artikel 30c, eerste lid, van het Reglement op het notarisambt in de Nederlandse Antillen - voor zover hier van belang - in alle akten van scheiding van onroerende zaken de titels van aankomst en de dagtekening, het deel en het nummer der laatste overschrijving in de openbare registers moeten worden vermeld; dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld en heeft kunnen oordelen dat de zinsnede dat de in de akte vermelde toebedeling is geschied "ter uitvoering van een overeenkomst van scheiding en deling, waarvan blijkt uit een onderhandse akte, getekend op Curacao in de maand augustus 1962" deel uitmaakt van de vermelding van de titel van aankomst en als zodanig een integrerend bestanddeel vormt van de in de bewezenverklaring bedoelde notariele akte; dat dus ook dit onderdeel van het middel tevergeefs wordt voorgesteld; Overwegende omtrent het elfde middel: ten aanzien van onderdeel 1: dat het Hof op grond van de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder op grond van de opgave van rekwirant ter 's Hofs terechtzitting: ""Ik was reeds vóór 27 januari 1965 op de hoogte van het feit, dat de datum van de onderhandse akte onbevoegdelijk was veranderd in dier voege dat instede van "November 1962", daarin "augustus 1962" was aangebracht"", bewezen heeft kunnen achten dat de dagtekening van de onderhandse akte vervalst was; dat dit onderdeel van het middel dus faalt; ten aanzien van onderdeel 2 en ambtshalve: dat de bewezenverklaring sub 3, voor zover hier van belang, inhoudt dat rekwirant in een door en/of ten overstaan van hem, rekwirant, in zijn in de bewezenverklaring vermelde hoedanigheid verleden en ondertekende akte heeft opgenomen een tekst als in de bewezenverklaring omschreven, in welke tekst onder meer melding wordt gemaakt van een onderhandse akte "getekend op Curacao in de maand augustus negentienhonderd tweeenzestig"; dat de bewezenverklaring echter niet inhoudt dat bedoelde tekst, met name voor wat de hierboven tussen aanhalingstekens geplaatste zinsnede betreft, een onwaarheid zou bevatten; dat weliswaar de bewezenverklaring verder inhoudt dat de dagtekening van die onderhandse akte vervalst was, ""zijnde immers die dagtekening veranderd van "november 1962" in "augustus 1962" "", maar dat daaruit nog niet volgt dat die onderhandse akte in werkelijkheid niet in augustus 1962 was getekend, latende de bewezenverklaring zich omtrent het tijdstip waarop die akte in werkelijkheid was getekend in het geheel niet uit; dat voorts uit het slot van de bewezenverklaring volgt dat de onderhandse akte op het tijdstip van het verlijden der notariele akte inderdaad was gedagtekend "augustus 1962", zodat - indien het woord "getekend", in voormelde tekst, zou moeten worden opgevat als "gedagtekend" - ook in dit opzicht niet gezegd kan worden dat bedoelde tekst een onwaarheid bevat; dat het vorenstaande tot de conclusie leidt dat de bewezenverklaring niet inhoudt dat rekwirant een akte met onware inhoud heeft opgemaakt, zodat het sub 3 bewezenverklaarde - waarin aan de woorden "valselijk heeft opgemaakt" kennelijk louter kwalificatieve betekenis toekomt - niet oplevert het feit strafbaar gesteld bij artikel 230, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, terwijl dit bewezenverklaarde ook niet elders is strafbaar gesteld; dat dit onderdeel van het middel dus voor het overige geen bespreking behoeft; ten aanzien van onderdeel 3: dat het Hof de in de telastlegging voorkomende zinsnede dat rekwirant het oogmerk had om het geschrift te gebruiken of door anderen te doen gebruiken "als ware dat geschrift echt en onvervalst" - voor wat de tussen aanhalingstekens geplaatste woorden betreft - kennelijk aldus heeft opgevat en heeft kunnen opvatten dat rekwirant het bij het door hem beoogde gebruik wilde doen voorkomen alsof de vermelde dagtekening niet vervalst was; dat het Hof dit onderdeel van de telastlegging bewezen heeft kunnen achten op grond van het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechter in het Gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Curacao d.d. 25 mei 1966, voor zover inhoudende als verklaring van rekwirant: "dat hij het feit sub 3), zoals in de dagvaarding omschreven, volkomen erkent"; dat dit onderdeel van het middel dus faalt; ten aanzien van onderdeel 4: dat het Hof het onderdeel der telastlegging luidende: "terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan", bewezen heeft kunnen achten op grond van het hierboven ten aanzien van onderdeel 3 van dit middel genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende de daar vermelde verklaring van rekwirant; dat derhalve ook dit onderdeel van het middel tevergeefs wordt voorgesteld; Overwegende omtrent het twaalfde middel: dat rekwirant bij zijn klacht met betrekking tot het door het Hof verleende bevel tot gevangenhouding geen belang heeft nu de Hoge Raad ingevolge artikel 205, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen de invrijheidstelling van rekwirant zal bevelen, zodat dit middel tevergeefs wordt voorgesteld; Overwegende dat het vorenstaande tot de conclusie leidt dat de bestreden uitspraak - voor zover de daarbij gegeven beslissingen omtrent de sub 1 en 3 telastegelegde feiten betreft - moet worden vernietigd behalve voor zover is verworpen rekwirants beroep op nietigheid der dagvaarding, althans niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie, voor zover rekwirant is schuldig verklaard aan hetgeen hem is telastegelegd zoals in die uitspraak is bewezen verklaard en voor zover niet wettig en overtuigend is bewezen verklaard hetgeen aan rekwirant onder 1 en 3 meer of anders is telastegelegd dan door het Hof als bewezen is aangenomen en rekwirant daarvan is vrijgesproken; Overwegende dat, nu de sub 1 en 3 bewezen verklaarde feiten niet strafbaar zijn, rekwirant van alle rechtsvervolging te dier zake moet worden ontslagen en zijn invrijheidstelling ingevolge bovengenoemd voorschrift moet worden bevolen; Overwegende dat de vrijspraak van het onder 2 telastegelegde is een vrijspraak als bedoeld in artikel 430, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat het beroep, voor zover het tegen gemelde vrijspraak is gericht, niet-ontvankelijk is; Verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het tegen de vrijspraak van het sub 2 telastegelegde is gericht; Vernietigt de bestreden uitspraak voor zover deze op het sub 1 en 3 telastegelegde betrekking heeft, behalve voor zover hierboven is aangegeven; Verklaart het sub 1 en 3 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat rekwirant van alle rechtsvervolging te dier zake; Beveelt zijn invrijheidstelling. Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heren Mrs. Feber, President, Kazemier, Eijssen, de Meijere en Ras, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend, en door voornoemde President uitgesproken ter openbare terechtzitting van eenentwintig maart 1900 zeven en zestig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren, met uitzondering echter van de Raadsheer Eijssen, die verhinderd was geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn en dit arrest te ondertekenen, doch in tegenwoordigheid van de Raadsheer Moons en de Advocaat-Generaal s' Jacob.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.