3 april 1968 No. 15.851 H.C. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, Gezien het beroepschrift in cassatie van de [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 september 1967 betreffende de haar opgelegde aanslag in de grondbelasting voor het belastingjaar 1966; Gezien de stukken; Overwegende dat aan belanghebbende voor het belastingjaar 1966 een aanslag in de grondbelasting, groot f 355,02 is opgelegd naar een belastbare opbrengst ongebouwd van f 62,89 en gebouwd van f 2.140, -- , welke aanslag na bezwaar is gehandhaafd; Overwegende dat belanghebbende vervolgens in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof het geschil als volgt heeft omschreven: "dat belanghebbendes enige grief inhoudt, dat geen grondbelasting is verschuldigd omdat te dezen van toepassing is de vrijstelling voor woningen voor onderwijzers, neergelegd in artikel 25, eerste lid, letter d, 1º, en tweede lid, van de wet van 26 mei 1870, Staatsblad nummer 82 (Wet op de Grondbelasting); dat de Inspecteur heeft geconcludeerd tot handhaving van de uitspraak op het bezwaarschrift; "; Overwegende dat het Hof de navolgende feiten als tussen partijen vaststaande heeft aangemerkt: "De aanslag heeft betrekking op het kadastrale perceel gemeente [Q], sectie […], groot 89.85 aren en bestaande uit een aan belanghebbende - een rechtspersoonlijkheid bezittende instelling - in eigendom toebehorend klooster met tuin, plaatselijk gemerkt [a-straat 1] te [Q]. De leden van belanghebbende, die bedoeld klooster bewonen, zijn - afgezien van enige bedienende personen - als onderwijzer verbonden aan de - aan het klooster belendende - [A] te [Q]; indien een broeder-onderwijzer ophoudt aan deze school werkzaam te zijn, eindigt ook zijn bewoning van het klooster; de desbetreffende schoolgebouwen zijn eigendom van de Vereniging de [A] te [Q] (de Schoolvereniging) . Belanghebbende en de Schoolvereniging zijn bij onderhandse akte van 20 december 1965 onder meer het volgende overeengekomen:
- Belanghebbende aanvaardt de bediening van de onder het bestuur van de Schoolvereniging staande [A], waardoor deze school het karakter krijgt van een broederschool. Belanghebbende stelt voor de bediening van de school zoveel broeders beschikbaar als haar mogelijk is; voor zover belanghebbende het noodzakelijk acht, wordt het aantal broeders-onderwijzers aangevuld door leken.
- Belanghebbende wijst de broeders aan, die door de Schoolvereniging worden benoemd. De benoeming van de leken geschiedt op voordracht van belanghebbende en nooit tegen haar uitdrukkelijke wil.
- De Schoolvereniging stelt als eis, dat de aan de [A] verbonden broeders-onderwijzers gehuisvest zijn of worden in het klooster te [Q], [a-straat 1], zodat zij onder alle omstandigheden zo spoedig mogelijk bereikbaar zijn ter vervulling van de hen in het kader van deze overeenkomst op te dragen taken;"; Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen heeft weergegeven als volgt: "dat belanghebbende zakelijk het volgende heeft gesteld: Het door de broeders-onderwijzers bewonen van het onderhavige klooster maakt deel uit van de rechten en/of plichten verbonden aan hun ambt van onderwijzer aan de [A]. De Schoolvereniging heeft hen de plicht opgelegd om dat gebouw te bewonen. Hierbij is irrelevant op welke grond de bevoegdheid van de Schoolvereniging stoelt om hen die plicht op te leggen. Onder de in het geding zijnde vrijstelling vallen alle woningen, die men krachtens zijn ambt van onderwijzer heeft te betrekken; of de werkgever de woning heeft gehuurd om tot ambtswoning te dienen, of dat zij hem in eigendom toebehoort, is voor de toepassing van de vrijstelling niet van belang. Waar de Schoolvereniging bij de met belanghebbende gesloten overeenkomst van 20 december 1965 de bevoegdheid heeft gekregen om aan de broeders-onderwijzers de plicht op te leggen het litigieuze gebouw te bewonen, is aan de eisen van de wet om dat gebouw een ambtswoning te doen zijn voldaan. Aangezien belanghebbende zich hierbij geen ander doel voor ogen stelt dan haar onderwijzers een woning te bezorgen, waar ze vanwege hun ambt moeten wonen, dient zij zonder meer op de onderhavige vrijstelling aanspraak te kunnen maken. Het is voor belastingvrijdom niet nodig dat de woning voor de onderwijzer en de school in één hand zijn; dat de Inspecteur daartegenover zakelijk het volgende heeft gesteld: Voor de toepassing van de litigieuze vrijstelling is vereist, dat het gebruik van de woning door het schoolbestuur aan de onderwijzer is afgestaan als deel van het geheel van rechten en verplichtingen aan diens functie verbonden. Het is daarom in casu niet voldoende, dat het schoolbestuur - de Schoolvereniging - eist, dat de broeders-onderwijzers in het onderhavige gebouw verblijven, omdat dit een beding is tussen het schoolbestuur en belanghebbende en niet tussen het schoolbestuur en de broeders-onderwijzers. Bovendien is voor de toepassing van de vrijstelling nodig, dat het schoolbestuur eigenaar is van de onderwijzerswoning, hetgeen in casu niet het geval is, nu het onderhavige gebouw geen eigendom is van de Schoolvereniging maar van belanghebbende. Belanghebbende stelt, dat voor de toepassing van de vrijstelling voldoende is, dat het schoolbestuur aan de broeders-onderwijzers de plicht heeft opgelegd het onderhavige gebouw te bewonen. Ervan uitgaande, dat de bediening van de [A] door het schoolbestuur is opgedragen aan belanghebbende, houdt dat niet in, dat het schoolbestuur daarmede een gebouw voor de onderwijzers beschikbaar stelt, zoals de wet voor belastingvrijdom eist;"; Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen: "dat onder woningen voor onderwijzers in de zin van artikel 25, eerste lid, letter d, onder 1º, van de Wet op de Grondbelasting alleen zijn te verstaan die woningen, waarvan het gebruik door het schoolbestuur aan een onderwijzer is afgestaan als deel van het geheel van rechten en verplichtingen, welke aan zijn functie zijn verbonden; dat in casu het gebruik van het litigieuze gebouw niet door het schoolbestuur, dit is het bestuur van de Schoolvereniging, aan de broeders-onderwijzers is afgestaan, maar door een buiten de Schoolvereniging staande instelling - belanghebbende - van wie deze onderwijzers lid zijn en die van dit gebouw de volle eigendom heeft; dat bovendien niet is gebleken, dat de broeders-onderwijzers tegenover hun werkgever - de Schoolvereniging - een recht en/of verplichting hebben inzake het bewonen van het perceel [a-straat 1]; dat de onder de vaststaande feiten vermelde overeenkomst van 20 december 1965 ter zake slechts rechten en verplichtingen in het leven roept tussen de Schoolvereniging en belanghebbende; dat derhalve de in het geding zijnde vrijstelling te dezen niet van toepassing is;"; Overwegende dat het Hof op deze gronden de beschikking van de Inspecteur heeft gehandhaafd; Overwegende dat belanghebbende in cassatie aanvoert, dat artikel 25, eerste lid, letter d, onder 1º van de wet van 26 mei 1870, Staatsblad nummer 82, betrekkelijk de grondbelasting en artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken zijn geschonden, althans niet toegepast, hetgeen als volgt is toegelicht: "belanghebbende die sinds 1924 - bouwjaar van scholen en broederhuis voor de onderwijzers van belanghebbende - tot voor enige jaren nimmer in de grondbelasting ten werd aangeslagen voor het broederhuis, heeft zich aanstonds bij het betrokken worden in de grondbelasting tegen deze aanslag verzet, aangezien het gebruik van het broederhuis nimmer van bestemming is veranderd namelijk om te dienen voor woning van de broeders-onderwijzers; bij de bouw van scholen en woning van de broeders-onderwijzers (alle leden van belanghebbende) is gedelibereerd 306 over de eigendom van het broederhuis: belanghebbende of het schoolbestuur; zou het schoolbestuur eigenaar zijn geworden, dan kan er moeilijk meer aan getwijfeld worden dat er sprake zou zijn van een ambtswoning; immers aan de broeders-onderwijzers zou evenals in de met belanghebbende getroffen overeenkomst de verplichting zijn opgelegde om in de voor hen gebouwde woning ook inderdaad te gaan wonen; het wonen zou derhalve deel uitmaken van de verplichting aan het ambt van de onderwijzers verbonden. Het feit dat belanghebbende nu eigenares is geworden van het broederhuis verandert aan deze verhouding niets, en daarom komt haar vrijstelling van belasting toe, daar zij rechtspersoonlijkheid bezit en alzo voldaan is aan de eis van de slotbepaling van artikel 25 betrekkelijk de grondbelasting; de eis, die het Hof stelt, dat ook aan de broeders-onderwijzers nog individueel of gezamenlijk door het schoolbestuur de verplichting zou moeten zijn opgelegd om in het broederhuis te gaan wonen, is van te formele aard, aangezien die verplichting duidelijk impliciet ligt opgesloten in de overeenkomst welke door het schoolbestuur met belanghebbende is getroffen."; Overwegende ten aanzien van de aangevoerde grieven: dat het Hof heeft beslist, dat niet is gebleken, dat de broeders-onderwijzers tegenover hun werkgever - de Schoolvereniging - een recht en/of verplichting hebben inzake het bewonen van het perceel [a-straat 1], bovenbedoeld klooster, en dat voormelde overeenkomst van 20 december 1965 ter zake slechts rechten en verplichtingen in het leven roept tussen de Schoolvereniging en belanghebbende; dat deze beslissing is van feitelijke aard en naar de eis der wet met redenen is omkleed, zodat zij in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden; dat het Hof, uitgaande van deze beslissing, terecht heeft geoordeeld, dat de in het geding zijnde vrijstelling te dezen niet van toepassing is; dat reeds op deze grond het beroep niet tot cassatie kan leiden; Verwerpt het beroep. Gedaan bij de Heren van Rijn van Alkemade, waarnemend President, van der Loos, Peters, Hollander en van der Linde, Raden, en door voornoemde waarnemend President uitgesproken ter Raadkamer van de derde april 1900 achtenzestig, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier Joosten.