18 juni 1969 No. 16.095 H.C. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het beroepschrift in cassatie van Mr. [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 augustus 1968 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1965; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende is aangeslagen in de inkomstenbelasting voor het jaar 1965 naar een belastbaar inkomen van f 23.795, -- , welke aanslag na reclame werd gehandhaafd; Overwegende dat belanghebbende in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof, na overwogen te hebben, dat het geschil loopt over de vraag of een tweetal betalingen van ieder f 300, -- , welke belanghebbendes werkgeefster voldeed als premies voor verzekeringen, aangegaan door belanghebbendes kinderen, als loon van belanghebbende dient te worden aangemerkt, de navolgende feiten als vaststaande heeft beschouwd: "dat belanghebbende in 1965 bedrijfsjurist was van de naamloze vennootschap [A] N.V. te [Z], een holding-maatschappij van in Nederland en Engeland werkende werkmaatschappijen van het C. en A. concern; dat belanghebbende twee kinderen had, geboren respectievelijk 20 februari 1963 en 23 november 1964; dat in 1957 een voorziening werd getroffen in verband met zogenaamde kinderverzekeringen, waarvan de tekst voor zover van belang voorkomt in B.N.B. 1962/23 pagina 53, regels 33 tot en met 58, pagina 54 en pagina 55, regels 1 tot en met 35; dat hierin in zover wijziging is gekomen dat na 1960 nieuwe verzekeringen niet meer werden gesloten door de vader maar door de kinderen zelf; dat zulks geschiedde tot veiligstelling van de belangen van de kinderen; dat in december 1965 de regeling opnieuw werd vastgesteld en werd neergelegd in de Toelichting betreffende de kinderverzekering, waarvan een afschrift aan het beroepschrift is gehecht; dat op 14 april 1964 de Nationale Levensverzekering-Bank N.V. te Rotterdam - verder te noemen de Nationale - de verzekeringspolis nummer [001] uitreikte, waarin de verzekeringnemer was de oudste van belanghebbendes kinderen, geboren 20 februari 1963, de verzekerde belanghebbende, de verzorgde het kind, het verzekerd kapitaal f 11.552, -- , de premie f 300, -- 's jaars en de datum van ingang van de verzekering 1 januari 1964; dat het kapitaal zou worden uitgekeerd op 1 januari 1991 aan het kind, zo het dan in leven zou zijn; dat de premies vervielen op de eerste januari van elk jaar, indien de verzekerde en de verzorgde op de vervaldag beiden in leven zouden zijn, met dien verstande dat op of na 1 januari 1985 geen premies meer zouden vervallen; dat de polis werd voorzien van de fiscale lijfrenteclausule; dat op 24 maart 1966 de Nationale uitreikte de polis nummer [002], waarin de verzekeringnemer was de jongste van belanghebbendes kinderen, geboren 23 november 1964, de verzekerde belanghebbende, de verzorgde het kind, het verzekerd kapitaal f 11.552, -- , de premie f 300, -- 's jaars en de datum van ingang van de verzekering 1 januari 1965; dat het kapitaal zou worden uitgekeerd op 1 januari 1992 aan het kind, zo het dan in leven zou zijn; dat de premies vervielen op de eerste januari van elk jaar indien de verzekerde en de verzorgde op de vervaldag beiden in leven zouden zijn, met dien verstande dat op of na 1 januari 1986 geen premies meer zouden vervallen; dat de polis niet werd voorzien van de fiscale lijfrenteclausule; dat de werkgeefster van belanghebbende op 16 februari 1965 zowel op polis [001] als op polis [002] een som van f 300, -- voor 12 maanden premie voldeed, waarvan de verschijndag zou zijn 1 januari 1965; dat belanghebbende het bedrag van f 600, -- in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over 1965 niet aanmerkte als loon, doch de Inspecteur belanghebbendes aangegeven inkomen ad f 23.195,10, berekend onder aftrek van f 300, -- wegens premie voor lijfrente, met het bedrag van f 600, -- verhoogde en er de aanslag regelde naar een belastbaar inkomen van f 23.795, --; dat de in aftrek gebrachte premie voor lijfrente betrof de betaalde premie op polis [001];"; Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven: "Dat de belanghebbende heeft aangevoerd: dat de door de werkgeefster gedane betalingen ten behoeve van de kinderen voortvloeien uit zijn dienstbetrekking; dat hij echter de in geding zijnde bedragen niet als loon heeft genoten omdat a. uit de getroffen regeling in het geheel geen aanspraken ontstaan als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de of Wet op de loonbelasting 1964; b. zo er al dergelijke aanspraken aan de regeling worden ontleend, die aanspraken aan de kinderen zijn toegekend en niet aan hem; dat, voor wat betreft het onder a aangevoerde, artikel 10, lid 2, beperkt moet worden uitgelegd en moet voldoen aan de voorwaarden dat de werknemer, casu quo zijn nabestaanden, de toegezegde prestatie eerst later - in het algemeen bij het einde van de dienstbetrekking - kunnen opeisen en dat de werknemer uit zijn dienstbetrekking rechten verkrijgt die hij buiten zijn werkgeefster om geldend kan maken; dat het in ieder geval moet gaan om aanspraken op prestaties, waarop de werknemer of zijn nabestaanden recht hebben op een toekomstig tijdstip; dat van dit alles in casu geen sprake is en elk van de kinderen van zijn, belanghebbendes, werkgeefster per jaar f 300, -- loon ontvangt, een prestatie waarop zij per 1 januari van elk jaar recht hebben uit eigen hoofde; dat deze f 300, -- worden aangewend om de premieschuld aan de verzekeringsmaatschappij te voldoen en de aanspraken van de kinderen jegens de verzekeringsmaatschappij worden gedekt door stortingen van de kinderen zelf, de werknemers krachtens wetsduiding; dat de situatie op één lijn is te stellen met die waarin de werkgever goede diensten verleent bij de totstandkoming van een collectief contract inzake ziektekosten- of ongevallenverzekering, doch de werknemers zelf verzekerden zijn en in beginsel zelf de premies dienen te betalen, al dan niet daartoe in staat gesteld door een salarisverhoging; dat de werkgeefster het bedrag van f 300, -- per kind "tot wederopzeggens toe" ter beschikking stelt en de kinderen derhalve nimmer enige aanspraak jegens zijn, belanghebbendes, werkgeefster in rechte kunnen doen gelden; dat de kinderen slechts als de regeling op 1 januari niet is opgezegd en aan de overige voorwaarden is voldaan van de werkgeefster betaling kunnen vorderen van f 300, -- en verdere rechten jegens de verzekeringsmaatschappij moeten geldend maken; dat, voor wat betreft het onder b aangevoerde, de aanspraken, zo hiervan sprake mocht zijn, zijn toegekend aan de kinderen en ingevolge artikel 2, lid 1, slot, van de Wet op de loonbelasting 1964 loon van de kinderen uitmaken; dat hij, belanghebbende, aan de regeling geen recht ontleent; dat de Inspecteur heeft aangevoerd: dat primair is de regeling, welke aan de verzekeringen ten grondslag ligt en waaraan het staflid (belanghebbende) zijn aanspraken ontleent; dat de polissen slechts uitmaken een accessoir van de eigenlijke regeling; dat de regeling inhoudt dat de werkgeefster een voorziening treft om de kinderen van personeelsleden een kapitaal ter beschikking te stellen bij het bereiken van de 27-jarige leeftijd en zodanige voorziening een aanspraak op uitkeringen als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudt; dat aan aanspraken op uitkeringen niet in de weg staat dat bij de ter uitvoering van de regeling gesloten verzekeringen de kinderen als verzekeringnemer zijn opgetreden; dat de bedoeling van de regeling was, zoals blijkt uit de feitelijke overwegingen van een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, opgenomen in het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 1963, nummer 14949, gepubliceerd in B.N.B. 1963/163, pagina 457, regels 35 tot en met 46, de aanvullende kinderbijslag te verhogen met f 300, -- per jaar per kind en nader besloten werd de f 300, -- toeslag aan te wenden als premie voor kapitaalverzekeringen ten behoeve van de kinderen; dat artikel 2, lid 1, slot, van de Wet op de loonbelasting 1964 niet aan de orde komt, aangezien moet worden uitgegaan van aan de - eigenlijke - werknemers toekomende aanspraken op uitkeringen en de regeling van artikel 2, lid 1, slot, niet beoogt het mogelijk te maken dat aan de - eigenlijke - werknemer toekomend loon wordt gesplitst in loon van hem zelf en loon van zijn kinderen;"; Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen: "dat voor de heffing van de inkomstenbelasting het begrip loon dient te worden opgevat overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting en voor de vraag of zich een in aanmerking te nemen aanspraak op uitkeringen voordoet dient te worden uitgegaan van de omschrijving van artikel 10, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964; dat uitgangspunt dient te zijn de als deel van de arbeidsvoorwaarden getroffen regeling en zowel de aanhef van de regelingen van 1957 als die van 1965 inhouden een tegemoetkoming aan de werknemers die als ouders na de voltooiing van de opleiding van een kind vaak voor grote uitgaven komen te staan wanneer zij het kind een passende plaats in de maatschappij willen bezorgen; dat de aanspraken welke werden verleend om de kinderen op 27-jarige leeftijd de nodige middelen te verschaffen, voldoen aan de omschrijving van artikel 10, lid 2, voornoemd; dat ook de premies waren voor rekening van belanghebbendes werkgeefster en van eigen stortingen geen sprake was; dat niet ter zake doet of de werkgeefster de premies voldeed tot wederopzegging aangezien de werkgeefster in ieder geval in 1965 de premies voldeed en in dit jaar aanspraken ontstonden; dat de strekking van de regeling was de in dienstbetrekking zijnde ouders te bevoordelen door dezen te ontheffen van uitgaven ten behoeve van hun kinderen en derhalve de aanspraken de ouder-werknemer ten goede kwamen; dat de Inspecteur terecht de aanspraken bij belanghebbende in de belasting heeft betrokken; "; Overwegende dat het Hof dienvolgens de beschikking van de Inspecteur heeft bevestigd; Overwegende dat belanghebbende tegen deze uitspraak als middel van cassatie aanvoert: "Schending van het Nederlandse recht of verzuim van vormen uit de niet-inachtneming waarvan nietigheid voortvloeit, meer in het bijzonder schending van de rechtsregels, vervat in of voortvloeiende uit de artikelen 2, lid 1 (slot), en 10, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met artikel 22, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, doordien het Hof heeft beslist, dat aan hem als ouder-werknemer aanspraken ten goede kwamen en deze terecht bij hem in de belasting zijn betrokken, welke beslissing onjuist is, primair, omdat de regeling geen aanspraken behelst in de zin van artikel 10, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964, subsidiair, omdat, zo de regeling al dergelijke aanspraken zou bevatten, deze niet aan de ouder-werknemer zijn toegekend, maar aan diens kinderen. Artikel 2, lid 1 (slot), van de Wet op de loonbelasting 1964 betrekt te dier zake die kinderen zelf in de heffing van de loonbelasting. De opvatting dat dit anders is, indien de ouder- werknemer ten gevolge van die toekenning wordt "bevoordeeld", vindt in de tekst van de Wet geen steun en is in strijd met de bedoeling van de wetgever, zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis van genoemde wettelijke bepaling;"; Overwegende naar aanleiding van het middel: dat volgens artikel 22, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 inkomsten uit arbeid zijn alle niet als winst uit onderneming aan te merken voordelen die worden genoten als loon uit dienstbetrekking, terwijl volgens het tweede lid van dit artikel het begrip loon behoudens een hier niet ter zake doende uitzondering wordt opgevat overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting; dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld: dat de werkgeefster van belanghebbende op 16 februari 1965 twee maal f 300, -- voldeed als premies op twee verzekeringspolissen; dat verzekeringnemers van de in de polissen belichaamde verzekeringsovereenkomsten waren de twee kinderen van belanghebbende; dat de regeling, krachtens welke de werkgeefster deze betaling deed, een onderdeel vormde van belanghebbendes arbeidsvoorwaarden; dat volgens de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten; dat voormelde twee maal f 300, -- ingevolge het bepaalde bij de door belanghebbende met zijn werkgeefster gesloten arbeidsovereenkomst werden voldaan, en derhalve uit zijn dienstbetrekking werden genoten en het niet ter zake doet, dat belanghebbende over deze bedragen niet de vrije beschikking had en dat deze niet aan hem werden ter hand gesteld, doch met zijn bij de arbeidsovereenkomst gegeven toestemming door de werkgeefster werden besteed tot voldoening van voormelde premies; dat de bedragen van f 300, -- derhalve voor belanghebbende loon in bovenvermelde zin en dus inkomsten uit arbeid vormen; dat de zinsnede in artikel 2, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 "dan wel uit een bestaande privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van een ander" hiervoor geen beletsel vormt, daar deze zinsnede, zowel blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming als blijkens haar strekking ziet op het geval, dat uitkeringen, door een werkgever gedaan aan een derde, voor degene, die bij hem in dienstbetrekking is, niet als loon in bovenvermelde zin kunnen worden aangemerkt; Overwegende dat het middel in zijn beide onderdelen derhalve niet tot cassatie kan leiden; Verwerpt het beroep. Gedaan bij de Heren van Rijn van Alkemade, Vice- President, van der Linde, Polak, Vroom en Telders, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de achttiende juni 1900 negenenzestig, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier Joosten.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.