(1954)schreef de Gemeente Universiteit te Amsterdam een prijsvraag uit over "Het recht van navordering". De inzending van Scheltens werd bekroond. De gouden erepenning werd hem op 9 januari 1956 uitgereikt. Hoewel zijn publicatie bij geïnteresseerden bekend was, heeft vooral de verschijning in januari 1958 als monografie bij Kluwer aan zijn ideeën een zeer grote mate van bekendheid gegeven. Zijn visie was is ieder geval bekend bij Minister Hofstra en de fiscale specialisten (onder andere Lucas en Van Leeuwen) bij de behandeling in de Tweede Kamer in februari en mei
- De wetgever heeft toen zeer uitdrukkelijk de zienswijze Scheltens verworpen (amendement Lucas bij artikel 16). Bij de behandeling in de Eerste Kamer in juni 1959 hebben specialisten als Staatssecretaris Van den Berge en prof. Hellema deze verwerping niet aangetast. De literatuur en de jurisprudentie zijn dan ook eensluidend van oordeel, dat een geval ambtelijk verzuim als het onderhavige niet kan leiden tot navordering. Zelfs Scheltens is in zijn publicatie in Weekblad voor Fiscaal recht 4802/1966 zijns inziens tot die conclusie gekomen, ook al pleit hij nog steeds op oude - maar inmiddels verworpen - historische gronden en op grond van billijkheid voor een interpretatie: a. tegen de voldoende duidelijke wetshistorie van 1958/1959 en b. tegen de letterlijke tekst van de wet. Zijn grootste aanhanger, J.H. Drent, heeft in het Weekblad voor Fiscaal recht 5028 (25 februari 1971) overigens na het noemen van een soortgelijk geval - de enig logische conclusie getrokken. Hij pleit voor wetswijziging, na te hebben geconcludeerd: " "Met Scheltens ben ik van mening dat vóór de inwerkingtreding van deze wet de mogelijkheid van ombuiging van de jurisprudentie een reële was, de wettekst bood daarvoor - zeker nadat Scheltens zijn licht daarop had doen schijnen - voldoende ruimte. Na aanvaarding echter van het amendement Lucas (laatste zin, 1e lid van artikel 16), waarbij bedoeld werd de geldende jurisprudentie als het ware in de tekst te bevriezen, zou ik de kreet van Scheltens "zo zie ik dan de strijd nog niet verloren" vermoedelijk niet hebben durven slaken en ik meen dat de ontwikkeling van de jurisprudentie het verlies ook wel duidelijk heeft gemaakt. Ik pleit daarom voor een wetswijziging waarbij wij komen tot een duidelijke tekst waaruit een normaal burger iets kan lezen en waarbij het navorderingsbeleid gebracht wordt onder de mogelijkheid van marginale toetsing. Met dit doel voor ogen bepleit ik de volgende wetteksten" ". ad c. Ten aanzien van "ambtelijk verzuim" en "nieuw feit" behoeft geen toelichting te worden gegeven. In de jurisprudentie is nog te wijzen op één oude uitspraak: De ontdekking dat een aanslag door een rekenfout der Administratie tot een te laag bedrag is opgelegd, is geen feit dat aanleiding kan geven tot navordering, Resolutie 17 april 1917, nummer 80B, nummer
- (Vakstudie A.W., bladzijde 360b). Het lijkt onjuist dat de rechter op grond van redelijkheidsmotieven in een concreet geval ingaat tegen de tekst en wetshistorie. Indien de wetgever meent dat een redelijke belastingheffing in het gedrang komt, zou hij dat moeten oplossen door wetswijziging."; Overwegende te dien aanzien: dat uit 's Hofs uitspraak blijkt: dat belanghebbende over het jaar 1969 een belastbaar inkomen aangaf van ƒ 285.695,99 en dat hij een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting voor dat jaar had ontvangen ten bedrage van ƒ 179.322,--; dat hij daarna in de inkomstenbelasting voor dat jaar werd aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 29.119,-- voor een bedrag aan belasting van ƒ 6.908,-- met teruggave van ƒ 172.438,--; dat zulks daardoor is veroorzaakt dat een ambtenaar van het Centraal bureau administratie heffing rijksbelastingen te Apeldoorn bij het ter verduidelijking opnieuw schrijven van het bedrag van het belastbare inkomen op de door de Inspecteur toegezonden elementennota ten bedrage van ƒ 291.119,-- abusievelijk een van de cijfers 1 wegliet; dat de Inspecteur belanghebbende twee dagen na de verzending van het aanslagbiljet ervan in kennis stelde, dat de aanslag berustte op een administratieve fout (mitsdien een ambtelijk verzuim); dat belanghebbende dit zelf reeds had bemerkt; dat, voor het geval enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, blijkens artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de hoofdregel is, dat de te weinig geheven belasting kan worden nagevorderd; dat hierop blijkens de laatste volzin van artikel 16, lid 1, slechts deze uitzondering bestaat, dat een feit, dat de inspecteur bekend was of bekend had kunnen zijn, geen grond tot navordering kan opleveren; dat deze uitzondering bedoeld is voor - en mitsdien, gelet op de hoofdregel, geacht moet worden te zijn beperkt tot - die gevallen, waarin een aanslag bij de belastingplichtige de indruk kan wekken te berusten, wat de inkomstenbelasting betreft, op een - zij het mogelijk onjuiste - vaststelling van het belastbare inkomen door de inspecteur; dat onder deze uitzondering echter niet kan worden begrepen een geval als het onderhavige, waarin bij het vaststellen van de aanslag het belastbare inkomen - dat naar onbetwist is niet ƒ 29.119,-- maar ƒ 291.119,-- bedroeg - zonder enige denkbare reden werd gesteld op ongeveer een tiende deel van het aangegeven belastbare inkomen en waarin duidelijk was - en door belanghebbende blijkens 's Hofs vaststelling ook onmiddellijk is begrepen - dat zulks berustte op een schrijf- of tikfout of daarmee gelijk te stellen vergissing; dat het beroep van belanghebbende op de laatste volzin van artikel 16, lid 1, dan ook moet worden verworpen, het Hof een juiste beslissing heeft gegeven, en het door belanghebbende aangevoerde niet tot cassatie kan leiden; Verwerpt het beroep. Gedaan bij de Heren Van der Loos, Vice-President, Eijssen, Peters, Vroom en Telders, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de zesde juni 1900 drie en zeventig, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier Joosten.