29 november 1974 Br. De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak nr. 10.780 van [eiser] , wonende te [plaats] , eiser tot cassatie van twee door de Rechtbank te Maastricht tussen partijen gewezen vonnissen van 18 mei 1972 en 25 oktober 1973, kosteloos procederende krachtens beschikking van de Hoge Raad van 5 februari 1974, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, advocaat bij de Hoge Raad, tegen 1. de vennootschap onder firma [verweerster 1], gevestigd te [plaats] , 2. [verweerder 2], wonende te [plaats] , 3. [verweerder 3], wonende te [plaats] , verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. W. Blackstone, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal ten Kate in zijn conclusie tot verwerping van het beroep voor zover het tussenvonnis betreffende en tot vernietiging van het bestreden eindvonnis van 25 oktober 1973 met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ten einde de behandeling daarvan voort te zetten en te beslissen met inachtneming van het door de Hoge Raad te wijzen arrest en met veroordeling van de Firma c.s. in de kosten op het beroep in cassatie gevallen met toepassing van artikel 865 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; Gezien de stukken; Overwegende dat uit de bestreden vonnissen en de stukken van het geding blijkt: dat eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - bij verzoekschrift van 17 december 1970, gericht tegen de verweerders in cassatie - hierna onderscheidenlijk aan te duiden als de Firma, [verweerster 1] , en gezamenlijk als de Firma c.s. - , zich heeft gewend tot de Kantonrechter te Maastricht en heeft gesteld: "dat hij op 23 juli 1956 voor onbepaalde tijd als chauffeur in dienst is getreden en sindsdien zonder onderbreking is gebleven bij de Firma, alwaar hij laatstelijk werkzaam was als chauffeur tegen een brutoloon van f 215, -- per week; dat hij op 7 september 1970 na het verrichten van de hem opgedragen werkzaamheden door uitlatingen van de beherende vennoot [verweerder 3] en diens echtgenote zich zodanig ernstig gegriefd en beledigd gevoeld heeft, dat hij totaal over zijn toeren raakte en gezegd heeft dat hij "de volgende dag dan maar niet meer zou komen werken"; dat [eiser] zelfs nog totaal overstuur was bij zijn thuiskomst en zich nog diezelfde avond onder doktersbehandeling heeft moeten stellen en ook thans nog altijd onder doktersbehandeling staat, zijnde hij nog steeds overspannen; dat [eiser] daags daarna op 8 september 1970, nadat een zijner zoons hem bij de Firma ziek gemeld had, een door alléén [verweerder 3] ondertekend ontslagbewijs toegezonden kreeg waarop vermeld was dat hem op 7-9-1970 op eigen verzoek om 19.45 uur met onmiddellijke ingang ontslag uit de dienstbetrekking was verleend; dat door althans namens [eiser] onmiddellijk hiertegen geprotesteerd is bij schrijven van 12 september 1970 aan de Firma, met de mededeling dat hij totaal overstuur was geraakt en wel dusdanig dat hij zich later niet eens meer kon herinneren wat hij gezegd of gedaan had en derhalve deze ontslagaanvraag volgens hem onder abnormale omstandigheden gedaan was; dat [eiser] alstoen als gevolg van een psychische stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen en zich niet de strekking van zijn gezegde: "Ik zal morgen maar niet meer komen", heeft kunnen realiseren;"; dat [eiser] op deze gronden heeft gevorderd het door hem op 7 september 1970 genomen ontslag uit de dienstbetrekking bij de Firma nietig te verklaren; dat de Firma c.s. hebben ontkend dat [eiser] , toen hij de door hem aangehaalde woorden sprak, totaal overstuur was en zijn ontslagaanvraag onder abnormale omstandigheden heeft gedaan, en hebben gesteld dat [eiser] in volle bewustzijn heeft gesproken en niets heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat [eiser] als gevolg van een psychische stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen, zodat het ontslag nietig zou moeten worden verklaard of nietig zou zijn; dat na verder debat tussen partijen de Kantonrechter bij vonnis van 19 mei 1971 [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk heeft verklaard uit overweging: "dat [eiser] stelt sedert 23 juli 1956 bij de Firma in dienst geweest te zijn als chauffeur, laatstelijk tegen een brutoloon van f 215, -- per week, en op 7 september 1970 na het verrichten van zijn werk door uitlatingen van de vennoot [verweerder 3] zich zo ernstig gegriefd en beledigd gevoeld te hebben dat hij totaal over zijn toeren raakte en gezegd heeft dat hij "de volgende dag dan maar niet meer zou komen werken", hetgeen hij zelf als een ontslagaanvrage betitelt, waarvan hij de nietigverklaring verzoekt omdat hij als gevolg ener psychische stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen, hebbende hij zich volgens zijn verklaring diezelfde avond nog onder doktersbehandeling gesteld; dat ook de Firma voormeld gezegde als een ontslagname van [eiser] beschouwd heeft zoals blijkt uit de omstandigheid dat [eiser] reeds daags daarna een door de vennoot [verweerder 3] ondertekend ontslagbewijs heeft toegezonden gekregen, waarop vermeld stond dat aan [eiser] op 7 september 1970 op eigen verzoek om 19.45 uur met onmiddellijke ingang ontslag uit de dienstbetrekking is verleend hetgeen immers betekende dat de Firma de ontslagname van [eiser] accepteerde en Wij dan ook met beide partijen van oordeel zijn dat in het gezegde van [eiser] als door hem geciteerd en speciaal in het daarin opgenomen woordje "meer" een terstond ingaande ontslagname was gelegen, hetgeen nog eens bevestigd wordt door hetgeen [eiser] in zijn brief aan de Firma van 12 september 1970 schrijft en waarin hij verzoekt het door hem aangevraagde ontslag op 7 september 1970 als niet gedaan te beschouwen; dat de Firma heeft ontkend dat [eiser] , toen hij zijn ontslag nam, zodanig over zijn toeren heen was dat hij niet wist wat hij deed en ook ontkend heeft dat de firmant [verweerder 3] hem tevoren ernstig gegriefd en beledigd had, al geeft zij toe dat tot [eiser] op genoemde dag wel verwijten gericht zijn over bepaalde tekortkomingen, waarbij een woordenwisseling heeft plaatsgehad, terwijl zij ontkend heeft dat [eiser] zich wegens zijn overspannen toestand als gevolg daarvan nog diezelfde avond onder doktersbehandeling heeft moeten stellen; dat partijen ook overigens een verschillende lezing geven omtrent hetgeen de avond van de ontslagname is gebeurd, waaromtrent [eiser] stelt dat een dochter van de firmant [verweerder 2] met haar verloofde zich bij hem vervoegd heeft om mee te delen dat [verweerder 2] liet zeggen dat [eiser] zich maar ziek moest melden hetgeen zijn zoon daags daarop dan ook namens [eiser] gedaan heeft terwijl de Firma alleen dit laatste toegeeft; dat [eiser] , zolang de Firma de ontslagname nog niet had aanvaard, door intrekking ervan zijn eenzijdige daad wellicht nog ongedaan had kunnen maken doch dit niet meer mogelijk was nadat de Firma uitdrukkelijk verklaard had de ontslagname te aanvaarden, welke mededeling [eiser] volgens zijn eigen mededeling reeds op 8 september 1970 schriftelijk heeft bereikt, hebbende [eiser] niet gesteld dat tevoren zijn zoon de ontslagname namens hem zou hebben ingetrokken doch alleen dat genoemde zoon bij de Firma gemeld heeft dat zijn vader ziek was; dat onder deze omstandigheden [eiser] ' daad onherroepelijk werd door de acceptatie van de Firma; dat [eiser] in zijn vordering tot nietigverklaring van zijn ontslagvrage niet kan worden ontvangen nu hij daarvoor geen voldoende gronden heeft gesteld die zodanig rechtsgevolg zouden kunnen meebrengen en uit hetgeen hij gesteld heeft alleen maar volgt dat hij in een opwelling van drift gehandeld heeft waarvan hij blijkbaar nadien spijt gekregen heeft;"; dat [eiser] van dit vonnis in hoger beroep is gekomen bij de Rechtbank te Maastricht , die bij vonnis van 18 mei 1972 heeft overwogen: "1. dat [eiser] drie grieven heeft aangevoerd, waarvan de twee laatste als inhoudelijk voor het merendeel samenvallend en het meest verstrekkend hier eerst zullen worden besproken; 2. dat beide bedoelde grieven zich richten tegen de overwegingen van de Kantonrechter, 1) dat [eiser] , zolang de Firma de ontslagname nog niet had aanvaard, door intrekking ervan zijn eenzijdige daad wellicht nog ongedaan had kunnen maken doch dit niet meer mogelijk was, nadat de Firma uitdrukkelijk verklaard had de ontslagname te aanvaarden, welke mededeling [eiser] reeds op 8 september 1970 schriftelijk heeft bereikt, en 2) dat door deze acceptatie [eiser] ' daad onherroepelijk werd; 3. dat voor zover [eiser] in deze grieven wil betogen, dat niet bewezen is dat de Firma de ontslagname heeft aanvaard, omdat [verweerder 2] het ontslag niet heeft geaccepteerd, afgezien van de vraag of dit laatste juist is, zulks geen doel kan treffen als strijdig met het uitgangspunt van [eiser] , daar deze zelf immers zijn vordering baseert op de stelling, dat een ontslagovereenkomst tot stand is gekomen - zij het dat deze naar zijn opvatting vernietigbaar is -, hetgeen evenzeer geldt voor zover [eiser] met zijn laatste grief wil betogen, dat het ontslag niet onherroepelijk was omdat hij toen hij ontslag nam impos mentis was, voor zover hij hiermede bedoelt, dat een ontslagovereenkomst niet is tot stand gekomen; 4. dat voor zover [eiser] met dit laatste bedoelt, dat de ontslagovereenkomst in dit geval wel vernietigbaar is, de inhoud van de laatste grief feitelijke grondslag mist, zijnde de Kantonrechter na zijn overweging, dat [eiser] in zijn vordering niet kan worden ontvangen, niet aan het oordeel toegekomen omtrent de vernietigbaarheid, en de grief mitsdien moet worden verworpen; 5. dat de eerste grief is gericht tegen de overweging van de Kantonrechter, "dat [eiser] in zijn vordering tot nietigverklaring van zijn ontslagaanvrage niet kan worden ontvangen, nu hij daartoe niet voldoende gronden heeft gesteld, die zodanig rechtsgevolg zouden kunnen meebrengen, en uit hetgeen hij gesteld heeft alleen maar volgt, dat hij in een opwelling van drift gehandeld heeft, waarvan hij blijkbaar later spijt heeft gekregen", omdat er volgens [eiser] geen sprake is geweest van een opwelling van drift, hetgeen ook volgens [eiser] niet uit zijn stellingen in prima is gebleken, doch dat hij volledig over zijn toeren was en derhalve niet in staat om zijn wil vrij te bepalen; 6. dat de Kantonrechter naar het oordeel der Rechtbank uit de stelling dat [eiser] , zoals vaststaat na een woordenwisseling, waarbij hem verwijten zijn gemaakt, volledig over zijn toeren was toen hij te kennen gaf ontslag te willen nemen, terecht heeft kunnen afleiden, dat [eiser] in een opwelling van drift heeft gehandeld; 7. dat deze opwelling van drift, mede naar het oordeel der Rechtbank, gepaard kan zijn gegaan met een toestand, waarin [eiser] zijn wil niet meer geheel vrij kon bepalen; 8. dat weliswaar de stelling van [eiser] , dat hij geheel over zijn toeren raakte, nog niet noodzakelijk behoeft mede te brengen een psychische toestand, waarin hij sprekende over het ontslag uit zijn dienstbetrekking niet meer in staat was zijn wil daaromtrent vrij te bepalen, doch dat [eiser] ook heeft gesteld, dat hij als gevolg van een psychische stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen toen hij zei: "Ik zal morgen niet meer komen", hetgeen de Rechtbank, nu [eiser] bij akte in hoger beroep nog heeft gesteld - zij het dat dit nog niet vaststaat en mitsdien door [eiser] bewezen moet worden - dat het [verweerder 3] duidelijk is geweest dat het door [eiser] in zwaar overspannen toestand genomen ontslag niet als een weloverwogen en onherroepelijke ontslagname zijnerzijds bedoeld kan zijn, hetgeen de Rechtbank wil opvatten in die zin, dat de stoornis van [eiser] aan [verweerder 3] voldoende kenbaar is geweest, - zij het ook summier - voldoende oordeelt om tot grondslag der vordering te dienen; 9. dat deze grief derhalve doel treft en voormeld vonnis in zoverre niet in stand kan blijven, dat [eiser] alsnog ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering; 10. dat, nu de Firma c.s. hebben betwist dat er, toen [eiser] de woorden sprak: "Ik zal morgen niet meer komen", bij hem een zodanige psychische stoornis aanwezig was dat hij niet vrij was om zijn wil te bepalen en dit uit de wel vaststaande feiten niet valt af te leiden, [eiser] ingevolge zijn desbetreffend reeds in prima gedaan en in appèl uitdrukkelijk herhaald aanbod tot het bewijs zal worden toegelaten als in het dictum omschreven;"; dat de Rechtbank op die gronden [eiser] alsnog ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering en in zoverre het vonnis van de Kantonrechter heeft vernietigd, en voorts [eiser] heeft toegelaten door getuigen te bewijzen zodanige feiten en omstandigheden, waaruit kan blijken, dat hij ten gevolge van een psychische stoornis niet in staat was zijn wil vrij te bepalen, toen hij in aanwezigheid van [verweerder 3] als chauffeur in dienst van de Firma op 7 september 1970 de woorden bezigde: "Ik zal morgen niet meer komen", en dat dit aan [verweerder 3] voldoende duidelijk is geweest althans voldoende duidelijk had moeten zijn; dat na getuigenverhoor de Rechtbank bij vonnis van 25 oktober 1973 aan [eiser] zijn vordering heeft ontzegd met bevestiging van het vonnis van de Kantonrechter voor wat betreft de veroordeling van [eiser] in de proceskosten en verwijzing van [eiser] ook in de kosten der appelprocedure; dat de Rechtbank hiertoe heeft overwogen: "dat thans moet worden nagegaan of [eiser] geslaagd is in het hem bij voormeld tussenvonnis opgedragen bewijs; dat de Rechtbank door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] als gerelateerd in het desbetreffende proces-verbaal, in onderlinge samenhang bewezen acht, dat [eiser] , nadat hij de uitlatingen had gedaan waaruit zijn ontslagname moest blijken, geheel overstuur was, zoals de getuige [getuige 1] heeft gezegd, hetgeen versterkt wordt door de verklaringen van de zoons van [eiser] dat [eiser] toen hij kort daarna thuis was huilde, overstuur was en wartaal sprak; dat de zoons van [eiser] de scène op het bedrijf van de Firma niet hebben meegemaakt doch dat de toestand van [eiser] kort daarna thuis, welke vaststaat, het vermoeden oplevert, dat [eiser] tijdens het gesprek op het kantoor in dezelfde gemoedstoestand verkeerde, hetgeen door de verklaring van [getuige 1] wordt bevestigd; dat echter door die verklaringen, voor zover daaruit zou mogen worden geconcludeerd, dat er sprake was van een psychische stoornis bij [eiser] zodanig dat hij niet vrij was zijn wil te bepalen op het moment dat hij ontslag nam, niet bewezen is, dat dit op dat moment ook aan [verweerder 3] duidelijk was of voldoende duidelijk had moeten zijn; dat het door [eiser] genomen en door de Firma aanvaarde ontslag derhalve niet voor vernietiging in aanmerking komt en de vordering mitsdien aan [eiser] moet worden ontzegd;"; Overwegende dat [eiser] de beide vonnissen van de Rechtbank bestrijdt met het navolgende middel van cassatie: "Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, in het bijzonder van de artikelen 1356, 1374, 1375, 1377, 1395, 1397, 1399, 1401, 1402, 1403, 1638, 1638 z, 1639 g, 1639 h, 1639 i, 1639 j, 1639 k, 1639 0, 1639 s, 1639 t, 1902, 1903, 1910, 1952, 1959 en 2014 van het Burgerlijk Wetboek, 48, 59, 103, 104, 125 a, 199, 200, 200 A, 347, 348 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20, 39 en 54 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, 20, 39 en 54 van de Wet van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, 20, 21 en 22 van de Werkloosheidswet, 175 van de Grondwet, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormelde vonnissen is omschreven, ten onrechte 1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.