← Nederland

ECLI:NL:HR:1975:AB4300

9 december 1975 Nr. 4186E Herz. JK De Hoge Raad der Nederlanden, beschikkende in Raadkamer, Op de op 25 juli 1975 ingekomen aanvrage van [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1923, wonende te [plaats], om herziening van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 25 maart 1975, waarbij verzoeker ter zake van "overtreding van voorschriften, gesteld krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten" is veroordeeld tot hechtenis voor de tijd van één maand ; Gelet op de conclusie van de Advocaat-Generaal Kist, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de aanvrage; Gezien de stukken; Overwegende dat voormeld op tegenspraak gewezen vonnis tegen de zich ter zake van het ter terechtzitting onderzochte feit niet in voorlopige hechtenis bevonden hebbende verzoeker - nu binnen veertien dagen na de uitspraak van dat vonnis daartegen enig gewoon rechtsmiddel niet is ingesteld - voor wat betreft alle daarin vervatte beslissingen in kracht van gewijsde is gegaan en dit rechtsgevolg niet te loor is gegaan doordat verzoeker alsnog op 8 juli 1975 tegen dat vonnis hoger beroep heeft ingesteld, waarin hij inmiddels bij arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 oktober 1975 niet-ontvankelijk is verklaard; Overwegende dat de hiervoren vermelde veroordeling van verzoeker is gegrond op de bewezenverklaring te zijnen laste: "dat toen de vennootschap [A] , gevestigd te [plaats] , in de periode van 13 augustus 1973 tot 24 oktober 1973 te Utrecht een wisselend aantal werknemers als arbeidskrachten ter beschikking heeft gesteld (in de zin van artikel 1 lid 1 sub b van de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten) van de besloten vennootschap [B] B.V. te [plaats] , zonder vergunning te verlenen door de Minister van Sociale Zaken, hij, verdachte, aldaar alstoen als vennoot van voormeld [A] de feitelijke leiding heeft gehad bij dit verboden handelen"; Overwegende dat verzoeker ter ondersteuning van zijn aanvrage heeft doen aanvoeren: "dat namens hem op de terechtzitting werd betoogd, dat de waardering van het te laste gelegde feit afhangt van de beoordeling van een geschilpunt van burgerlijk recht, met name de vraag van burgerlijk recht of de aan de te laste gelegde handelingen ten grondslag liggende overeenkomst er een was van aanneming (regie-overeenkomst) of van uitlening; dat de Economische Politierechter op dit geschilpunt beslissende een declaratoir vonnis gaf, waarvan verzoeker naar de regelen van burgerlijk procesrecht in hoger beroep op het Gerechtshof mocht komen voordat de strafvervolging tegen hem werd voortgezet; dat daartoe een grosse van deze beslissing aan hem had behoren te worden afgegeven en zulks niet geschied zijnde zijn appèl, althans tegen deze beslissing van de Economische Politierechter, niet als tardief kan worden aangemerkt; dat te voorzien valt, dat het Gerechtshof de opvatting van de Economische Politierechter op het stuk van de aard van de overeenkomst niet zal delen en dus niet tot een veroordeling zal komen; dat verzoeker bovendien - in het onverhoopte geval dat zijn hoger beroep in zijn geheel als tardief zal worden aangemerkt - gerechtigd is tegen zijn partner in de overeenkomst die tot zijn veroordeling leidde, een vordering tot schadevergoeding in te stellen in welk geval de vraag naar de aard van die overeenkomst definitief kan worden beslist; dat deze omstandigheden met de uitspraak en de executie van het vonnis niet bestaanbaar schijnen in dier voege, dat ernstig vermoeden ontstaat, dat - waren zij ten tijde van de terechtzitting bekend geweest - het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot ontslag van rechtsvervolging, althans vrijspraak van de requirant tot revisie"; Overwegende dat noch het aangevoerde met betrekking tot het openstaan van hoger beroep tegen enige bij vorenbedoeld vonnis van de Economische Politierechter gegeven beslissing en de te verwachten resultaten van zodanig hoger beroep, noch het gestelde met betrekking tot het aan verzoeker toekomende recht een vordering tot schadevergoeding in te stellen, oplevert enige in artikel 457 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde omstandigheid; Gezien de artikelen 459 en 460 van genoemd Wetboek; Verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk. Gedaan en gewezen te 's-Gravenhage de negende december 1975 1900 vijf en zeventig bij Mrs. Dubbink, Vice-President, Moons, Fikkert, van der Ven en Bronkhorst, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die deze beschikking hebben ondertekend.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.