20 februari 1976 Br. De Hoge Raad der Nederlanden, In de zaak nr. 10.976 van De naamloze vennootschap N.V. “Pharmaceutische Union”, gevestigd te Oldenzaal, eiseres tot cassatie van een tussen partijen gewezen vonnis van de Arrondissements-Rechtbank. te Almelo van 11 juni 1975, tevens voorwaardelijk incidenteel verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. L.D. Pels Rijcken, advocaat bij de Hoge Raad t e g e n 1) [verweerster 1], wonende te [woonplaats], en 2) [verweerster 2], echtgenote van [A], wonende te [woonplaats], verweerster in cassatie, tevens voorwaardelijk incidenteel eiseressen tot cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J.W. Lely, eveneens advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal ten Kate in zijn conclusie van het beroep met veroordeling van eiseres in de kosten op het beroep in cassatie gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt: dat eiseres - hierna te noemen Union - bij dagvaarding van 13 juni 1968 verweersters - hierna tezamen te noemen [verweersters] - heeft gedagvaard voor de Kantonrechter. te Enschede en daarbij, verkort weergegeven en voor zover in cassatie nog van belang, heeft gesteld: “dat Union van [verweersters] heeft gehuurd een kantoorflat met twee magazijnruimten in het souterrain, gelegen te [plaats] aan [a-straat 1], zulks volgens huurovereenkomst van 20 oktober 1967; dat Union de gehuurde magazijnruimten bezigde en nog bezigt tot de opslag van door haar te verhandelen en te gebruiken verpakte geneesmiddelen, verpakkingsmateriaal en reclamemateriaal; dat op of omstreeks 14 januari 1968 voormelde door Union gehuurde magazijnruimten ten gevolge van het springen van een buiten het gehuurde liggende waterleiding tot een hoogte van circa 20 cm onder water zijn komen te staan; dat Union ten gevolge hiervan schade heeft geleden ten belope van ƒ 46.599,41; dat deze schade een gevolg is van de wanprestatie van [verweersters] als verhuursters, aangezien Union niet van het rustig genot van het gehuurde heeft kunnen genieten en dit ook niet tot het gebruik heeft kunnen bezigen, waartoe het door [verweersters] was verhuurd; dat [verweersters], als verhuursters, bovendien dienen in te staan voor alle gebreken van het gehuurde goed, welke het gebruik daarvan verhinderen en gehouden zijn het uit een dergelijk gebrek voor huurster ontstaan nadeel te vergoeden;” dat Union op deze en andere in cassatie niet meer van belang zijnde gronden heeft gevorderd hoofdelijke veroordeling van [verweersters] tot betaling aan Union van ƒ 46.599,41 met de wettelijke rente, en tot vergoeding van alle overige ter zake als in de dagvaarding vermeld geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met wettelijke rente, alles met veroordeling van [verweersters] in de kosten van het geding; dat [verweersters] deze vordering hebben bestreden; dat de Kantonrechter na het wijzen van tussenvonnissen op 19 juni 1969 en 19 september 1969 omtrent het uitbrengen van een deskundigenbericht bij eindvonnis van 3 december 1970 de vordering van Union heeft toegewezen; dat [verweersters] van het eindvonnis van de Kantonrechter en van de genoemde tussenvonnissen in hoger beroep zijn gekomen, waarna de Rechtbank bij het bestreden vonnis van 11 juni 1975 de tussenvonnissen heeft bekrachtigd doch het eindvonnis heeft vernietigd en alsnog aan Union haar oorspronkelijke vordering heeft ontzegd; dat de Rechtbank daartoe heeft overwogen: “1. dat [verweersters] tijdig in hoger beroep zijn gekomen van voormelde vonnissen; 2. dat de Kantonrechter in zijn vonnis van 19 juni 1969 heeft overwogen, dat Union doordat het souterrain ten gevolge van het springen van een buiten het gehuurde liggende waterleiding onder water is gelopen niet het rustig genot van het gehuurde heeft gehad en [verweersters] hiervoor krachtens het bepaalde bij artikel 1586 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zouden zijn tenzij het springen van de leiding aan een oorzaak te wijten zou zijn, waarvoor [verweersters] niet zouden hebben in te staan; 3. dat, nu tegen deze overweging geen grief is aangevoerd, hiervan dient te worden uitgegaan; 4. dat de Kantonrechter verder heeft overwogen in voormeld vonnis, dat [verweersters] zich slechts dan niet op een van buiten komend onheil zouden kunnen beroepen, indien [verweersters] geweten konden hebben, dat de leiding niet of onvoldoende was geïsoleerd; dat de Kantonrechter bij zijn vonnissen van 4 juni 1969 en 18 december 1969 dienaangaande een onderzoek door deskundigen heeft bevolen; dat de Kantonrechter in zijn vonnis van 3 december 1970 op grond van het deskundigenbericht heeft aangenomen, dat [verweersters] hadden kunnen en moeten weten, dat de dienstleiding onvoldoende geïsoleerd was en dat zij om bevriezing te voorkomen bepaalde maatregelen hadden moeten treffen; 5. dat [verweersters] als eerste grief aanvoeren, dat de Kantonrechter in zijn vonnis van 19 juni 1969 ten onrechte een deskundigenbericht heeft bevolen, nu de in het vonnis aan de orde gestelde vraag geen deskundige beantwoording behoeft doch door de rechter zelf gelet op de omstandigheden van het geval had moeten worden beantwoord, daar de vraag, of een leek iets had kunnen of moeten weten niet beantwoord dient te worden door deskundigen doch op grond van de ervaringsregel in het maatschappelijk verkeer; 6. dat de Kantonrechter aan deskundigen de vraag heeft voorgelegd, of [verweersters] als eigenaressen van het onderwerpelijke pand hadden kunnen en moeten weten, dat de dienstleiding onvoldoende geïsoleerd was en of, indien zij dit hadden kunnen en moeten weten, bij strenge vorst verwarming in de kelder aangebracht had moeten worden; 7. dat de beantwoording van deze vraag niet louter op juridisch gebied ligt doch mede kan afhangen van de feitelijke toestand van de dienstleiding; dat het de Kantonrechter vrij stond, indien hij daaraan behoefte had, over voormelde vraag deskundigenvoorlichting in te winnen, waarbij hij aan het advies van deskundigen niet gebonden is; dat derhalve niet kan worden gezegd, dat de Kantonrechter ten onrechte het deskundigenbericht heeft bevolen; dat de eerste grief derhalve dient te worden verworpen; 8. dat de tweede grief van [verweersters] inhoudt, dat de Kantonrechter ten onrechte het oordeel van de door hem benoemde deskundigen heeft overgenomen, dat [verweersters] hebben kunnen en moeten weten, dat de dienstleiding gevaar voor bevriezen liep; 9. dat tussen partijen vaststaat, dat de dienstleiding door bevriezing is gesprongen in de kelderruimte van een leegstaande winkel met flat gelegen in het aan [verweersters] toebehorende flatgebouw, waarin ook het door Union gehuurde lag, en wel op circa 3 meter afstand van de plaats van binnenkomst in die kelderruimte van die dienstleiding; 10. a. dat blijkens de Verordening van de gemeente [plaats] regelende de voorwaarden voor levering van Gas, Water en Electriciteit door de gemeentebedrijven te [plaats] de dienstleidingen eigendom zijn van de Gemeentebedrijven te [plaats], en aanleg, onderhoud, uitbreiding, wijziging en verwijdering van dienstleidingen geschieden uitsluitend vanwege de directie van de gemeentebedrijven te [plaats] (artikel 7 lid 9 en 10); b. dat blijkens artikel 18 der verordening de verbruiker verplicht is maatregelen te nemen ter voorkoming van schade door vorst aan leidingen en toestellen, welke toebehoren aan de gemeentebedrijven te [plaats], voor zover dit redelijkerwijze van de verbruiker kan worden geëist, waarbij blijkens artikel 1 der Verordening onder “verbruiker” wordt verstaan: de natuurlijke of rechtspersoon, die een door hem ondertekende aanvraag tot levering van gas, water of elektriciteit heeft ingediend, of indien geen aanvraag is ingediend, de natuurlijke of rechtspersoon, die gas, water of electriciteit van de gemeentebedrijven te [plaats] betrekt; c. dat de richtlijnen voor de aanleg van drinkwaterinstallaties in woningen van het Keuringsinstituut van Waterleidingartikelen N.V. Kiwa van augustus 1954 onder meer inhoudt: Wanneer de hoofdkraan cum annexis wordt opgesteld in een put, kelder of kelderkast, welke niet aan de buitenmuur grenst, loopt de dienstleiding gewoonlijk nog over een betrekkelijk grote lengte onder de vloer van de woning door. In het algemeen zal deze leiding van de buitenmuur af omhoog lopen naar de hoofdkraan. Daarbij dient er op te worden gelet, dat dit gedeelte van de dienstleiding ook vorstvrij ligt. Het zal veelal gewenst zijn deze leiding in een mantelpijp te leggen, hierbij wordt de leiding met behulp van isolerend materiaal in de mantelpijp gecentreerd; 11. a. dat blijkens voormelde verordening en naar ook tussen partijen vaststaat de dienstleiding eigendom was van de Gemeentebedrijven te [plaats] en onderhoud, uitbreiding en wijziging van de dienstleiding uitsluitend mocht geschieden vanwege voornoemde Gemeentebedrijven; b. dat blijkens voormelde richtlijnen van Kiwa, die de Gemeentebedrijven bekend dienden te zijn, er op dient te worden gelet, dat de van de buitenmuur naar de hoofdkraan lopende dienstleiding vorstvrij ligt, en deze zonodig geisoleerd dient te worden; 12. a. dat de Gemeentebedrijven, nu zij alleen bevoegd waren de dienstleiding aan te leggen en te onderhouden, er voor dienden te zorgen, dat de dienstleiding gezien de plaatselijke situatie vorstvrij was, waarbij zij er rekening mee dienden te houden dat het pand ongebruikt en onverwarmd kon zijn en dat er in de kelder een raam was, dat mogelijk niet goed gesloten kon zijn bij vorst; b. dat, nu de gemeentebedrijven belast waren met de aanleg en het onderhoud der dienstleiding, [verweersters] als eigenaren van het gebouw, die niet aan de hun niet toebehorende dienstleiding mochten komen, er vanuit mochten gaan, dat de gemeentebedrijven de dienstleiding vorstvrij hadden aangelegd, behoudens bijzondere omstandigheden; c. dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich niet voordeden, nu de dienstleiding in een kelderruimte is bevroren, en het van algemene bekendheid is, dat kelders, ook al is er een raam aanwezig, over het algemeen vorstvrij plegen te zijn ten gevolge vanuit de grond opstijgende warmte; d. dat [verweersters] naar onbetwist vaststaat geen “verbruiker” in de zin van artikel 1 der voormelde verordening waren betreffende het leegstaande flatperceel, waarin de dienstleiding is gesprongen; e. dat artikel 18 der verordening derhalve voor hen niet geldt; f. dat, nu [verweersters] niet met de zorg voor de hen niet toebehorende dienstleiding waren belast en zij er vanuit mochten gaan, dat de gemeentebedrijven de dienstleiding vorstvrij hadden aangelegd, onder de gegeven omstandigheden als voormeld niet gezegd kan worden, dat [verweersters] hadden kunnen en moeten weten, dat de dienstleiding onvoldoende geïsoleerd was en dat zij om bevriezing te voorkomen bepaalde maatregelen hadden moeten treffen; 13. dat de tweede grief derhalve gegrond is; 14. a. dat uit het voorgaande volgt, dat het springen van de dienstleiding te wijten is aan een oorzaak, waarvoor [verweersters] niet hebben in te staan; b. dat derhalve, zoals uit voormelde niet aangevallen overweging in het vonnis van de Kantonrechter van 19 juni 1969 volgt, [verweersters] niet aansprakelijk zijn voor de schade aan Union veroorzaakt door het springen van voormelde dienstleiding; c. dat derhalve de oorspronkelijke vordering dient te worden ontzegd; 15. dat, nu de oorspronkelijke vordering dient te worden ontzegd, de derde en de vierde grief niet meer behoeven te worden behandeld; 16. dat uit het voorgaande volgt, dat de vonnissen van de Kantonrechter van 19 juni 1969 en 18 december 1969 dienen te worden bekrachtigd en dat van 3 december 1970 dient te worden vernietigd; 17. dat Union als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten dient te worden veroordeeld in beide instanties;” dat Union dit arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie: “Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven normen, doordat de Rechtbank op de in haar vonnis vervatte gronden het door de Kantonrechter te Enschede tussen partijen gewezen vonnis van 3 december 1970 heeft vernietigd en de door Union in eerste instantie ingestelde vordering heeft afgewezen, met verdere beslissingen als in het dictum van het vonnis der Rechtbank zijn vervat; zulks ten onrechte om de volgende redenen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.