17 december 1976 HW De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak no. 11.032 van de gemeente Bunde, waarvan de zetel gevestigd is te Bunde, eiseres tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te 's Hertogenbosch van 11 november 1975, vertegenwoordigd door Mr. S.L. Buruma, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n [verweerder 1] , en diens echtgenote [verweerster 2] , beiden wonende te [woonplaats] , verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. L.D. Pels Rijcken, eveneens advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal ten Kate, concluderende tot vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof en met compensatie van de kosten op de voorziening in cassatie gevallen; Gezien het bestreden arrest en de stukken van het geding, waaruit blijkt: dat verweerders in cassatie — verder te noemen [verweerders] — bij exploot van 20 januari 1970 de eiseres tot cassatie — verder te noemen de Gemeente — hebben gedaagd voor de Arrondissementsrechtbank te Maastricht en hebben gevorderd: voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat, indien in een bij het Gerechtshof te 's Hertogenbosch aanhangige procedure bij gewijsde de vordering van [verweerders] geheel of ten dele zou worden afgewezen, primair de overeenkomsten van 21 juni 1961 en van 15 september 1961 nietig en van onwaarde zijn en partijen niet binden en dat de op de akte van 15 september 1961 gebaseerde overdracht van de litigieuze onroerende goederen, overgeschreven ten hypotheekkantore te Maastricht op 15 september 1961 in deel 2313 nummer 82, niet rechtsgeldig respectievelijk nietig is en [verweerders] nog steeds eigenaar van die onroerende goederen zijn; subsidiair dat de overeenkomst van 21 juni 1961, en de daarop gebaseerde overeenkomst van 15 september 1961, wegens de voormelde dwaling nietig en van onwaarde zijn, met alle gevolgen van dien en dat [verweerders] nog steeds eigenaar der voormelde onroerende goederen zijn, kosten rechtens; dat na verweer van de Gemeente de Rechtbank bij haar vonnis van 9 mei 1974 de vordering van [verweerders] heeft afgewezen, na daartoe onder meer te hebben overwogen: ‘’dat als onweersproken gesteld en mede op grond van de niet weersproken inhoud van de in het geding gebrachte stukken ten processe vaststaat: dat bij voorlopige koopovereenkomst van 21 juni 1961 onder voorbehoud van aanvaarding door de Raad van de gemeente Bunde en goedkeuring door Gedeputeerde Staten van Limburg, [verweerders] aan de Gemeente verkochten onroerend goed voor een koopprijs van ƒ 175.500,-- onder meer onder het beding; ‘’dat de belastingschade vallende op de bedrijfsschadevergoeding, die geacht wordt in het overeengekomen bedrag mede te zijn begrepen, aan [verweerders] door de Gemeente wordt vergoed op basis van een door de heer inspecteur der directe belastingen te Valkenburg-Houthem af te geven verklaring dienaangaande’’; dat bedoelde overeenkomst door de Raad en Gedeputeerde Staten is goedgekeurd, waarna op 15 september 1961 de notariële transportakte is verleden, waarin zonder opdracht en buiten medeweten van partijen door de notaris per vergissing in plaats van het bovenvermeld beding is opgenomen ‘’de inkomstenbelasting, welke verschuldigd zal zijn over de bedrijfsschadevergoeding, die geacht moet worden in voormelde koopsom begrepen te zijn, zal door de gemeente Bunde aan verkopers vergoed worden op de grondslag van een door de heer inspecteur der directe belastingen te Valkenburg af te geven verklaring dienaangaande’’; dat bedoelde inspecteur de bedrijfsschadevergoeding heeft berekend op ƒ 127.100,-- waarover [verweerder 1] ƒ 50.840,-- aan inkomstenbelasting heeft betaald, alsmede dat de inspecteur een verklaring heeft afgegeven dat de door [verweerders] geleden belastingschade als gevolg van voormelde koop ƒ 2.151,50 heeft bedragen; dat [verweerders] eerder op grond van bovenvermeld beding uit de notariële akte hebben gevorderd betaling van ƒ 50.840,-- door de Gemeente, welke vordering de Rechtbank bij vonnis van 28 maart 1968 aan [verweerders] heeft ontzegd uit overweging, dat een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd raadsbesluit met een inhoud als waarop [verweerders] zich beroepen ontbreekt, zodat [verweerders] geen recht kunnen ontlenen aan een door hen gestelde overeenkomst; dat in hoger beroep van dit vonnis het Gerechtshof te 's Hertogenbosch [verweerders] heeft toegelaten te bewijzen, dat partijen met bovenvermeld beding in de voorlopige koopovereenkomst zouden hebben bedoeld en feitelijk zouden zijn overeengekomen, dat de Gemeente de gehele inkomstenbelasting over de bedrijfsschadevergoeding zou vergoeden in welk bewijs het Hof blijkens de overwegingen uit het arrest van 29 januari 1973 [verweerders] niet geslaagd oordeelde, weshalve het beroepen vonnis werd bekrachtigd; dat [verweerders] — onder de inmiddels vervulde conditie, naar de Rechtbank uit het stilzwijgen van partijen dienaangaande afleidt, dat de afwijzing van hun voormelde vordering in hoger beroep in gewijsde is gegaan — thans vorderen: primair: dat de beide voormelde overeenkomsten, te weten die van 21 juni 1961 en die van 15 september 1961, nietig en van onwaarde zijn en partijen niet binden en dat de op de akte van 15 september 1961 gebaseerde overdracht van de litigieuze onroerende goederen, overgeschreven ten hypotheekkantore te Maastricht op 15 september 1961 in deel 2313 nummer 82, niet rechtsgeldig respectievelijk nietig is en [verweerders] nog steeds eigenaar van die onroerende goederen zijn; subsidiair: dat de overeenkomst van 21 juni 1961 — en de daarop gebaseerde overeenkomst van 15 september 1961 — wegens de voormelde dwaling nietig en van onwaarde zijn, met alle gevolgen van dien en dat [verweerders] nog steeds eigenaar der voormelde onroerende goederen zijn; dat ter zake van de primaire vordering [verweerders] vooreerst zakelijk stellen, dat op 21 juni 1961 — en ook op 15 september 1961 voor zover partijen toen ieder hetzelfde beoogden als op 21 juni 1961 — geen overeenkomst is tot stand gekomen, daar tussen partijen geen wilsovereenstemming zou zijn bereikt ten aanzien van de vergoeding der belastingschade, welke een wezenlijk onderdeel van de beoogde overeenkomst uitmaakte; dat de door de Gemeente betwiste stelling slechts doel kan treffen, indien zou blijken, dat de Gemeente heeft begrepen of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [verweerders] het begrip ‘’belastingschade’’ hebben opgevat in die zin als thans door hen gesteld; dat taalkundig het woord ‘’schade’’ de betekenis heeft van ‘’nadeel’’ en dat met het samengestelde woord ‘’belastingschade’’ wordt aangeduid een bepaalde soort van nadeel, namelijk die verband houdt met, en gevolg is van belastingheffing; dat taalkundig het begrip ‘’schade als gevolg van belastingheffing’’ geenszins gelijk is aan het begrip ‘’belasting’’ of ‘’te betalen belasting’’; dat derhalve het woord ‘’belastingschade’’ bij zorgvuldig taalgebruik niet in deze zin onduidelijk of dubbelzinnig is, dat uit het gebruik van dit woord voor de Gemeente viel te verwachten dat [verweerders] hieraan een afwijkende betekenis toekenden; dat dit te minder het geval was, nu de Gemeente stelt dat het haar ten tijde van de onderhandelingen tussen partijen bekend was, dat bij vaststelling van de schadeloosstelling wegens onteigening, in overeenstemming met de hierboven aangegeven taalkundige betekenis, onder het begrip belastingschade wordt verstaan het bedrag dat men als gevolg van de onteigening meer aan belasting moet betalen dan men zonder onteigening over dezelfde inkomensbestanddelen verschuldigd zou zijn geworden; dat thans nog moet worden nagegaan of de Gemeente desondanks toch had behoren te begrijpen, dat [verweerders] het woord belastingschade verstonden als ‘’de te betalen belasting’’ nu zij stellen, dat [verweerder 1] , vóór de ondertekening van het voorlopig koopcontract op 21 juni 1961 zich tegenover de secretaris [betrokkene 1] van de Gemeente in de door [verweerders] gestelde zin zou hebben uitgelaten; dat te dezen beide partijen verwijzen naar en bespreken de in het geding gebrachte stukken van voormelde appel-procedure, waaruit blijkt dat [verweerders] ook in die procedure deze stelling hebben opgeworpen en dat hierover getuigen zijn gehoord; ... dat door de getuigenverklaringen — gezien in onderlinge samenhang — niet is aangetoond dat van de zijde van [verweerders] uitlatingen zijn gedaan op grond waarvan de Gemeente heeft begrepen of behoorde te begrijpen, dat de schijn van overeenstemming uit de bewoordingen van het voorlopig koopcontract van 21 juni 1961 niet beantwoordde aan de bedoeling van [verweerders] , zoals zij deze thans naar voren brengen; dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan partijen niet gebonden zouden zijn aan het contract van 21 juni 1961, doordat geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, dan wel die deze overeenkomst nietig zouden maken wegens gebrek aan overeenstemming of goedkeuring; dat daartoe ook geen andere feiten dan de hierboven verworpene zijn gesteld, zodat met betrekking tot deze overeenkomst de primaire vordering dient te worden afgewezen; dat met betrekking tot de overeenkomst van 15 september 1961 [verweerders] als enige grond voor hun primaire vordering hebben aangevoerd, dat uitsluitend uit deze notariële overeenkomst de eigendomsoverdracht van de onderwerpelijke onroerende goederen zou kunnen voortvloeien en dat deze notariële overeenkomst niet wordt gedekt door het raadsbesluit van 28 juli 1961; dat ten processe vaststaat dat de van de tussen partijen op 21 juni 1961 gesloten overeenkomst afwijkende zinsnede betreffende de belastingschade in de notariële akte van 15 september 1961 niet een gevolg is van een nieuwe afspraak tussen partijen, doch louter van een door de notaris begane vergissing; dat mitsdien de notariële akte van 15 september 1961 op het punt van de belastingschade niet weergeeft hetgeen partijen zijn overeengekomen, doch dat dit feit niet betekent dat de reeds in juni gesloten en in een voorlopige akte beschreven overeenkomst, die men in september ongewijzigd in een definitieve akte wilde vastleggen, daardoor nietig zou zijn geworden, evenmin als de in die akte vervatte zakelijke overeenkomst tot levering der goederen; dat weliswaar de voor de levering vereiste notariële akte een misslag bevat met betrekking tot een onderdeel van de verplichtingen aan de zijde van de koper, doch dat deze misslag niet de nietigheid dier akte, noch die der levering van de goederen door de overschrijving van de akte in de openbare registers tot gevolg heeft; dat derhalve ook op deze grond de primaire vordering niet kan worden toegewezen; dat voor hun subsidiair vordering — verklaring voor recht dat beide voormelde overeenkomsten wegens dwaling nietig zouden zijn — [verweerders] zich beroepen op dezelfde stellingen als die hierboven zijn besproken en verworpen met betrekking tot het primair gestelde niet tot stand gekomen zijn van een overeenkomst; dat uit die stellingen van [verweerders] blijkt dat zij niet ervan uitgaan, dat hun verklaring in de overeenkomst van 21 juni 1961 weergaf datgene wat zij toen beoogden, doch juist dat zij ervan uitgaan dat hun verklaring wat betreft het woord ‘’belastingschade’’ niet weergeeft wat zij beoogden; dat derhalve die stellingen niet voeren tot de slotsom dat [verweerders] zouden hebben gedwaald omtrent de zelfstandigheid der zaak, doch dat bij gebreke van wilsovereenstemming tussen partijen in het geheel geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, hetgeen hierboven reeds is verworpen; dat mitsdien ook de subsidiaire vordering moet worden afgewezen en [verweerders] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding dienen te worden veroordeeld;’’; dat [verweerders] van deze uitspraak in hoger beroep zijn gekomen bij het Gerechtshof te 's Hertogenbosch, welk Hof in het thans bestreden arrest het vonnis van de Rechtbank heeft vernietigd en voor recht heeft verklaard: dat in 1961 tussen partijen geen koopovereenkomst is tot stand gekomen; dat de op de akte van 15 september 1961 gebaseerde overdracht van de litigieuze onroerende goederen, overgeschreven ten hypotheekkantore te Maastricht op 15 september 1961 in deel 2213 nummer 82 niet rechtsgeldig is en dat [verweerders] nog steeds eigenaars van die onroerende goederen zijn, met ontzegging van het meer of anders gevorderde, daartoe onder meer overwegende: ‘’1. dat de Gemeente bij akte van 16 september 1975, nader uitgewerkt bij pleidooi, heeft gesteld, dat de Gemeente in goed vertrouwen op het verkregen hebben van de toestemming van [verweerders] de van dezen in 1961 aangekochte gronden heeft aangewend voor straataanleg en woningbouw, zodat [verweerders] in strijd met de goede trouw handelen door eerst bij dagvaarding van 20 januari 1970 een beroep op het ontbreken van wilsovereenstemming te doen; 2. a. dat het Hof aannemelijk acht, dat — zoals [verweerders] hebben gesteld — aan [verweerders] eerst uit de brief van de Gemeente van 16 februari 1965 duidelijk is geworden, dat er tussen partijen een aanzienlijk verschil van mening bestond over de uitleg van de op de vergoeding van belastingschade betrekking hebbende clausules, voorkomende in de voorlopige koopakte van 21 juni 1961 en de transportakte van 15 september 1961; b. dat voorts uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt: c. dat [verweerders] bij dagvaarding van 26 mei 1966 van de Gemeente ter zake van belastingschade de betaling hebben gevorderd van een bedrag van ƒ 50.840,-- uitgaande van hun uitleg van die clausules, welke vordering bij vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 28 maart 1968 is afgewezen; d. dat [verweerders] daarna in hoger beroep zijn gegaan en bij memorie van grieven van 12 november 1968 bijwege van vermeerdering van eis verklaring voor recht hebben gevraagd (kortgezegd), dat wegens het ontbreken van wilsovereenstemming geen koopovereenkomst is tot stand gekomen; e. dat de Gemeente zich tegen deze eisvermeerdering heeft verzet, welk verzet op 10 december 1968 door het Hof gegrond is verklaard; f. dat [verweerders] vervolgens op 20 januari 1970 de inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak hebben doen uitgaan; 3. a. dat het Hof gelet op voormelde gang van zaken van oordeel is, dat [verweerders] niet in strijd met de goede trouw jegens de Gemeente hebben gehandeld door bij dagvaarding van 20 januari 1970 er een beroep op te doen, dat wegens het ontbreken van wilsovereenstemming geen koopovereenkomst is tot stand gekomen; b. dat derhalve dit verweer van de Gemeente moet worden verworpen; 4. dat de Gemeente bij pleidooi in hoger beroep onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 1975 Rechtspraak van de Week 1975 no. 51 (inzake du Crocq Jr. B.V. tegen Van Tuijn's Limonadefabrieken en Distilleerderijen B.V.) heeft gesteld dat [verweerders] in hun vorderingen niet ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat, met het gezag van gewijsde van het in de vorige procedure tussen partijen gewezen eindarrest van dit Hof van 29 januari 1973 onverenigbaar is, dat, nadat de oorspronkelijke eis van [verweerders] tot betaling van voormeld bedrag van ƒ 50.840,-- was afgewezen, zij thans een nieuw geding tegen de Gemeente aanhangig hebben gemaakt op grond van de stelling, dat destijds tussen partijen geen overeenkomst is tot stand gekomen, althans dat [verweerders] bij het aangaan van die overeenkomst in dwaling hebben verkeerd; 5. a. dat echter ook dit verweer van de Gemeente moet worden verworpen, omdat de in het met de dagvaarding van 26 mei 1966 ingeleide geding aan de rechter voorgelegde en door deze besliste vraag een andere rechtsbetrekking betrof dan die, waarop de in dit geding te beantwoorden vraag betrekking heeft; b. dat immers de vorige procedure betrof de vraag of de Gemeente zich bij de koopovereenkomst van partijen van 1961 al of niet had verbonden tot betaling van de gehele inkomstenbelasting over de in de overeengekomen koopsom mede begrepen bedrijfsschadevergoeding, terwijl de onderhavige procedure betreft de vraag of partijen ten aanzien van de vergoeding van belastingschade en zo neen, ten aanzien van de koopovereenkomst van 1961, waarvan vergoeding van die schade deel uitmaakte, wilsovereenstemming hebben bereikt, op welke vragen het antwoord niet noodzakelijk in dezelfde zin behoeft te worden gegeven; 6. dat, wat betreft de grieven van [verweerders] tegen het vonnis, waarvan beroep, het Hof de tweede grief het eerst zal behandelen, aangezien bij gegrondbevinding van deze grief het beroepen vonnis reeds niet in stand kan blijven en de eis van [verweerders] alsnog dient te worden toegewezen, zodat in dat geval de eerste en derde grief geen behandeling meer behoeven; 7. a. dat met de tweede grief kennelijk wordt bedoeld te betogen, dat de Rechtbank ten onrechte heeft aangenomen, dat partijen aangaande de onderhavige koopovereenkomst wilsovereenstemming hebben bereikt; b. dat [verweerders] dienaangaande in appel hebben gehandhaafd hun stelling, dat op 21 juni 1961 (datum van de voorlopige koopovereenkomst) en, voor zover ieder van partijen op 15 september 1961 (datum van transportakte) hetzelfde beoogde als op 21 juni 1961, ook op 15 september 1961 geen overeenkomst is tot stand gekomen, daar de ene partij een geheel andere opvatting en bedoeling betreffende de vergoeding van belastingschade had dan de andere partij, welke vergoeding een wezenlijk onderdeel van de beoogde overeenkomst uitmaakte; 8. dat [verweerders] hebben gesteld, dat zij slechts dan (minnelijk ter voorkoming van onteigening) wilden verkopen indien hun als belastingschade zou worden vergoed de gehele inkomstenbelasting over de bedrijfsschadevergoeding, welke in de koopsom was mede begrepen, en dat zij niet hebben begrepen, dat de Gemeente bij haar aanbod om ook de belastingschade te vergoeden op het oog had het (enge) begrip ‘’belastingschade’’ zoals dat op het voetspoor van de arresten van de Hoge Raad van 31 oktober 1956, N.J. 1956 no. 672 en 25 juni 1958, N.J. 1958 no. 419 in het onteigeningsrecht wordt gehanteerd; 9. dat [verweerders] derhalve op het standpunt staan, dat partijen elkaar voor wat betreft de post ‘’belastingschade’’ hebben misverstaan in die zin, dat [verweerders] meenden conform hun bedoeling met de gemeente te zijn overeengekomen, dat de gehele inkomstenbelasting over de bedrijfsschadevergoeding zou worden vergoed, terwijl de Gemeente conform haar bedoeling meende te zijn overeengekomen, dat de belastingschade zou worden vergoed op basis van het in het onteigeningsrecht geldende begrip ‘’belastingschade’’; 10. a. dat de Gemeente heeft ontkend, dat, toen [verweerders] in 1961 hun toestemming tot de koop gaven, zij beoogden de gehele inkomstenbelasting over de bedrijfsschadevergoeding vergoed te krijgen; b. dat de Gemeente voorts heeft gesteld, dat voor haar niet kenbaar is geweest, dat [verweerders] in de door hen gestelde en op zich volkomen abnormale mening verkeerden, alsmede: dat ook dáárom aan [verweerders] geen beroep op het ontbreken van wilsovereenstemming toekomt, omdat de Gemeente mocht afgaan op de bij haar door [verweerders] gewekte schijn, dat ook zij vorenbedoeld eng begrip ‘’belastingschade’’ op het oog hadden; 11. a. dat [verweerders] hun door de Gemeente betwiste stelling zullen hebben te bewijzen; b. dat het er daarbij niet op aankomt, zoals de Rechtbank bij haar beoordeling van deze stelling ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen, of blijkt, dat de Gemeente heeft begrepen of redelijkerwijze heeft behoren te begrijpen, dat [verweerders] het begrip ‘’belastingschade’’ hebben opgevat in de door hen voorgestane zin; c. dat immers nu het begrip ‘’belastingschade’’ in 1961 zeker bij onderhandelingen en overeenkomsten tot minnelijke verkoop niet een niet voor misverstand vatbare uitdrukking was (zijnde de procedure tussen partijen, welke is geëindigd met het arrest van dit Hof van 29 januari 1973 een bewijs voor het tegendeel) en nu niet is gesteld dat de Gemeente tijdens de onderhandelingen van partijen aan [verweerders] duidelijk heeft gemaakt wat zij onder ‘’belastingschade’’ verstond, het er enkel op aankomt of [verweerders] door uitlatingen en dergelijke hunnerzijds bij de Gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt, dat zij het begrip ‘’belastingschade’’ hebben opgevat in de door de Gemeente bedoelde zin; d. dat daaromtrent echter niets is gesteld; 12. a. dat derhalve nog moet worden onderzocht of bedoeld misverstand in werkelijkheid aanwezig is geweest, zoals [verweerders] hebben gesteld, doch de Gemeente heeft betwist, daartoe verwijzende naar de inhoud van de aan [verweerders] bekende rapporten en naar het feit, dat het woord ‘’belastingschade’’ ook al taalkundig in een andere richting wijst, hebbende de Gemeente met die rapporten op het oog de vier onder de feitelijke overwegingen vermelde taxatierapporten; b. dat de verwijzing naar de taalkundige betekenis van het woord ‘’belastingschade’’ blijkens het vorenoverwogene aan de Gemeente geen baat kan brengen, terwijl het Hof noch is gebleken, dat de inhoud van bedoelde rapporten op enigerlei wijze afbreuk aan de stelling van [verweerders] kan doen, noch dat de door [verweerders] geraadpleegde deskundigen hun hebben duidelijk gemaakt, dat in de taxatierapporten van 5 augustus 1960 en 6 mei 1961 met ‘’belastingschade’’ gedoeld werd op het enge begrip ‘’belastingschade’’; 13. a. dat [verweerders] hebben aangeboden door getuigen te bewijzen dat [verweerder 1] vóór het ondertekenen van de akte nooit de in de memorie van antwoord vermelde rapporten van 5/8/60 en 6/5/61 heeft gekend of gezien en dat hij alleen van de Gemeente een brief van 27/9/60 heeft ontvangen, waarin een uittreksel van een rapport van 30/8/60 was vermeld, terwijl deze brief bij de totstandkoming van de overeenkomst, waarbij ƒ 175.500,-- werd vastgelegd, geen enkele rol heeft gespeeld en dat [verweerder 1] zelf slechts het rapport van 2/3/61 heeft laten maken; b. dat het Hof dit bewijsaanbod echter passeert, omdat het Hof mede op grond van de verklaringen van de in de procedure, welke is geëindigd met het arrest van het Hof van 29 januari 1973, gehoorde getuigen reeds genoegzaam bewezen acht, dat [verweerders] hebben bedoeld vergoeding te verkrijgen van de gehele inkomstenbelasting over de bedrijfsschadevergoeding; c. dat het Hof deze getuigenverklaringen kan bezigen, omdat partijen zich in de onderhavige procedure daarop over en weer hebben beroepen ter staving van hun respectieve standpunten; 14. dat aan het Hof uit de stukken, waaronder de processen-verbaal van vorenbedoelde getuigenverklaringen, is gebleken: 1) Van de onder de feitelijke overwegingen vermelde taxatierapporten van 5 augustus 1960, 2 maart 1961 en 6 mei 1961 bevatten het eerste en laatstgenoemde rapport de clausule: ‘’Eventuele ‘’belastingschade’’ welke een gevolg kan zijn van de uit te keren bedrijfsschadevergoeding dient vergoed te worden overeenkomstig een over te leggen advies van de heer Inspecteur der directe belastingen’’; 2) De bedrijfsschadevergoeding werd in die rapporten getaxeerd op respectievelijk een bedrag van ƒ 66.099,08; ƒ 130.276,86 en ƒ 110.935,97; 3) Volgens de getuige [betrokkene 1] heeft hij ( [betrokkene 1] ) naar aanleiding van deze drie rapporten met [verweerder 1] verder onderhandeld over de aankoop van diens grond en tijdens die besprekingen heeft [verweerder 1] gevraagd hoe het zou zitten met zijn belastingschade, waarop [betrokkene 1] hem heeft geantwoord, dat dat niet precies te berekenen was, want dat dat afhing van een beslissing van de inspecteur van de belastingen maar dat de Gemeente rekening hield met de mogelijkheid, dat de door de Gemeente aan [verweerder 1] te vergoeden belastingschade, uitgaande van een 20% tarief van artikel 48 van het Besluit inkomstenbelasting, wel circa ƒ 26.000,-- kon bedragen; 4) Vervolgens is naar luidt van de verklaring van deze getuige een nog niet getekend exemplaar van de van gemeentewege opgestelde tekst van de voorlopige koopakte aan [verweerder 1] toegezonden; 5) Deze tekst bevatte voor wat betreft de belastingschade als clausule: ‘’De belastingschade, vallende op de bedrijfsschadevergoeding, die geacht wordt in het overeengekomen bedrag mede te zijn begrepen, wordt [verweerders] door de Gemeente vergoed op basis van een door de heer Inspecteur der directe belastingen te Valkenburg-Houthem af te geven verklaring dienaangaande’’; 6) Uit de verklaring van de getuige Ummels blijkt, dat [verweerder 1] met dit exemplaar van de ontwerp voorlopige-koopakte naar de getuige is gegaan, houdende de verklaring van deze getuige onder meer in: ‘’Ik heb hem (toen) gezegd, dat volgens mij in die akte niet juist stond weergegeven wat [verweerder 1] mij had gezegd te bedoelen. Ik wist toen namelijk zelf wel, dat er verschil was tussen belastingschade en inkomstenbelastingvergoeding.’’ De getuige heeft vervolgens een nieuwe redactie van de belastingschadeclausule opgesteld, ten einde daarmee — zoals hij verklaarde — te bereiken, dat de inkomstenbelasting over de bedrijfsschadevergoeding door de Gemeente geheel zou worden vergoed, hetgeen naar zijn overtuiging de bedoeling van [verweerder 1] met de Gemeente was geweest; 7) Volgens de verklaring van de getuige [betrokkene 2] waren [verweerders] -Stijns zeer verontwaardigd over het feit, dat hij, getuige, van mening was, dat de tekst van de gesloten voorlopige koopakte enige twijfel liet over de vraag of, zoals [verweerder 1] hem desgevraagd verklaarde, tussen partijen was overeengekomen, dat de gehele inkomstenbelasting, vallende op de bedrijfsschadevergoeding, door de Gemeente zou worden vergoed; 8) De getuige [betrokkene 3] heeft desgevraagd niet uitgesloten, dat de vrouw van [verweerder 1] op 15 september 1961 aanvankelijk na eerste voorlezing de notariële akte niet wilde tekenen, maar dat zij dat wel heeft gedaan nadat haar en haar man nogmaals was uitgelegd, dat zij alles vergoed zouden krijgen wat in die akte stond omschreven, welke akte onder punt 5 inhield: ‘’De inkomstenbelasting welke verschuldigd zal zijn over de bedrijfsschadevergoeding, die geacht moet worden in de voormelde koopsom begrepen te zijn, zal door de gemeente Bunde aan verkopers vergoed worden op de grondslag van een door de heer Inspecteur der directe belastingen te Valkenburg af te geven verklaring dienaangaande’’; 15. a. dat het Hof aan het hiervoor onder 1) tot en met 8) vermelde, in onderling verband en samenhang beschouwd, het niet door de Gemeente ontzenuwde vermoeden ontleent, dat [verweerders] in 1961 de koopovereenkomst slechts hebben willen sluiten, indien hun de gehele inkomstenbelasting over de bedrijfsschadevergoeding zou worden vergoed; b. dat het door het Hof aan de voormelde punten ontleende vermoeden in feite niet alleen niet ontzenuwd wordt door de Gemeente maar integendeel veeleer bevestiging vindt in de verklaring van [betrokkene 1] (de vertegenwoordiger van de wederpartij van [verweerder 1] bij de voorlopige koopovereenkomst) als getuige, dat hij, hoewel hij het toen niet begrepen heeft, achteraf bezien wel wil aannemen en mogelijk acht, dat [verweerder 1] kennelijk bedoelde slechts te willen verkopen indien hem, [verweerder 1] , de gehele inkomstenbelasting over de bedrijfsschadevergoeding door de Gemeente zou worden vergoed; dat er bij de onderhandelingen tussen hem ( [betrokkene 1] ) en [verweerder 1] kennelijk een ernstig misverstand, ja zelfs kortsluiting is geweest; dat zij elkaar niet begrepen hebben; dat hij als mogelijk aanneemt, dat [verweerder 1] , als deze geweten had, dat hij slechts ƒ 2.000,-- belastingschade vergoed zou krijgen, de gehele transactie niet met de Gemeente aangegaan zou hebben en gezegd zou hebben: ‘’onteigen dan maar’’; dat hij, [betrokkene 1] , graag aanneemt, dat [verweerder 1] in de war kan zijn gebracht door zijn, [betrokkene 1] , later onjuist gebleken belastingschadeschatting van circa ƒ 26.000,--, overeenkomende met de bij het laagste tarief van artikel 48 van het Besluit Inkomstenbelasting over de bedrijfsschadevergoeding verschuldigde inkomstenbelasting; c. dat hieruit volgt, dat partijen in 1961 de voorlopige koopakte en de transportakte hebben getekend in de veronderstelling, dat zij het ook op het punt van de belastingschade eens waren, maar dat in werkelijkheid hun wilsverklaringen toen in zoverre niet onderling overeenstemden; d. dat, nu hetgeen [verweerders] terzake van belastingschade vergoed wilden hebben en hetgeen de Gemeente te dier zake wilde vergoeden een aanzienlijk verschil in als belastingschade uit te keren bedrag tot gevolg kon hebben (en heeft gehad), alleszins aannemelijk is, dat [verweerders] de koopovereenkomst niet zouden hebben gesloten, indien hun bij de ondertekening van de aktes duidelijk was geweest, dat tussen partijen op dit onderdeel van de transactie een misverstand aanwezig was; e. dat derhalve in het geheel geen overeenkomst is tot stand gekomen en het Hof zich niet kan verenigen met de door de Gemeente bij pleidooi in hoger beroep geponeerde stelling, dat alleen ten aanzien van dit onderdeel van de overeenkomst geen overeenstemming heeft bestaan, maar de overeenkomst voor het overige wel is tot stand gekomen; 16. dat mitsdien de tweede grief gegrond is en de eerste grief (welke bedoelt te stellen, dat de inhoud van voormeld punt 5 van de notariële akte van 15 september 1961 niet op een vergissing berust) en de derde grief (waarin — zij het subsidiair — de klacht wordt geuit, dat de Rechtbank ten onrechte het beroep van [verweerders] op dwaling heeft verworpen) geen behandeling meer behoeven; 17. dat het Hof het door de Gemeente bij memorie van antwoord subsidiair gedaan aanbod om al haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, speciaal door getuigen, als te vaag passeert; 18. dat uit het vorenoverwogene volgt, dat het vonnis waarvan beroep, dient te worden vernietigd en aan [verweerders] alsnog hun primaire eis in voege als na te melden moet worden toegewezen, behoudens de ‘’voor zover rechtens mogelijk’’ gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, nu de vordering van [verweerders] in zoverre niet op de wet steunt;’’; Overwegende dat de Gemeente deze uitspraak bestrijdt met de volgende middelen van cassatie: ‘’I. Schending van het Nederlandse recht, althans tot nietigheid leidend verzuim van vormen door te overwegen, gelijk het Hof heeft gedaan in de rechtsoverwegingen 1 tot en met 5 van het bestreden arrest, en mede op grond van die overwegingen de primaire vordering van [verweerders] toe te wijzen, zulks ten onrechte om de volgende redenen: uit de stukken blijkt, kort weergegeven, dat partijen op 21 juni 1961 bij schriftelijke voorlopige koopovereenkomst ter voorkoming van onteigening hebben gecontracteerd ter zake van een aantal percelen weiland en boomgaard, waarop [verweerder 1] een bedrijf uitoefende, welke percelen [verweerders] (verder ook te noemen ‘’ [verweerder 1] ’’ in enkelvoud) bij die overeenkomst aan de Gemeente hebben verkocht voor een bedrag van ƒ 175.500,--, onder meer onder bepaling ‘’dat de belastingschade, vallende op de bedrijfsschadevergoeding, welke laatste geacht wordt in het overeengekomen bedrag mede te zijn begrepen, door de Gemeente aan [verweerder 1] zal worden vergoed op basis van een door de Inspecteur der directe belastingen te Valkenburg dienaangaande af te geven verklaring .......’’; dat de betreffende percelen bij notariële akte van 15 september 1961, overgeschreven in het daarvoor bestemde register, door [verweerder 1] aan de Gemeente zijn overgedragen; dat daarna de Gemeente overeenkomstig de verklaring van de Inspecteur aan [verweerder 1] een bedrag van ƒ 2.151,50 heeft betaald, zijnde het verschil tussen de over de bedrijfsschadevergoeding verschuldigde inkomstenbelasting en de inkomstenbelasting, die [verweerder 1] ter zake van zijn bedrijfsuitoefening verschuldigd zou zijn geworden, indien hij zijn bedrijf niet had gestaakt, welk bedrag [verweerder 1] niet heeft aanvaard maar heeft geretourneerd, zich zijnerzijds op het standpunt stellende dat hij krachtens de overeenkomst aanspraak kon maken op vergoeding door de Gemeente van het gehele bedrag aan inkomstenbelasting, vallende op de in de koopsom begrepen bedrijfsschadevergoeding; dat de Gemeente niet bereid was het bedrag van de gehele aanslag te vergoeden en [verweerder 1] bij inleidend exploit van 26 mei 1966 de Gemeente ter zake heeft aangesproken tot betaling van ƒ 50.840,-- welke vordering door de Rechtbank te Maastricht is afgewezen bij vonnis van 28 maart 1968, welk vonnis door het Hof is bekrachtigd, nadat [verweerder 1] daartegen in beroep was gekomen en het Hof hem bij tussenarrest in de gelegenheid had gesteld te bewijzen feiten en omstandigheden, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat partijen met de hierbovenaangehaalde clausule uit de voorlopige koopovereenkomst ter zake van de belastingschade hebben bedoeld en feitelijk zijn overeengekomen dat de gehele inkomstenbelasting, welke [verweerder 1] verschuldigd zou zijn over de in de overeengekomen koopsom mede begrepen bedrijfsschadevergoeding, door de Gemeente aan [verweerder 1] zou worden vergoed op basis van een door de Inspecteur af te geven verklaring dienaangaande, in welke bewijslevering het Hof [verweerder 1] niet geslaagd achtte (arrest van 29 januari 1973, waartegen geen beroep in cassatie is ingesteld); dat [verweerder 1] inmiddels op 20 januari 1970 de Gemeente had gedagvaard tot, voor zover in cassatie van belang, voor rechtverklaring dat de overeenkomst van 21 juni 1961 en die van 15 september 1961 nietig en van onwaarde zijn en partijen niet binden en dat de op de akte van 15 september 1961 gebaseerde overdracht van de litigieuze onroerende goederen niet rechtsgeldig, respectievelijk nietig is en [verweerders] nog steeds eigenaar van die onroerende goederen zijn; dat de Rechtbank deze vordering heeft afgewezen bij vonnis van 9 mei 1974 doch het Hof op het beroep van [verweerder 1] dat vonnis heeft vernietigd en voor recht heeft verklaard dat in 1961 tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen, dat de overdracht van de litigieuze onroerende goederen niet rechtsgeldig is en dat [verweerders] nog steeds eigenaar van die onroerende goederen zijn. a. 's Hofs in dit middel bestreden overwegingen en 's Hofs beslissingen zijn onjuist omdat [verweerder 1] in ieder geval niet later dan ‘’uit de brief van de Gemeente van 16 februari 1965 duidelijk is geworden dat er tussen partijen een aanzienlijk verschil van mening bestond over de uitleg van de op de vergoeding van belastingschade betrekking hebbende clausules’’ (rechtsoverweging 2 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.