24 december 1976 Req. nr. 4793 MH De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het verzoekschrift van [verzoeker], wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door Mr. J.L.W. Sillevis Smitt, advocaat bij de Hoge Raad, welk verzoekschrift strekt tot vernietiging van een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Assen van 28 april 1976, gegeven tussen [verzoeker] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats]; Gezien het verweerschrift van genoemde vennootschap, vertegenwoordigd door Mr. F.N. Meijer, advocaat bij de Hoge Raad; Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal van Soest, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden met veroordeling van de vennootschap in de kosten op de voorziening in cassatie gevallen; Overwegende dat uit de bestreden beschikking en uit de bijbehorende stukken blijkt: dat verweerster in cassatie, verder [verweerster] te noemen, met ingang van 1 maart 1969 een bedrijfspand te [vestigingsplaats] heeft verhuurd aan de verzoeker in cassatie, [verzoeker], en wel voor de tijd van vijf jaren; dat [verweerster] bij exploot van 18 december 1973 de huur heeft opgezegd met ingang van 1 januari 1975, echter onder bereidverklaring om een nieuwe huurovereenkomst met [verzoeker] aan te gaan; dat [verzoeker] zich tot de Kantonrechter te Assen heeft gewend met een verzoekschrift waarvan de strekking is - naar [verweerster] en [verzoeker] althans in hoger beroep eenstemmig hebben verklaard - om de bestaande huurovereenkomst van het pand te verlengen; dat de Kantonrechter na schriftelijk debat van partijen bij beschikking van 4 oktober 1974 als zijn oordeel te kennen heeft gegeven, dat een deskundigen-bericht met betrekking tot de huurprijs van het pand noodzakelijk was en partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de personen van de deskundigen, waarna hij bij beschikking van 8 november 1974 drie deskundigen heeft benoemd ter beoordeling van de vraag welke huurprijs naar het huidige prijspeil een redelijke is voor het onderhavige pand; dat de deskundigen vervolgens het pand op een huurprijs van f 72.500, -- per jaar hebben gewaardeerd; dat [verweerster] heeft verklaard dat deze prijs aanvaardbaar is, indien hij wordt vermeerdeerd met een bedrag van f 2.925, -- voor vergoeding van extra verzekeringspremie; dat [verzoeker] vervolgens heeft aangevoerd, dat de prijs van f 72.500, -- inderdaad de marktwaarde zal zijn, maar op het bedrag in mindering moet komen 10% van door hem verrichte investeringen, welke in totaal ongeveer f 245.000, -- hebben belopen; dat de Kantonrechter bij eindbeschikking van 1 augustus 1975 de huur voor vijf jaren heeft verlengd met bepaling van de huurprijs op f 50.000, -- voor het jaar 1975, f 62.500, -- voor 1976 en f 72.500, -- per jaar voor 1977, 1978 en 1979, te vermeerderen of te verminderen volgens een bepaalde index en verhoogd met omzetbelasting; dat de Kantonrechter daarbij heeft afgewezen rekening te houden met de door [verzoeker] gestelde investeringen; dat [verweerster] tegen de beschikking hoger beroep heeft ingesteld bij de Rechtbank te Assen, verzoekende de huurprijs op een hoger bedrag vast te stellen; dat [verzoeker] de Rechtbank heeft verzocht de beschikking van 1 augustus 1976 te bekrachtigen, maar subsidiair, indien de Rechtbank de beschikking op het beroep van [verweerster] zou vernietigen, incidenteel heeft geappelleerd, aanvoerende dat de Kantonrechter ten onrechte zijn beroep op de door hem verrichte investeringen heeft afgewezen; dat de Rechtbank bij de thans bestreden beschikking die van de Kantonrechter van 1 augustus 1975 heeft vernietigd en de huurprijs op hogere jaarbedragen heeft gesteld, met afwijzing van het incidentele appèl; dat de Rechtbank haar beslissing omtrent het incidentele appèl als volgt heeft gemotiveerd: "8. De Rechtbank zal dit appèl afwijzen. Naar haar oordeel kan met de verbeteringen in het gehuurde bij de vaststelling van de huurprijs slechts rekening worden gehouden indien partijen dat waren overeengekomen. Dat laatste is kennelijk niet het geval. [verzoeker] vergist zich wanneer hij aanvoert dat hierop de bij wet van 26 juni 1975 toegevoegde bepaling aan artikel 1630 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (bedoeld zal zijn de corresponderende toevoeging aan artikel 1631a van het Burgerlijk Wetboek) van toepassing is. Deze toevoeging luidt: "hij zal een verzoek om verhoging van de huurprijs afwijzen voorzover het gegrond is op verbeteringen van het gehuurde, die door de huurder zijn aangebracht". Het verzoek tot verhoging van de huurprijs is daarop niet gegrond."; Overwegende dat [verzoeker] tegen de beschikking van de Rechtbank het volgende middel van cassatie aanvoert: "Schending van het recht en verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid tot gevolg heeft, doordat de Rechtbank heeft overwogen en beslist als vermeld in overweging 8, ten onrechte en om één of meer van de navolgende redenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.