10 januari 1978 Nr. 69307 TvdV. De Hoge Raad der Nederlanden, Op het beroep van de Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam, rekwirant van cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 21 juni 1977, waarbij de uitlevering van [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (B.R.D.) op 30 april 1942, wonende te [woonplaats], aan de Bondsrepubliek Duitsland ontoelaatbaar werd verklaard; Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur; Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de gerequireerde uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, door de rekwirant voorgesteld bij schriftuur, luidende: "Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van artikel 12 van het Europees Uitleveringsverdrag en de artikelen 18 en 28 van de Uitleveringswet, doordat de Rechtbank de uitlevering wegens ongenoegzaamheid der stukken ontoelaatbaar heeft verklaard omdat: a. het vonnis van het Landgericht München I van 12 december 1969, waarbij het hoger beroep door de opgeëiste persoon ingesteld tegen het vonnis van het Amtsgericht te München van 1 juli 1969 is verworpen, ontbreekt en twijfel bestaat ten aanzien van de vatbaarheid voor tenuitvoerlegging (Vollstreckbarkeit) van het vonnis van het Amtsgericht München van 1 juli 1969, zulks ten onrechte omdat artikel 12 van het Europees Uitleveringsverdrag niet meer verlangt dan overlegging van het origineel of een authentiek afschrift van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, waaraan is voldaan doordat bij het uitleveringsverzoek een authentiek afschrift is overgelegd van het vonnis van het Amtsgericht München d.d. 1 juli 1969 en dit afschrift is vergezeld van een verklaring van Dr. [betrokkene 1], Richter am Amtsgericht München, d.d. 22 april 1976, waaruit blijkt dat het genoemde vonnis rechtsgeldig en uitvoerbaar is; b. het vonnis van het Landgericht Kempten (Allgäu) van 27 september 1966 niet voor tenuitvoerlegging vatbaar is, tenzij het besluit van het Landgericht Kempten (Allgäu) van 12 oktober 1970 tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor tenuitvoerlegging vatbaar (Vollstreckbar) is en nu ter terechtzitting ten aanzien van dit besluit - ondanks het daarop aangebrachte "Rechtskraftvermerk" - niet is kunnen worden vastgesteld of dit besluit inderdaad wel voor tenuitvoerlegging vatbaar is, nu niet is gebleken of, en zo ja op welke wijze, de door het Duitse Wetboek van Strafvordering voorgeschreven betekening van dit besluit aan de opgeëiste persoon heeft plaats gevonden, zulks ten onrechte omdat het overgelegde authentieke afschrift van het voren bedoelde besluit is vergezeld van een verklaring van Dr. [betrokkene 2], voorzitter van de Eerste Strafkamer van het Landgericht Kempten (Allgäu), van 28 april 1976, waaruit blijkt dat het besluit rechtsgeldig en uitvoerbaar is. Toelichting: De Rechtbank te Amsterdam heeft de uitlevering wegens ongenoegzaamheid der stukken ontoelaatbaar verklaard omdat uit de bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken en ter terechtszitting niet zou zijn gebleken dat de uitspraak van het Amtsgericht te München van 1 juli 1969, de uitspraak van het Landgericht te Kempten (Allgäu) van 27 september 1966 en het besluit van het Landgericht te Kempten (Allgäu) van 12 oktober 1970 niet voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn, terwijl alle genoemde rechterlijke beslissingen vergezeld gaan van een verklaring van één van de Rechters van de bij de uitspraken betrokken rechterlijke instanties, voor het Amtsgericht München: Dr. [betrokkene 1] en voor het Landgericht Kempten (Allgäu): Dr. [betrokkene 2], waaruit blijkt dat de genoemde rechterlijke beslissingen voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn. Uit de toevoegingen van dergelijke verklaringen bij de uitleveringsstukken blijkt voldoende dat de voornoemde beslissingen van het Amtsgericht te München (d.d. 1 juli 1969) en het Landgericht te Kempten (Allgäu, d.d. 27 september 1966 en 12 oktober 1970) inmiddels executabel zijn geworden, zodat aan de eis van artikel 12 van het Europees Uitleveringsverdrag is voldaan. Overlegging van nadere stukken, waaronder de uitspraak in hoger beroep van het Landgericht München I van 12 december 1969, door de autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland zou voornamelijk zin hebben als middel van contrôle van de Nederlandse rechter op de executoirverklaring door de Duitse rechter. Zulk een contrôle behoort echter niet tot de taak van de Nederlandse rechter. Deze heeft te aanvaarden dat de beslissingen van het Landgericht te Kempten (Allgäu) d.d. 12 oktober 1970 en 27 september 1966 en de uitspraak van het Amtsgericht te München d.d. 1 juli 1969 door de Duitse rechter "rechtskräftig und vollstreckbar" zijn verklaard. De gronden waarop dit is geschied vallen buiten zijn contrôle. Vergelijk in dit verband H.R. 7-12-1976, nr. 68484, D.D. nr. 77.039, H.R. 22-7-1974, NJ 1974, nr. 483 en H.R. 21-5-1968, NJ 1968, nr.
- In dit verband zij nog opgemerkt dat er enige twijfel kan bestaan omtrent de toepasselijkheid van het Europees Uitleveringsverdrag (Trb, 1965, nr. 9) op het onderhavige uitleveringsverzoek. Immers, het Europees Uitleveringsverdrag is op 1 januari 1977 van toepassing geworden op het uitleveringsverkeer tussen de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland, terwijl het verzoek om uitlevering is gedaan op 17 mei
- Op de laatstgenoemde datum was nog het oude bilaterale uitleveringsverdrag van 31 december 1896/21 september 1897 (Stb. 1897, nr. 211) tussen de Bondsrepubliek en Nederland van kracht. Het Europees Uitleveringsverdrag en de Nederlandse Uitleveringswet bevatten geen bepaling van overgangsrecht voor gevallen waarin voor het tijdstip van het in werking treden van het verdrag uitlevering wordt verzocht, terwijl de beslissing omtrent de uitlevering wordt genomen na het tijdstip van het in werking treden van het verdrag. Artikel 28, eerste lid, van het Europees Uitleveringsverdrag bepaalt wel dat dit verdrag de bepalingen van bilaterale verdragen, conventies en overeenkomsten, die de uitlevering tussen twee Verdragsluitende Partijen regelen, doet vervallen. De vraag of in gevallen als onderhavige het nieuwe verdrag al dan niet van toepassing is zal naar ongeschreven recht moeten worden beoordeeld. Rechtspraak en doctrine zullen daarover uitsluitsel moeten geven (vgl. Handelingen Tweede Kamer der Staten-Generaal, zitting 1965-1966-8054, M.v.A. bij de Uitleveringswet, nr. 10). In verband hiermee is van belang H.R. 16-1-1973, NJ. 1973, nr. 281, waarin Uw Raad oordeelde dat voor een uitlevering de strafbaarheid naar Nederlands recht moet worden beoordeeld zoals dat gold "ten tijde van het verzoek tot uitlevering en de beslissing omtrent de uitlevering". In het formele strafrecht, waartoe mede het uitleveringsrecht is te rekenen, is exclusieve werking geen uitzondering, maar regel. In geval van wijziging van verdrag plegen derhalve de nieuwe bepalingen, in casu die van het Europees Uitleveringsverdrag dus, van het tijdstip van hun in werking treden af, mede te worden toegepast op en ten aanzien van hen wier uitlevering wordt gevraagd voor feiten vóór dat tijdstip gepleegd. Hoe dit ook zij, voor het onderhavige cassatieberoep is niet direkt van belang welk verdrag van toepassing is, aangezien beide verdragen voor uitlevering een executabel vonnis eisen (vgl. artikel 7 Duits-Nederlands Uitleveringsverdrag)"; Gehoord de Advocaat-Generaal Remmelink in zijn conclusie, daartoe strekkende dat de Hoge Raad de uitspraak waarvan beroep zal vernietigen en doende wat de Rechtbank had behoren te doen, vaststellende dat aan de vereisten gesteld in de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering is voldaan, gezien de artikelen 1, 2 en 12 van dit verdrag de gevraagde uitlevering toelaatbaar zal verklaren, althans dat de Hoge Raad na bedoelde vernietiging, ten einde te kunnen doen wat de Rechtbank had behoren te doen, .zal bepalen, dat rekwirant op een nader te bepalen dag en uur zal worden opgeroepen ten einde omtrent de aanvrage tot uitlevering opnieuw te worden gehoord; Overwegende dat de bestreden uitspraak het volgende inhoudt: "Gezien de stukken in de zaak betreffende de opgeeiste persoon volgens eigen opgave genaamd: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op 30 april 1942, wonende te [woonplaats], [a-straat 1], waaronder:
- een vordering van de Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam d.d. 14 juni 1976, ingekomen ter griffie van genoemde rechtbank op 15 juni 1976, strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Staatssecretaris van Justitie op 19 mei 1976 ontvangen verzoek d.d. 17 mei 1976 van de Bondsrepubliek Duitsland tot uitlevering van [de opgeëiste persoon] voornoemd aan Duitsland;
- een afschrift van een schrijven van de ambassade van Duitsland d.d. 17 mei 1976, houdende een verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland; 3.a. een authentiek afschrift van een vonnis van het Ambtsgericht München d.d. 1 juli 1969, waarbij [de opgeëiste persoon] voornoemd op tegenspraak is veroordeeld ter zake van een vergrijp van diefstal in meerdaadse samenloop met een misdrijf van diefstal tot een gevangenisstraf van één jaar, vijf maanden en twee weken, welk vonnis blijkens een daarop aangebracht "Rechtskraftvermerk" op 8 juli 1970 onherroepelijk zou zijn geworden; b. een authentiek afschrift van een besluit van het BayerischenObersten Landesgericht van 2 juli 1970, waarbij het beroep in cassatie ingesteld door [de opgeëiste persoon] voornoemd tegen het vonnis van het Landgericht München I van 12 december 1969 is verworpen; welk besluit blijkens een daarop aangebracht "Rechtskraftvermerk" op 8 juli 1970 onherroepelijk zou zijn geworden; c. een authentiek afschrift van een vonnis van het Landgericht Kempten (Allgäu) van 27 september 1966, waarbij [de opgeëiste persoon] voornoemd op tegenspraak is veroordeeld ter zake van 14 misdrijven van ernstige diefstal; 2 misdrijven van poging tot ernstige diefstal en 1 vergrijp van eenvoudige diefstal tot een gecombineerde straf van 3 jaren gevangenisstraf met aftrek; welk vonnis blijkens een daarop aangebracht "Rechtskraftvermerk" op 27 september 1966 onherroepelijk zou zijn geworden; d. een authentiek afschrift van een besluit van het Landgericht Kempten (Allgäu) van 12 oktober 1970, waarbij het besluit van het Landgericht Kempten van 21 maart 1968, inhoudende dat de veroordeelde [de opgeëiste persoon] voornoemd voor het strafrestand (1/3 deel) van de 365 dagen vrijheidsstraf van de hem bij het hiervoor onder 3.c. vermelde vonnis opgelegde 3 jaren gevangenisstraf voorwaardelijk in vrijheid is gesteld met een proeftijd van 4 jaren, is herroepen; welk besluit blijkens het daarop aangebrachte "Rechtskraftvermerk" onherroepelijk zou zijn geworden; welke afschriften een overzicht van c.a. de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, bevatten;
- de toepasselijke Duitse strafbepalingen; Gelet op het onderzoek ter openbare terechtzitting van genoemde rechtbank en kamer van 3 mei 1977, waarbij zijn gehoord de Officier van Justitie, de opgeëiste persoon en diens raadsman en van 7 juni 1977, waarbij zijn gehoord de Officier van Justitie, de opgeëiste persoon, diens raadsman, Prof. Mr. C.F. Rüter als deskundige en Drs. [getuige] als getuige; Overwegende dat de opgeëiste persoon ter terechtzitting heeft verklaard, dat hij - genaamd [de opgeëiste persoon] - is de in het uitleveringsverzoek bedoelde persoon en dat hij de Duitse en niet de Nederlandse nationaliteit bezit; Overwegende dat voormeld verzoek tot uitlevering is gedaan ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het hiervoor onder 3.a. vermelde nog niet tenuitvoergelegde vonnis en het hiervoor onder 3.d. vermelde nog niet tenuitvoergelegde besluit; Overwegende dat, nu het vonnis van het Landgericht München I van 12 december 1969, waarbij het hoger beroep door [de opgeëiste persoon] voornoemd, ingesteld tegen het hiervoor onder 3.a. vermelde vonnis is verworpen, ontbreekt en twijfel bestaat ten aanzien van de vatbaarheid voor tenuitvoerlegging (Vollstreckbarkeit) van dat vonnis (hiervoor onder 3.a. vermeld), de stukken, naar het oordeel van de rechtbank, ongenoegzaam zijn om tot toelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter tenuitvoerlegging van het onder 3.a. vermelde vonnis te kunnen komen; Overwegende dat de straf, bij het onder 3.c. vermelde vonnis opgelegd, niet voor tenuitvoerlegging vatbaar is, tenzij het onder 3.d. vermelde besluit van het Landgericht Kempten (Allgäu) van 12 oktober 1970 tot herroeping van de v.i. voor tenuitvoerlegging vatbaar (Vollstreckbar) is; Overwegende dat ter terechtzitting t.a.v. het onder 3.d. vermelde besluit - ondanks het daarop aangebrachte "Rechtskraftvermerk" - niet is kunnen worden vastgesteld of dit besluit inderdaad wel voor tenuitvoerlegging vatbaar is, nu niet is gebleken of, en zo ja op welke wijze, de door het Duitse Wetboek van Strafvordering voorgeschreven betekening van dit besluit aan de opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden, zodat ook t.a.v. dit besluit (onder 3.d. vermeld), naar het oordeel van de rechtbank, de stukken ongenoegzaam zijn om tot toelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter tenuitvoerlegging van het onder 3.d. vermelde besluit te kunnen komen; Rechtdoende Verklaart de door de Bondsrepubliek Duitsland gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] voornoemd ontoelaatbaar"; Overwegende met betrekking tot het middel: dat onder de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken zich bevinden: a. een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1], rechter in het Amtsgericht München, van 22 april 1976, onder meer inhoudende dat het vonnis van dat gerecht van 1 juli 1969 rechtsgeldig en uitvoerbaar is; b. een ambtelijke verklaring van de voorzittend rechter [betrokkene 2] van de eerste strafkamer van het Landgericht Kempten (Allgäu) van 28 april 1976, onder meer inhoudende dat het vonnis van dat gerecht van 27 september 1966 rechtsgeldig en uitvoerbaar is; c. een ambtelijke verklaring van voornoemde voorzittend rechter, eveneens van 28 april 1976, onder meer inhoudende dat rechtsgeldig en uitvoerbaar is het besluit van het onder b genoemd gerecht van 12 oktober 1970, waarbij is herroepen het besluit van dat gerecht van 21 maart 1968, houdende een aan de opgeëiste persoon verleende "Strafaussetzung zur Bewährung" met betrekking tot een strafrestant van 365 dagen van de vrijheidsstraf opgelegd bij het onder b genoemde vonnis; dat de Rechtbank niettemin in de bestreden uitspraak heeft overwogen dat twijfel bestaat aan de uitvoerbaarheid van het hierboven onder a genoemde vonnis alsmede van de straf opgelegd bij het hierboven onder b genoemde vonnis; dat het evenwel niet tot de taak van de Nederlandse rechter behoort om bij de behandeling van een verzoek tot uitlevering te onderzoeken of verklaringen als evenbedoeld door de buitenlandse rechter terecht zijn afgegeven; dat het middel derhalve gegrond is, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven; dat de Hoge Raad na vernietiging van die uitspraak zal hebben te doen wat de Rechtbank had behoren te doen; Vernietigt de bestreden uitspraak; Overwegende dat bij inleidende vordering door de Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam, onder overlegging der stukken overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 lid 1 van de Uitleveringswet gericht tot de Rechtbank te Amsterdam, de behandeling is gevorderd van een verzoek tot uitlevering van de Duitse onderdaan [de opgeëiste persoon] voornoemd, gedaan bij schrijven van de Ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland van 17 mei 1976 RK 531 E, op grond van de volgende bij dit schrijven overgelegde vonnissen: I. een vonnis van het Landgericht Kempten (Allgäu) van 27 september 1966, waarbij de opgeëiste persoon - verder te noemen [de opgeëiste persoon] - is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van drie jaren ter zake van de volgende feiten: 1.) In de nacht van 28-2/1-3-1966 klom de verdachte bij de firma Herbert Kremser in Kempten, Eberhardstrasse 4, door een onafgesloten raam de fabriekswerkplaats van het bedrijf binnen en verbrak aldaar met een meegebracht werktuig het afgesloten magazijnbureau. Toen hij aldaar geen geld aantrof, ontvreemdde hij uit een in de magazijnhal geparkeerde personenauto een draagbaar radio, merk Akkord, ter waarde van ongeveer 300,- DM. 2.) In de nacht van 4-3/5-3-1966 bij de firma Fritz Hieber, Bodmannstrasse 21a, te Kempten, klom de verdachte door een ongeveer twee meter boven de begane grond aanwezig raam, dat hij vooraf had ingeslagen en dus kon ontgrendelen, onder gebruikmaking van een ter plaatse aangetroffen oude trap het gebouw binnen en begaf zich vervolgens naar de kantoorlokalen. Aldaar tilde hij met een meegebracht breekijzer de vastgeschroefde controlekas weg en nam deze alsmede een radiotoestel met zich mede. De kas brak hij later buiten het huis open en trof 772, - DM aan; de radio had een waarde van 199, - DM.
- ) Vervolgens ontvreemdde hij uit een vóór de zaak geparkeerde, niet afgesloten personenauto een fototoestel alsmede een belichtingsmeter. Beide apparaten hadden in totaal een waarde van ongeveer 200,- DM. 4.) In de nacht van 10/11-3-1966 klom de verdachte bij de firma Siemens en Schuckert, Eberhardstrasse, Kempten, na een raam te hebben ingeslagen en ontgrendeld, het gebouw binnen. Na het openbreken van een schuiflade in de verkooplessenaar, ontvreemdde hij daaruit 570,- DM. Bovendien nam hij nog een strijkbout met zich mede, die hij voor zichzelf wilde gebruiken. 5.) In de nacht van 12/13-3-1966 klom de verdachte bij de firma Michael Nussrainer, Rottachstrasse 71 im Kempten, het gebouw binnen, nadat hij met een steen een 3/4 m hoog gelegen raam van het gebouw had ingeslagen, verschafte zich toegang tot de kantoorlokalen, brak met een meegebracht breekijzer twee schrijftafels open en nam uit één ervan 50,- DM weg. Nadat hij zich ook nog door het inslaan van een glazen ruit toegang tot het verkooplokaal had verschaft, ontvreemdde hij hier een draagbare radio, een bandrecorder met vijf cassetten en uit een niet afgesloten kelderruimte nog een huishoudelijk apparaat met toebehoren alsmede een plastictas met gereedschap. Uit een schuiflade nam hij tenslotte nog een geldtas met een inhoud van 20,- DM mee. 6.) In de nacht van 16/17-3-1966 klom de verdachte het kantoor van het Jopa-afgiftedepot te Kempten binnen nadat hij zich vooraf door het inslaan van een raam met behulp van een steen de weg had gebaand. Het ongeveer 2 m boven de grond gelegen raam had hij via een geparkeerde personenauto bereikt. Uit een niet afgesloten schrijftafel ontvreemdde hij aldaar een flitslichtapparaat ter waarde van 50,- DM. 7.) Onmiddellijk na deze inbraak sloeg de verdachte opnieuw met een steen het raam naar het verblijfslokaal van het magazijn van de firma Biechteler, die zich vlakbij de vorige plaats van het misdrijf bevindt, in en klom vervolgens het verblijfslokaal binnen. Aldaar brak hij een sigarettenautomaat open en nam er 90,- DM aan contant geld en ongeveer 10-15 pakjes sigaretten uit weg. 8.) In de nacht van 17/18-3-1966 klom de verdachte na het inslaan van het kantoorraam de lokalen van de meubelzaak Mader, Memmingerstrasse 43 te Kempten, binnen. Hij vond aldaar in een niet afgesloten schrijftafel een bedrag van 2,- DM aan contant geld, hetwelk hij zich toeëigende.
- ) Nog in dezelfde nacht pleegde de verdachte een inbraak in het kantoor van de firma Opel-Graefe, Lindauerstrasse 107 te Kempten. Hij sloeg daarbij met een straatsteen de ingangsdeur, die uit glas bestond, in, betrad door de daardoor ontstane opening het kantoorlokaal en brak de zich onder de winkellessenaar bevindende geldschuiflade open. Hij nam er een bedrag van 40,- tot 50,- DM uit weg.
- ) Eveneens nog in de nacht van 17/18-3-1966 klom de verdachte de kantoor- en fabricatielokalen van de firma Brücx-Lebensmittel te Leuben binnen na het inslaan van het raam van het aanmeldingsvertrek. Hij ontvreemdde eruit twee zwarte collegemappen, twee lederen geldbeurzen, een map met briefpapier en een reiswekkertje. 11.) In de vroege uren van 30-3-1966 pleegde de verdachte door het inslaan van de glazen toegangsdeur een diefstal met braak in de zaak in electrische artikelen van Josef Schuller, Kastenauerstrasse 36 te Rosenheim. Hij ontvreemdde uit de zaak de gehele winkelkas met een inhoud van 90,- DM, alsmede een draagbare radio ter waarde van 264,- DM. 12.) In de nacht van 1-4-1966 verschafte verdachte zich door het inslaan van een kantoorraam toegang tot de lokalen van de groothandel in electrische artikelen van de firma Nils Olof Wilker, Hasslacherstrasse 4, te, Traunstein, waar hij uit een kasregister een geldbedrag van 312, - DM kon ontvreemden. Bovendien eigende hij zich nog een platenspeler ter waarde van 200,- DM toe. 13.) In de vroege ochtenduren van 14-4-1966 sloeg de verdachte een raampje aan de Bosch-werkplaats van de firma Hornberger en Bäuerle, Max Exthstrasse 21, te Freudenstadt, in, ontgrendelde het raam en kwam op deze wijze in het inwendige van het gebouw. Aldaar ontvreemdde hij een geldbedrag van ongeveer 150,- DM, een draagbaar radiotoestel, een groot aantal batterijen alsmede verscheidene reclamecadeaux en andere kleine voorwerpen, na het openbreken van vier schrijftafels. De waarde van de gestolen buit bedroeg in totaal ongeveer 700,- DM.
- ) In de vroege uren van 16-4-1966 drong de verdachte na het stukslaan van een vensterruit de Bosch-werkplaats van de firma Weinmann Ernst, Hindenburgring 24 te Memmingen, binnen. Hij ontvreemdde zeven sloffen sigaretten, een bandrecorder met 11 geluidsbandcassetten en een draagbaar radioapparaat. 15.) In dezelfde nacht klom de verdachte na verbrijzeling van een vensterruit de motorrijtuigwerkplaats van Alois Rues, Augsburgerstrasse 59 te Memmingen, binnen. Zijn gestolen buit bestond hier slechts uit een pakje sigaretten.
- ) In de nacht van 16/17-4-1966 klom de verdachte te Marktoberdorf de motorrijtuigwerkplaats van Ottmar Fuhrmann, Saliterstrasse 44, te Marktoberdorf, binnen, nadat hij de vensterruit van de tentoonstellingsruimte verbrijzeld had. Hij ontvreemdde een polyester handschoen en een uitlaatafscherming en twee zeemlappen. De waarde van deze voorwerpen bedraagt ongeveer 30,- DM. 17.) Vervolgens pleegde de verdachte in de kantoren van de VW-handelaar Clemens Singer te Marktoberdorf een inbraak, nadat hij tevoren met een steen het raam van de tentoonstellingsruimte verbrijzeld had. Op zoek naar geld brak hij de verkooplessenaar alsmede de deur van een schrijftafel open. De gedaagde kon gedurende deze inbraak door de politie worden verrast en in verzekering gesteld. aan welke feiten door het Landgericht onder verwijzing naar de paragrafen 242, 243, 43 en 74 van het Duitse strafwetboek de wettelijke omschrijving is gegeven van: zware diefstal in veertien gevallen, poging tot zware diefstal in twee gevallen en een vergrijp van eenvoudige diefstal; II. een vonnis van het Amtsgericht München van 1 juli 1969, waarbij [de opgeëiste persoon] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van één jaar, vijf maanden en twee weken, wegens het op 22 februari 1969 te München ontvreemden van een colbertjasje met vest, alsmede wegens het op 6 april 1969 te München ontvreemden van negentien herenoverhemden en vijftien paar sokken, nadat hij de ruit van een toegangsdeur van een textielzaak met een steen had ingeslagen, aan welke feiten door het Amtsgericht, onder verwijzing naar de voormelde paragrafen 242, 243 en 74, de wettelijke omschrijving is gegeven van een vergrijp van diefstal en een misdrijf van diefstal; Overwegende dat door overlegging van evengenoemde stukken alsmede van de hierboven onder a, b en c genoemde stukken is voldaan aan de eis, gesteld in artikel 12 lid 2 onder (a) van het te dezen toepasselijke Europese Verdrag betreffende uitlevering; Overwegende dat de onder I en II vermelde feiten, welke beantwoorden aan de omschrijvingen van de delicten, waartegen is voorzien in de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, in verband met de artikelen 45 en 57 van dat wetboek, krachtens de wetten zowel van de Bondsrepubliek Duitsland als van Nederland strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van meer dan één jaar; Overwegende dat een overgelegd besluit van het hierboven onder I genoemde gerecht van 12 oktober 1970 onder meer inhoudt dat is herroepen het besluit van dat gerecht van 21 maart 1968, houdende een aan [de opgeëiste persoon] verleende "Strafaussetzung zur Bewährung" met betrekking tot een strafrestant van 365 dagen ter zake van het onder I vermelde vonnis; Overwegende dat het uitleveringsverzoek aan [de opgeëiste persoon] is medegedeeld bij vorenomschreven, hem op 18 juni 1976 betekende vordering; Overwegende dat genoemde vonnissen een - hiervoor weergegeven - overzicht bevatten van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, met een voldoende nauwkeurige vermelding van de tijd en de plaats waarop die zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de, in afschrift bijgevoegde, toepasselijke wetsbepalingen; Overwegende dat de bestreden uitspraak vermeldt, dat [de opgeëiste persoon] ter zitting van de Rechtbank heeft verklaard dat hij, genaamd [de opgeëiste persoon], is de in het uitleveringsverzoek bedoelde persoon en dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit; Overwegende dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 7 juni 1977 onder meer inhoudt dat aldaar door de raadsman van [de opgeëiste persoon] is betoogd dat [de opgeëiste persoon] Nederlands onderdaan is in de zin van artikel 6 lid 1 onder (a) en (b) van genoemd verdrag; Overwegende dienaangaande: dat genoemde bepaling als volgt luidt: "(a) Toute Partie Contractante aura la faculté de refuser l'extradition de ses ressortissants. ( b) Chaque Partie Contractante pourra, par une déclaration faite au moment de la signature ou du dépot de son instrument de ratification ou d'adhésion, définir, en ce qui la concerne, le terme "ressortissants" au sens de la présente Convention"; dat het Koninkrijk der Nederlanden een verklaring heeft afgelegd als hierboven bedoeld, welke verklaring, voor zover hier van belang, de volgende inhoud heeft: "Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas n'accordera ni l'extradition, ni le transit de ses nationaux. En ce qui concerne les Pays-Bas, il faut entendre par "ressortissants" au sens de la présente Convention, les personnes possédant la nationalité néerlandaise, ainsi que les étrangers qui se sont intégrés dans la communauté néerlandaise, pour autant qu'ils puissent être poursuivis aux Pays-Bas pour le fait pour lequel l'extradition est demandée"; dat in de Memorie van Antwoord op het ontwerp van wet dat heeft geleid tot de Wet van 9 maart 1967, Stb. 141, houdende goedkeuring van, onder meer, genoemd verdrag, voor zover hier van belang is opgenomen: "Krachtens het ontwerp van een nieuwe Uitleveringswet beslist de rechter over de toelaatbaarheid van de uitlevering. In gevallen waarin het toepasselijke verdrag voorziet in de bevoegdheid tot het weigeren van uitlevering en de Nederlandse Uitleveringswet niet gebiedt steeds gebruik van die bevoegdheid te maken, zal de uitlevering - wanneer overigens is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden - niet door de rechter ontoelaatbaar kunnen worden verklaard. Voor zover het gaat om vreemdelingen die in de Nederlandse samenleving thuisbehoren en die overeenkomstig de bepalingen omtrent de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet (artikelen 2 e.v. W.v.S.) hier te lande kunnen worden vervolgd ter zake van het feit waarvoor hun uitlevering is gevraagd, bestaat op grond van artikel 6 van het Europese Uitleveringsverdrag, juncto de daarbij door de Beneluxlanden af te leggen verklaring, slechts zulk een bevoegdheid. De vraag of de opgeëiste persoon een in Nederland "gewortelde" vreemdeling is, komt dus niet aan de orde bij de rechterlijke beslissing omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering. Wel ligt het op de weg van de rechter om, in het door hem uit te brengen advies aan de Minister van Justitie, zijn opvatting ter zake kenbaar te maken, met het oog op een eventueel gebruik van de bevoegdheid tot het weigeren van de uitlevering" ; dat hieruit volgt dat het voormelde namens [de opgeëiste persoon] gevoerde verweer geen doel treft; dat, nu is voldaan aan de door de Uitleveringswet en het verdrag gestelde eisen en niet is gebleken van enige omstandigheid welke aan een toelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering in de weg staat, de uitlevering toelaatbaar behoort te worden verklaard; Gezien de artikelen 2 en 6 van genoemd verdrag en de artikelen 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht; Verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Bondsrepubliek Duitsland van de onderdaan van die staat [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op 30 april 1942, ter zake van de hierboven onder I en II genoemde feiten. Gewezen te 's-Gravenhage bij Mrs. Moons, Vice- President, Fikkert, Bronkhorst, Royer en Wijnholt, Raden, in bijzijn van de Griffier Reyers, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemde Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de tiende januari 1900 acht en zeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat- Generaal Remmelink, zijnde de Griffier Reyers vervangen door de Waarnemend Griffier Pieters.