30 juni 1978 Br. De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak nr. 11.241 van de rechtspersoonlijkheid bezittende Vereniging ‘’Het Algemeen Provinciaal Fries Ziekenfonds’’, gevestigd te Leeuwarden, eiseres tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 30 maart 1977, vertegenwoordigd door Mr. W. Blackstone, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J.G. de Vries Robbé, eveneens advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal Franx in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het beroep met verwijzing van eiseres in de op de voorziening gevallen kosten; Gezien het bestreden arrest en de stukken van het geding, waaruit blijkt: Eiseres tot cassatie — hierna te noemen het Ziekenfonds — heeft bij exploit van 23 juli 1973 de verweerder in cassatie — hierna te noemen [verweerder] — gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden en gevorderd om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 55.770,70 met rente en kosten. Bij vonnis van 13 juni 1974 heeft de Rechtbank het Ziekenfonds toegelaten de door hem gestelde toedracht van het in het vonnis bedoelde ongeval te bewijzen. Nadat getuigenverhoren waren gehouden heeft de Rechtbank vervolgens bij vonnis van 10 april 1975 de vordering van het Ziekenfonds toegewezen voor een bedrag van ƒ 41.828,02 en de vordering, voor zover hier van belang, voor het overige afgewezen. De Rechtbank heeft daartoe overwogen: ‘’2. dat aan het Ziekenfonds is opgedragen te bewijzen de door hem gestelde toedracht van de aanrijding, hebbende hij dienaangaande gesteld, dat [verweerder] heeft nagelaten de snelheid van zijn auto tijdig en, gezien de omstandigheden ter plaatse, afdoende te verminderen, hoewel hij daartoe volop de gelegenheid heeft gehad, nu hij de kinderen van ver langs de weg zag lopen, en, hoewel hij door het vóór de aanrijding oversteken van [betrokkene 1] reeds gewaarschuwd was en erop bedacht kon en moest zijn, dat er nog een kind zou kunnen gaan oversteken; 3. dat de gehoorde verbalisanten, de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , gelijkluidend hebben verklaard het door hen opgemaakte proces-verbaal te bevestigen, waarbij getuige [betrokkene 2] nog heeft medegedeeld, dat de door hem in dit proces-verbaal van politie opgenomen afstand van 25 meter van de plaats van het ongeval tot de plaats, waar de auto tot stilstand is gekomen, niet is bepaald aan de hand van zogenaamde stille getuigen, maar aan de hand van getuigenverklaringen, terwijl beide verbalisanten hebben verklaard, dat het wegdek droog was en dat zij geen remsporen hebben gezien; dat op grond van deze verklaringen moet worden aangenomen, dat de afstand van de plaats van het ongeval tot de plaats, waar de auto tot stilstand is gekomen, door de verbalisanten niet zonder grond op 25 meter is gesteld, zoals [verweerder] heeft aangevoerd, maar aan de hand van getuigenverklaringen, zodat die afstand, zoal niet exact 25 meter, dan toch ongeveer die lengte zal hebben gehad; dat de getuige [betrokkene 1] weinig ter zake dienende heeft verklaard, behalve dan, dat zijn kinderen alstoen ter plaatse — gezien vanuit de rijrichting van [verweerder] — van links naar rechts zullen zijn overgestoken; dat aan de verklaring van de mede-inzittende getuige [betrokkene 4] niet veel waarde kan worden toegekend, nu deze is begonnen te zeggen, dat hij, sinds hij door de politie is gehoord, een hartinfarct heeft gehad en zich eigenlijk niet veel meer van het ongeval kan herinneren; dat de Rechtbank zijn verklaring tegenover de politie, korte tijd na het ongeval afgelegd, dan ook geloofwaardiger oordeelt, hebbende getuige [betrokkene 4] alstoen onder andere verklaard, dat hij, nadat zij een paard en wagen hadden ingehaald, een eind verderop enkele kinderen zag spelen; dat, toen zij nog een eind van de kinderen verwijderd waren, plotseling één van hen de rijbaan overliep; en dat het nadien aangereden jongetje ongeveer 25 meter door de auto werd meegesleurd; dat ten slotte de man van paard en wagen, de getuige [betrokkene 5] , heeft verklaard, dat de auto van [verweerder] hem rustig passeerde; dat hij pas kinderen op de weg heeft gezien, toen het ongeval al was gebeurd; maar dat hij, omdat hij toen alle aandacht nodig had voor zijn paard, geen tijd had, om erg vóór zich op de weg te kijken; dat diezelfde getuige overigens korte tijd na het ongeval tegenover de politie heeft verklaard, dat, toen de auto hem had ingehaald, hij even verderop enkele kinderen zag spelen; 4. dat, gelet op het hiervóór overwogene, de Rechtbank van oordeel is, dat voldoende is komen vast te staan, dat [verweerder] , nadat hij paard en wagen had ingehaald, bedoelde kinderen op enige afstand langs de weg heeft kunnen zien lopen; dat die omstandigheid meebracht, dat [verweerder] reeds vóór het oversteken van [betrokkene 1] rekening had moeten houden met de mogelijkheid, dat een van die kinderen plotseling de weg zou oplopen, en dat hij, terstond nadat hij de kinderen had opgemerkt, zijn snelheid zodanig had moeten verminderen, dat hij zo nodig op zeer korte afstand had kunnen stilstaan; dat het herhaald gebruik van [verweerder] van de claxon daaraan niet afdoet, integendeel, aannemelijk maakt dat ook [verweerder] een gevaar voor de kinderen aanwezig achtte; dat, voldoende ten processe is aangetoond, dat [verweerder] , nadat [betrokkene 1] was overgestoken, met zijn auto de later overstekende [slachtoffer] heeft geraakt en na dit ongeval nog een afstand van ongeveer 25 meter over die weg heeft afgelegd, alvorens met zijn auto tot stilstand te komen; dat [verweerder] — derhalve anders dan door hem is gesteld — niet geacht kan worden de snelheid van zijn auto tijdig en, gezien de omstandigheden ter plaatse, afdoende te hebben verminderd, hoewel daartoe in staat; dat [verweerder] verweer, dat hij geen schuld heeft aan het ongeval, derhalve moet worden verworpen; 5. dat [verweerder] voorts heeft gesteld, dat [slachtoffer] medeschuldig is aan het ongeval, daar deze op korte afstand vóór de door [verweerder] bereden auto plotseling de weg is overgestoken; 6. dat de Rechtbank enige medeschuld van [slachtoffer] wel aanwezig acht, hebbende het Ziekenfonds voormelde stelling van [verweerder] onvoldoende bestreden; dat het schuldaandeel van [slachtoffer] zal worden gesteld op 25%, zodat [verweerder] moet worden veroordeeld 3/4 van de door het Ziekenfonds gevorderde en door [verweerder] erkende schade ad ƒ 55.770,70, zijnde ƒ 41.828,02, te betalen;’’. [verweerder] is van beide vonnissen in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden en heeft tegen deze vonnissen verschillende grieven aangevoerd, terwijl het Ziekenfonds zijnerzijds tegen deze vonnissen incidenteel in hoger beroep is gekomen. Bij arrest van 30 maart 1977 heeft het Hof — voor zover hier van belang — het incidenteel appel verworpen en in het principaal appel, na het vonnis van de Rechtbank van 13 juni 1974 te hebben bekrachtigd, het vonnis van de Rechtbank van 10 april 1975 vernietigd met veroordeling aan [verweerder] om aan het Ziekenfonds te betalen een bedrag van ƒ 13.942,68 met rente. Het Hof heeft daartoe overwogen: ‘’6. ten aanzien van de vierde grief: a. dat deze grief blijkens de daarop gegeven toelichting is gericht tegen het, op de in die grief vermelde en voor het merendeel gewraakte overwegingen gegrond, oordeel van de Rechtbank, dat het verweer van [verweerder] , dat hij geen schuld heeft, moet worden verworpen; b. dat gelet op hetgeen door partijen over en weer is gesteld en niet, althans niet voldoende gemotiveerd, is bestreden en op de inhoud van de overgelegde stukken, met name het door [verweerder] overgelegde proces-verbaal van de rijkspolitie, van het navolgende moet worden uitgegaan: [verweerder] reed met een snelheid van 55 à 60 km/uur over de ongeveer vijf meter brede rijbaan van de Achterweg in de richting Wouterswoude. Nadat hij een voor hem uit in dezelfde richting rijdende met een paard bespannen wagen had ingehaald en was voorbijgereden, zag hij op korte afstand voor zich enige kleine kinderen in de rechter wegberm spelen of lopen. Eén van de kinderen, [betrokkene 1] , stak plotseling van rechts naar links de rijbaan over. [verweerder] verminderde daarop de snelheid van de door hem bestuurde auto door gas los te laten. Kort daarop stak het slachtoffer [slachtoffer] op korte afstand voor de auto de rijbaan van rechts naar links over. Ondanks krachtig remmen kon [verweerder] een aanrijding met [slachtoffer] niet vermijden; 7. a. dat, waar [verweerder] , nadat hij de met een paard bespannen wagen was gepasseerd, de kinderen op korte afstand voor zich uit zag en, nadat [betrokkene 1] plotseling de rijbaan was overgestoken, claxonneerde en gas terugnam, hij kennelijk zelf inzag, dat zijn nadering voor de kinderen gevaar kon opleveren; b. dat, nu het hier gaat om zeer jeugdige kinderen van wie men — naar algemeen bekend is — kan en moet verwachten, dat zij zich impulsief, ondoordacht en weinig bewust van de op de weg van de zijde van de overige weggebruikers dreigende gevaren plegen te gedragen, [verweerder] niet had kunnen en mogen volstaan met voorshands te claxonneren en gas terug te nemen, met name niet, toen het eerste kind de rijbaan overstak, omdat hij immers er ernstig rekening mee had moeten houden, dat de andere kinderen, althans één van hen, eveneens de rijbaan zouden (zou) oversteken; c. dat naar 's Hofs oordeel [verweerder] , toen hij de kinderen op korte afstand gewaar werd, in grotere mate dan hij aanvankelijk deed, zijn snelheid had moeten verminderen om zich dusdoende meer gelegenheid te scheppen zo adequaat mogelijk te reageren op het onberekenbare gedrag van deze kinderen, omdat hij immers geen enkele zekerheid had, dat de andere kinderen — te wier aanzien niet is gebleken, dat zij omkeken in de richting van de naderende auto van [verweerder] en zich deswege bewust waren, hoe ver die auto nog achter hen was en hoe snel deze naderde — zouden blijven staan na het oversteken van het eerste kind; d. dat deswege naar 's Hofs oordeel de wijze van rijden van [verweerder] het onderhavige ongeval mede heeft veroorzaakt en, gelet op het vorenoverwogene, [verweerder] daaraan ook schuld treft; e. dat derhalve deze grief eveneens tevergeefs is voorgedragen; 8. met betrekking tot de vijfde grief in het principaal appel en tevens de in het incidenteel appel opgeworpen grief: a. dat beide grieven betrekking hebben op de vaststelling van de mate van schuld, die respectievelijk [slachtoffer] en [verweerder] aan het onderhavige ongeval hebben gehad en op de daarop gebaseerde beslissing ten aanzien van de aansprakelijkheid aan de zijde van [verweerder] voor de aan [slachtoffer] opgekomen schade; b. dat het Hof de in het incidenteel appel aangevoerde grief als zijnde van de verste strekking het eerst zal behandelen; 9. daaromtrent: a. dat vaststaat, dat [slachtoffer] jegens zich zelf hoogst onvoorzichtig heeft gehandeld door plotseling kort voor de hem achterop rijdende, door [verweerder] bestuurde, auto de rijbaan over te steken; b. dat de vraag, of de benadeelde de door hem geleden schadelijke gevolgen van zijn eigen onvoorzichtig handelen voor zijn rekening moet nemen en zo ja, in welke mate dit dan het geval moet zijn, naar redelijkheid dient te worden beantwoord naar de mate van de ernst van dat onvoorzichtig handelen in vergelijking met de ernst van de gemaakte fout, begaan aan de zijde van degeen, die tot schadevergoeding wordt aangesproken, en naar de mate, waarin de wederzijds gemaakte fouten hebben bijgedragen tot het ontstaan van de geleden schade; c. dat, waar het gaat om de vraag, of en in welke mate de benadeelde naar redelijkheid de schadelijke gevolgen van zijn eigen onvoorzichtig handelen voor zijn eigen rekening behoort te nemen, naar 's Hofs oordeel niet aan de orde komt, of en in welke mate aan de benadeelde het jegens zichzelf onvoorzichtig handelen kan worden verweten en toegerekend; d. dat derhalve de grief, waaraan — blijkens de inleiding van de memorie van antwoord in het principaal appel — de stelling ten grondslag ligt, dat aan de zijde van [slachtoffer] met het oog op diens jeugdige leeftijd geen sprake kan zijn van mede schuld, dient te worden verworpen; 10. met betrekking tot de vijfde grief in het principaal appel: a. dat, gelet op de mate van ernst van het onvoorzichtig handelen van [slachtoffer] enerzijds in vergelijking met de ernst van het foutieve verkeersgedrag van [verweerder] anderzijds, zoals een en ander ten processe is gebleken, en voorts op de mate waarin de wederzijds gemaakte fouten hebben bijgedragen tot het ontstaan van de geleden schade, zijnde deze naar 's Hofs oordeel in overwegende mate door het plotseling oversteken van [slachtoffer] veroorzaakt, [verweerder] slechts voor een vierde gedeelte van de aan [slachtoffer] opgekomen schade aansprakelijk kan worden gesteld;’’. Het Ziekenfonds bestrijdt dit arrest met het volgende middel van cassatie: ‘’Schending van het recht en verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordien het Hof heeft rechtgedaan als omschreven in het dictum van zijn beroepen arrest, zulks op de gronden in zijn arrest vermeld en hier eveneens als ingelast te beschouwen, ten onrechte om de navolgende, in onderling verband in aanmerking te nemen, redenen: Het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de (eventuele) invloed welke de (zéér) jeugdige leeftijd van het slachtoffer [slachtoffer] (en hetgeen aan die zeer jeugdige leeftijd inherent is of pleegt te zijn) moet of kàn hebben bij de beoordeling van de vraag òf er — en zo ja, in welke mate — in casu termen zijn de vergoedingsplicht van [verweerder] (jegens [slachtoffer] respectievelijk het Ziekenfonds) te matigen respectievelijk te verminderen; en in elk geval heeft het Hof zijn beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.