12 april 1978.Nr. 18.495.LR. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 februari 1977 betreffende de haar opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van haar verkrijging uit de na te noemen nalatenschap; Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekkende tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een naar een verkrijging van ƒ 158.013,--; Gezien de stukken; Overwegende dat aan belanghebbende wegens haar verkrijging als enig erfgename van haar vader, [B] , overleden te [Z] op 19 december 1974, een aanslag in het recht van successie is opgelegd naar een verkrijging van ƒ 164.487,--, welke aanslag, na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd, waarna belanghebbende van de uitspraak van de Inspecteur in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt: "Erflater, geboren op [geboortedatum] 1903 en overleden op 19 december 1974, wiens echtgenote in 1969 was overleden, liet als enige erfgename achter de belanghebbende, geboren in 1947, zijn adoptiefdochter. Tot de nalatenschap behoorde onder meer een woonhuis, met schuur, hooiberg, boomgaard en weiland, staande en gelegen te [Z] , aan de [a-straat] nummer [1] , kadastraal bekend gemeente [Z] , sectie [...] , nummers [001] , [002] , [003] en [004] , tezamen groot 89.54 are. De opstallen zijn in 1963 gebouwd op grond, die tot dat jaar behoorde tot de ten name van erflaters echtgenote staande, in 1963 verkochte boerderij met 14.65.26 ha land, waarop erflater destijds het veehoudersbedrijf uitoefende. De schuur bevat een garageruimte, alsmede een ruimte die geschikt is voor de stalling van enig vee. Ten dage van het overlijden bestond het vee uit drie stierkalveren, twee schapen en een lam. Op 1 januari 1974 waren aanwezig 2 pinken. Bij een onderzoek op 23 april 1976 bezat belanghebbende, die met erflater in gezinsverband heeft samengewoond en na het overlijden het onroerend goed is blijven bewonen, de volgende veestapel: 3 pinken, 3 schapen, 3 lammeren en 12 kippen. In het sousterrain van het huis bevonden en bevinden zich ook thans nog kleine werktuigen en gereedschappen. Erflater werd voor de inkomsten uit het houden van bedoeld vee in de heffing van de inkomstenbelasting betrokken, waarbij die inkomsten aanvankelijk als winst uit onderneming werden aangemerkt, met name tot en met het jaar 1967, ‒ er heeft een herwaardering op grond van artikel 70 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 plaatsgevonden ‒, doch later ook wel als inkomsten uit arbeid zijn aangegeven. Over 1973 bedroegen de bruto-inkomsten ƒ 3.900,-- en de kosten ƒ 2.569,--, waarvan ƒ 500,-- afschrijving op schuur, hooiberg en betonbrug. Belanghebbende is vóór erflaters overlijden als huishoudelijke hulp in een bejaardentehuis werkzaam geweest. Ook heeft zij de functie van melkcontroleuse vervuld. Zij heeft voorts haar vader geholpen met het verzorgen van het vee. Zij hooide, maakte sloten schoon en verrichtte ook overigens alle noodzakelijke werkzaamheden. Op 12 december 1974 heeft zij uit haar dienstbetrekking bij het bejaardentehuis ontslag genomen ten einde haar vader te kunnen verzorgen. Na het overlijden is zij niet meer in dienstbetrekking gegaan, doch exploiteert zelfstandig de veestapel. Haar overige inkomsten bestaan uit de inkomsten uit het haar nagelaten vermogen. In de successie-memorie is aan het onroerend goed, zulks onder verwijzing naar de ministeriële resolutie van 25 augustus 1965, nummer D 5/4310, P.W. 17.691, inzake de waardebepaling van land- en tuinbouwbedrijven in verband met de heffing van registratie- en schenkingsrecht, en de aan de Broederschap der Notarissen gerichte ministeriële brief van 24 februari 1966 (gepubliceerd in het Correspondentieblad van maart 1966), welke brief een toelichting behelst op voormelde resolutie, een (agrarische) waarde toegekend van ƒ 46.026,--. Laatstvermeld bedrag is als volgt samengesteld: huis ƒ 30.000,--, schuur en hooiberg ƒ 12.000,--, land ƒ 3.000,-- en betonbrug ƒ 1.026,--. De Inspecteur acht de resolutie in het onderhavige geval niet van toepassing en heeft bij het regelen van de aanslag, rekening houdende met de omstandigheid dat belanghebbende het onroerend goed in eigen gebruik heeft, de verkoopwaarde daarvan op ƒ 80.000,-- gesteld, waarbij hij ƒ 57.500,-- aan het huis met ondergrond en ƒ 22.500,-- aan de andere opstallen en de resterende grond, waarvan een betrekkelijk groot gedeelte op enige afstand van het huis is gelegen, heeft toegerekend. Aan het gehele onroerend goed heeft de Inspecteur een waarde in vrije staat van ƒ 114.000,-- toegekend, welk bedrag als volgt is gespecificeerd: huis met ondergrond ƒ 82.500,--, schuur en hooiberg en omliggende grond ƒ 16.000,--, overige grond ƒ 16.300,--."; Overwegende dat het Hof het geschil heeft omschreven als volgt: "De uitkomsten van de onderscheidene schattingen zijn niet in geschil. Het geschil betreft uitsluitend het antwoord op de vraag, of en in hoeverre hier betekenis toekomt aan de hiervoor vermelde resolutie, die – naar de Inspecteur heeft medegedeeld – ook voor de heffing van het successierecht pleegt te worden toegepast;"; Overwegende dat het Hof het standpunt van belanghebbende als volgt heeft omschreven: "Erflater heeft na 1963 wel degelijk een landbouwbedrijf uitgeoefend. De kosten van levensonderhoud werden mede bekostigd uit de bedrijfsopbrengsten. Ook belanghebbende voorziet door middel van het bedrijf in haar levensonderhoud. De fiscus, die de bedrijfsopbrengsten steeds in de inkomstenbelasting heeft betrokken, zou met twee maten meten, indien hij voor de heffing van het successierecht in het onderhavige geval de voormelde resolutie buiten toepassing zou laten. Niet van belang is, dat hier sprake is van een klein bedrijf. In het vijfde lid, van de tot de Broederschap der Notarissen gerichte brief van 24 februari 1966 is immers opgemerkt: ""In beginsel zal voor de toepassing van de resolutie geen verschil behoren te worden gemaakt naar gelang van de grootte van het bedrijf of van de vraag of het bedrijf al dan niet rendabel is. In uitzonderingsgevallen, bij voorbeeld wanneer de boerderij niet als hoofdzakelijk middel van bestaan maar als bijverdienste of vrijetijdsbesteding wordt geëxploiteerd, zal wellicht voor toepassing van de resolutie geen reden zijn."" Voor erflater en voor belanghebbende was en is het bedrijf geen liefhebberij. Het niet toepassen van de resolutie is strijdig met beginselen van behoorlijk bestuur;"; Overwegende dat het Hof omtrent het standpunt van de Inspecteur heeft vermeld: "De toepassing van de resolutie is een kwestie van beleid van de Inspecteur en kan in een procedure niet met vrucht aan de orde worden gesteld. De resolutie is overigens niet van toepassing, omdat te dezen niet kan worden gesproken van een door de erflater uitgeoefend landbouwbedrijf in de daar bedoelde zin. Erflater wilde slechts nog wat om handen hebben. Het huis is een normaal woonhuis, geen boerderij. Over de jaren 1970 tot en met 1973 bestond erflaters onzuiver inkomen voor circa 20% uit opbrengsten verkregen met het houden van vee. Over 1974 is een verlies geleden;"; Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen: "dat ingevolge de ministeriële resolutie van 25 augustus 1965, nummer D 5/4310, zoals deze nader is toegelicht in de tot de Broederschap der Notarissen gerichte brief van 24 februari 1966, welke resolutie naar de Inspecteur heeft medegedeeld ook geldt voor de heffing van het successierecht, bij de waardebepaling van land- en tuinbouwbedrijven, die van ouders op kinderen overgaan, onder de in die resolutie vermelde omstandigheden in plaats van de in artikel 21, aanhef, onder I, letter a, van de Successiewet 1956 bedoelde verkoopwaarde de zogenaamde agrarische waarde – de waarde waarbij voor de opvolger een nog juist lonende exploitatie mogelijk is – tot uitgangspunt mag worden genomen; dat de Inspecteur – afgezien van zijn verweer dat de resolutie in rechte niet getoetst kan worden – heeft gesteld, dat te dezen niet sprake is van een landbouwbedrijf in de zin van de resolutie, doch van een als nevenwerkzaamheid (bijverdienste) aan te merken activiteit;dat het Hof de Inspecteur in deze opvatting evenwel niet vermag te volgen; dat erflater immers, nadat hij in 1963 op 60-jarige leeftijd zijn vroegere boerderij had verlaten, tot zijn overlijden in 1974 – als enige werkzaamheid – vee is blijven houden en daarmede in de regel positieve opbrengsten heeft verkregen, die een niet onbelangrijk bestanddeel vormden van zijn inkomen, dat overigens bestond uit enige vermogensinkomsten en – van 1968 af – uit een A.O.W.-uitkering; dat voor het houden van bedoeld vee gebruik werd gemaakt van eigen land, een schuur, een hooiberg, werktuigen en gereedschappen, terwijl – naar uit de overgelegde jaarstukken blijkt – kosten voor aankoop van veevoeder en meststoffen zijn gemaakt; dat naar 's Hofs oordeel erflaters werkzaamheid aldus van duurzame aard was en een zodanig commercieel karakter droeg, dat te dezen een als – zij het kleine – onderneming aan te merken organisatie van kapitaal en arbeid aanwezig moet worden geacht; dat ook belanghebbende – na erflaters overlijden – mede door middel van het houden van vee in haar levensonderhoud tracht te voorzien en geen andere werkzaamheden verricht; dat het vorenstaande, anders dan belanghebbende meent, niet medebrengt dat het gehele onroerend goed tot bedoeld landbouwbedrijf behoort; dat immers het huis niet is een boerderij, doch een woonhuis van een gebruikelijk type, dat slechts zeer bijkomstig voor het bedrijf wordt gebruikt; dat het dan ook, mede gelet op de beperkte omvang van het bedrijf, niet passend zou zijn het huis tot landbouwbedrijf te rekenen; dat bij toepassing van de resolutie de waarde van het onroerend goed derhalve zou moeten worden gesteld op het aangegeven bedrag van ƒ 46.026,-- + (ƒ 57.500,-- ‒ ƒ 30.000,--) = ƒ 73.526,--; dat niettemin belanghebbendes beroep, ook voor zover terecht een beroep is gedaan op de voormelde resolutie, moet worden verworpen; dat toch het Hof in dit geval de juistheid van de aanslag niet vermag te toetsen aan voormelde resolutie; dat voorts niet in geschil is, dat, wordt de resolutie buiten beschouwing gelaten, ingevolge artikel 21, aanhef, onder I, letter a, der successiewet 1956 de verkoopwaarde van het onderwerpelijke onroerend goed ten tijde van erflaters overlijden op ƒ 80.000,-- moet worden gesteld;"; Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd; Overwegende dat belanghebbende in cassatie heeft aangevoerd: "
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.