23 november 1979 Br De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak nr. 11.513 van [de vrouw] , wonende te [plaats] , eiseres tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 januari 1979, kosteloos procederende ingevolge een beschikking van de Hoge Raad van 17 mei 1979, vertegenwoordigd door Mr. R. Laret, advocaat bij de Hoge Raad, tegen [de man] , wonende te [plaats] , verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. E. Korthals Altes, eveneens advocaat bij de Hoge Raad ; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal ten Kate in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het beroep, met compensatie van de kosten op de voorziening gevallen; Gezien het bestreden arrest en de stukken van het geding, waaruit het volgende blijkt: Bij exploot van 18 juli 1975 heeft verweerder in cassatie - verder te noemen de man - eiseres tot cassatie - de vrouw - gedaagd voor de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam en gevorderd dat de Rechtbank tussen partijen echtscheiding uitspreekt wegens duurzame ontwrichting van hun huwelijk. Bij antwoord heeft de vrouw tegen de vordering tot echtscheiding geen verweer gevoerd maar gevraagd dat de Rechtbank de man veroordeelt om tot haar levensonderhoud f 1.600, -- per maand te betalen. Na verhoor van partijen heeft de Rechtbank bij vonnis van 7 april 1977 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de man veroordeeld tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van f 1.150, -- per maand van de dag van de inschrijving van de uitspraak der echtscheiding af. Van deze uitspraak zijn beide partijen - de vrouw principaal, de man incidenteel - in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam, doch alleen voor wat betreft het door de Rechtbank vastgestelde bedrag van alimentatie voor de vrouw, waarbij de vrouw heeft gevorderd dat de alimentatie tot f 1.700, -- per maand wordt verhoogd, en de man dat zij tot f 700, -- per maand wordt verlaagd. Bij het thans bestreden arrest van 19 januari 1979 heeft het Gerechtshof het vonnis van de Rechtbank vernietigd, doch uitsluitend voor zover daarbij de man is veroordeeld om aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud te betalen, en, in zover opnieuw rechtdoende, de man veroordeeld om aan de vrouw vanaf de inschrijving van de echtscheiding voor haar levensonderhoud f 700, -- per maand te betalen. Het Hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen: "Ten processe is gebleken dat het echtscheidingsvonnis is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 25 juli
- Op grond van de inhoud der gedingstukken en op grond van de ter comparitie gedane opgaven kan thans worden uitgegaan van de navolgende feiten: met betrekking tot de man: Hij is 66 jaar en ontvangt sinds 1 april 1977 een niet waardevast pensioen van f 3.490,25 per maand bruto. Daarnaast ontvangt hij nog een AOW-uitkering ten bedrage van f 898,50 per maand bruto, vermeerderd met een vakantietoeslag van f 706,44 per jaar. In totaal krijgt de man een bedrag van f 2.069, -- per maand in handen. Hij woont samen met een gescheiden vrouw van 42 jaar in een woning, die haar eigendom is. Hij neemt de hypotheekrente ad f 625, -- per maand voor zijn rekening, terwijl genoemde vriendin de aflossing met betrekking tot de op het huis rustende hypotheek betaald. Zijn vriendin, die 3 kinderen van respectievelijk 17, 16 en 15 jaar, te haren laste heeft, verdient als part-time verpleegster in een bejaardentehuis een bedrag van ongeveer f 830, -- per maand netto. Daarnaast ontvangt zij een alimentatie ten behoeve van haar kinderen van f 855, -- per maand in totaal. met betrekking tot de vrouw: Zij is 57 jaar en woont in de haar in eigendom toebehorende voormalige echtelijke woning. Zij heeft geen eigen inkomsten uit arbeid of vermogen. Zij geniet een A.B.P .- uitkering van f 637,79 per maand netto. De vrouw ontvangt van de man een voorlopige alimentatie van f 1.117,28 per maand, waarvan f 150, -- per maand strekt tot betaling van de helft van de door haar verschuldigde hypotheekrente en aflossing ad f 300, -- per maand in totaal. Bij vorenstaande stand van zaken behoort naar de te dezen geldende wettelijke maatstaven ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te worden toegekend van f 700, -- per maand, voor het eerst van rechtswege te wijzigen op 1 januari
- De door de man aangevoerde grief is dus gegrond." ; Overwegende dat de vrouw deze uitspraak bestrijdt met het volgende middel van cassatie: "Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich medebrengt, door dat het Hof op grond van de overwegingen als vervat in het voormeld arrest, naar de inhoud waarvan hier wordt verwezen, in het incidenteel appel heeft vernietigd het op 7 april 1977 uitgesproken vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, zulks echter uitsluitend voor zover daarbij de man is veroordeeld om aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud te betalen, en, in zover opnieuw rechtdoende, de man heeft veroordeeld om aan de vrouw voor haar levensonderhoud te betalen een bedrag van f 700, -- per maand, zulks ten onrechte op grond van de navolgende in onderlinge samenhang te lezen redenen:
- het Hof gaat bij zijn voormelde beslissing uit van feitelijke gegevens met betrekking tot de man en met betrekking tot de vrouw welke het Hof vaststelt op grond van de inhoud der gedingstukken en op grond van de ter comparitie gedane opgaven;
- het Hof stelt de voormelde gegevens kennelijk vast met het oog op de bepaling enerzijds van de draagkracht van de man en anderzijds van de behoeften van de vrouw;
- met betrekking tot de man stelt het Hof aldus vast dat hij uit hoofde van een niet-waardevast pensioen en een AOW-uitkering vermeerderd met een vacantietoeslag in totaal f 2.069, -- per maand in handen krijgt;
- uitgaande van deze vaststelling oordeelt het Hof, dat bij vorenstaande stand van zaken naar de te dezen geldende wettelijke maatstaven ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud dient te worden toegekend van f 700, -- per maand voor het eerst van rechtswege te wijzigen op 1 januari 1980;
- het door het Hof als voormeld vastgestelde bedrag van f 2.069, -- als netto-ontvangst van de man is door de man ter comparitie van partijen voor het Hof genoemd als zijnde zijn netto-ontvangst per maand na aftrek van belastingen en nader becijferd in een door de man bij gelegenheid van die comparitie overgelegd memorandum, waarin nader zijn uitgewerkt. gegevens door de man verstrekt bij de door hem genomen memorie van antwoord op het principaal appel, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel;
- uit de voormelde becijferingen blijkt dat de man bij de berekening van een netto-ontvangst per maand van f 2.069, -- is uitgegaan van een door hem aan de vrouw te betalen alimentatie van f 1.117,28 en de door hem bij een dergelijke uitkering te betalen belastingen;
- gegeven deze wijze van berekening van de maandelijkse netto-ontvangsten van de man en het daarin vervatte alimentatiebedrag ten gunste van de vrouw is onbegrijpelijk hoe het Hof ter bepaling van de draagkracht van de man een bedrag ad f 2.069, -- netto per maand als uitgangspunt heeft genomen althans gegeven deze wijze van berekening van de maandelijkse netto-ontvangsten van de man en het daarin vervatte alimentatiebedrag ten gunste van de vrouw is onbegrijpelijk 's Hofs beslissing dat de alimentatie ten gunste van de vrouw en ten laste van de man op f 700, -- per maand moet worden bepaald;
- gegeven deze wijze van berekening van de maandelijkse netto-ontvangsten van de man en het daarin vervatte alimentatiebedrag ten gunste van de vrouw geeft het Hof onvoldoende inzicht in zijn redenering op grond waarvan het Hof tot de beslissing komt, dat de alimentatie ten gunste van de vrouw en ten laste van de man op f 700, -- per maand moet worden gesteld;
- aldus is 's Hofs beslissing niet naar de eis der wet met redenen omkleed."; Overwegende omtrent dit middel: Aan het middel ligt de gedachte ten grondslag dat het Hof ter bepaling van de draagkracht van de man een bedrag van f 2.069, -- netto per maand als uitgangspunt heeft genomen. Aldus mist het middel echter feitelijke grondslag in 's Hofs arrest. Het Hof heeft immers vooropgesteld dat de man sinds 1 april 1977 een niet waardevast pensioen van f 3.490,25 per maand bruto, alsmede een AOW-uitkering van f 898,50 per maand bruto ontvangt. Daarnaast heeft het Hof ook een bedrag van f 2.069, -- vermeld, dat de man in handen krijgt, zijnde klaarblijkelijk zijn maandelijkse ontvangsten na aftrek niet alleen van de verschuldigde belastingen maar onder meer ook van de door hem betaalde voorlopige alimentatie voor zijn vrouw van f 1.117,28 per maand, zoals het Hof ook bij de inkomsten van de vrouw deze voorlopige alimentatie heeft vermeld. De vermelding van het bedrag van f 2.069, -- maakt 's Hofs motivering niet onbegrijpelijk, omdat dit bedrag aangeeft waartoe betaling van de door de Rechtbank vastgestelde alimentatie (van f 1.150, -- per maand) - welke maar weinig verschilde van het bedrag van de voorlopige alimentatie - ongeveer zou leiden. 's Hofs vaststellingen kunnen zijn beslissing betreffende de door de man te betalen alimentatie dragen en geven ook voldoende inzicht in de aan deze beslissing ten grondslag liggende gedachtengang. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden; Verwerpt het beroep; Compenseert de kosten op het geding in cassatie gevallen aldus dat ieder de eigen kosten draagt. Aldus gedaan door Mrs. Dubbink, President, Drion, Haardt, Martens en de Groot, Raden, en door de President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de drieëntwintigste november 1900 negenenzeventig, in tegenwoordigheid van de Procureur-Generaal.