23 november 1979 Br. De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak nr. 11.404 van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 maart 1978, vertegenwoordigd door Mr. J.L.W. Sillevis Smitt, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n 1. de Staat der Nederlanden, departement van Verkeer en Waterstaat, wiens zetel is te 's-Gravenhage, verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. S.E. Gratama, eveneens advocaat bij de Hoge Raad, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nederlandsche Rijnvaartvereeniging B.V., gevestigd te Rotterdam, verweerster in cassatie, niet verschenen. Gehoord de eiser en de eerste verweerder; Gehoord de Advocaat-Generaal Berger, concluderende tot verwerping van het beroep; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest en uit de stukken van het geding, voor zover in cassatie nog van belang, blijkt: Bij exploot van 15 augustus 1974 heeft de Staat als eiser zowel [eiser] - verder te noemen: [eiser] - als de Nederlandsche Rijnvaartvereeniging B.V. - verder te noemen: NRV - als gedaagden doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam tot betaling, ieder voor het geheel, des dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd, van de som van ƒ 9.300,88, vermeerderd met rente en kosten, welke hoofdsom betreft de door de Staat geleden schade doordat op 27 juni 1973 de duwbak ‘’EWT 31’’, die als voorste bak met de duwbak ‘’EWT 28’’, beide toebehorende aan NRV, en met de duwboot ‘’Jelle’’, eigendom van [eiser] , een duweenheid vormde, in het Amsterdam-Rijnkanaal ter hoogte van Diemen in aanvaring is gekomen met de beschoeiing van dat kanaal. Nadat NRV een vordering tot vrijwaring had ingesteld tegen [eiser] , welke vordering in cassatie niet aan de orde is, en nadat [eiser] en NRV in de hoofdzaak verweer hadden gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 21 mei 1976 aan de Staat zijn vordering tegen de beide gedaagden toegewezen, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd. De Rechtbank overwoog daartoe: ‘’6. Als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, staat tussen partijen het volgende vast: a. op 27 juni 1973 te ± 9.00 uur voer in het Amsterdam-Rijnkanaal in de richting Utrecht ter hoogte van km 3.050 een duweenheid, van achteren naar voren gezien bestaande uit de duwboot Jelle, eigendom van [eiser] , en de geladen duwbakken EWT 28 en EWT 31, eigendom van NRV, b. op tijd en plaats als gesteld is een koppeldraad aan stuurboordzijde tussen de EWT 28 en de EWT 31 gebroken, waardoor de voorste duwbak, de EWT 31, naar bakboord uit de koers liep en de boordvoorziening van het Amsterdam-Rijnkanaal raakte, waardoor aan deze boordvoorziening, eigendom van de Staat, schade werd toegebracht, c. het koppelen van de duwboot en de duwbakken heeft te Amsterdam plaatsgehad door personeel van [eiser] , terwijl op het moment van aanraking geen anderen dan personeelsleden van [eiser] zich aan boord van de duweenheid bevonden. 7. De Staat grondt zijn vorderingen op bovenstaande vaststaande feiten en voorts (jegens [eiser] ) op de stelling, dat de duwboot en duwbakken een eenheid vormen, te beschouwen als ‘’het schip’’ als bedoeld in artikel 949 lid 2 van het Wetboek van Koophandel, en (jegens NRV) op de stelling, dat deze als eigenares van de duwbak EWT 31, ook op zichzelf een schip zijnde, aansprakelijk is voor de aan de Staat toegebrachte schade en tenslotte (jegens beiden) op de stelling, dat de kosten van het herstel van de boordvoorziening ƒ 9.300,88 hebben bedragen. 8. De combinatie duwboot/duwbakken vormt vanuit nautisch oogpunt een vaartuig, aangezien de bakken geen eigen bemanning hebben en onder het gezag staan van de [eiser] van de duwboot, terwijl zij voorts door de onderlinge stijve verbindingen geen enkele mogelijkheid tot zelfstandig manoeuvreren bezitten. 9. Dit brengt mee dat een dergelijke combinatie uit een oogpunt van aansprakelijkheid niet als een sleeptrein in de zin van artikel 937 lid 3 van genoemd wetboek moet worden beschouwd, doch als één schip. In verband met het bepaalde in de artikelen 938 respectievelijk 949 is ieder der bij dit ‘’schip’’ betrokken eigenaren aansprakelijk voor de in die artikelen gemelde schade en wel ieder voor het geheel, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, en voorts met inachtneming van ieders krachtens artikel 944 vastgestelde beperkte aansprakelijkheid. 10. Nu niet is gebleken dat de koppeldraad is gebroken door een van buiten boord komende inwerking, die toeval of overmacht in de zin van artikel 937 oplevert, is, gelet op het onder 8 en 9 overwogene en het bij artikel 949 lid 2 bepaalde, het duwstel aansprakelijk voor de schade die door de aanraking van de boordvoorziening is toegebracht en zijn de vorderingen tegen de beide gedaagden voor toewijzing vatbaar.’’. Zowel [eiser] als NRV zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. [eiser] dagvaardde de Staat en NRV als verweerders in hoger beroep, NRV dagvaardde aldus de Staat en [eiser] . Het Hof heeft in het thans bestreden arrest de beide hoger beroepen samen behandeld. De beslissing luidt in beide beroepen tot bekrachtiging van het vonnis van de Rechtbank van 21 mei 1976. Het Hof doet zijn beslissing steunen op de volgende overwegingen: ‘’1. Appellant [eiser] heeft in zijn eerste drie grieven respectievelijk de rechtsoverwegingen 8, 9 en 10 van het vonnis waarvan beroep aangetast. In zijn vierde grief stelt hij, dat de Rechtbank ten onrechte hem en de NRV hoofdelijk heeft veroordeeld tot vergoeding van de schade. [eiser] heeft ter toelichting aangevoerd, dat, ook al wordt een duwstel in diverse vaarreglementen als een nautische eenheid beschouwd, dit niet betekent, dat met betrekking tot de wettelijke regeling van de aansprakelijkheid voor aanvaringsschade een duwstel ook een eenheid is. [eiser] heeft voorts betoogd, dat, nu de onderhavige schade is toegebracht door de voorste duwbak ‘’EWT 31’’, nadat de stuurboordse koppeldraad waarmede die bak aan de achterste duwbak ‘’EWT 28’’ was gekoppeld was gebroken waardoor de ‘’EWT 31’’ zelfstandig bakboord-uit is gelopen, er niet kan worden gesproken van een aanvaring van het duwstel met de beschoeiing van het kanaal. Tenslotte stelt [eiser] , dat er geen schuld is en kan zijn bij de duwboot ‘’Jelle’’ omdat de bewuste koppeldraad door personeel van de ‘’Jelle’’ op juiste wijze was aangebracht en op de juiste spanning was gebracht, en dat het breken van de koppeldraad uitsluitend is veroorzaakt door de slechte kwaliteit van die draad, waarvoor niet [eiser] als eigenaar van de ‘’Jelle’’, maar NRV als eigenares van de ‘’EWT 31’’ aansprakelijk is. 2. De eerste grief van appellante NRV houdt in, dat de Rechtbank in rechtsoverweging 9 weliswaar met juistheid heeft overwogen dat de onderhavige combinatie niet als een sleeptrein in de zin van artikel 937 lid 3 van het Wetboek van Koophandel moet worden beschouwd maar als één schip, maar dat de Rechtbank ten onrechte hieraan niet de gevolgtrekking heeft verbonden dat dan ook slechts de eigenaar van de duwboot aansprakelijk is. De tweede grief van NRV, die met de eerste grief verband houdt, is gericht tegen rechtsoverweging 10 van de Rechtbank. Volgens NRV heeft de Rechtbank voorbijgezien aan het feit, dat het de duwboot is die het varen van een duwstel in elk opzicht bepaalt en dat het personeel van de duwboot ook alle noodzakelijke handelingen op de duwbakken verricht, zodat er alle reden is om in geval van aanvaringsschade uitsluitend de eigenaar van de duwboot aansprakelijk te houden. NRV meent dat hierop ook wijst, dat de in artikel 944 van het wetboek bedoelde beperkte aansprakelijkheid voor een duwboot is gesteld op ƒ 495,-- per kubieke meter waterverplaatsing, maar dat, wanneer de duwboot deel uitmaakt van een duwstel, dat bedrag wordt verhoogd met ƒ 135,-- per kubieke meter waterverplaatsing van de met de duwboot gekoppelde duwbakken (Koninklijk Besluit van 7 februari 1952, Staatsblad 64, zoals sedertdien gewijzigd). NRV ontkent, dat de koppeldraad niet van deugdelijke kwaliteit was, en ook dat, indien dit anders was geweest, dit niet waarneembaar zou zijn geweest. Zij stelt dat het breken van de draad uitsluitend is veroorzaakt door het onjuiste koppelen door personeel van de ‘’Jelle’’. 3. De samenstellende delen van een duweenheid, die los van elkaar ieder een schip zijn in zeemanschappelijk opzicht, verliezen die hoedanigheid wanneer zij gezamenlijk een duweenheid vormen. Het Vaarreglement, het Rijnvaartpolitiereglement, en het nieuwe Ontwerp voor een Binnenvaart Politiereglement, beschouwen dan ook een duwstel (‘’een hecht samenstel van schepen’’) als een nautische eenheid, waarop de vaar- en uitwijkbepalingen als één vaartuig van toepassing zijn. Dit ligt ook voor de hand, omdat het ‘’hechte samenstel’’ als één vaartuig aan het scheepvaartverkeer deelneemt en manoeuvreert, en afzonderlijk handelen van een of meer van de samenstellende delen uitgesloten is. Bijgevolg heeft de Rechtbank ten rechte overwogen, dat een duwstel, bestaande uit een duwboot en één of meer duwbakken, in nautisch opzicht één vaartuig is. Dat dit, zoals door [eiser] is betoogd, voor niet-nautische aangelegenheden, zoals teboekstelling, verhaal van bevoorrechte schulden en bezwaring met hypotheek niet geldt, doet daaraan niet af. 4. Hetgeen onder 3 is overwogen heeft als gevolg dat, indien een duweenheid betrokken is bij een typisch nautisch gebeuren zoals een aanvaring, zij ook ten aanzien van de schuldvraag als één schip moet worden beschouwd. Indien derhalve een duwstel door een oorzaak aan boord ‘’verkeerd’’ heeft gevaren, betekent dit dat het duwstel als geheel schuld heeft in de zin van de artikelen 937 en volgende van het Wetboek van Koophandel. Nu in casu de schade is veroorzaakt door de schuld van één schip - de ‘’Jelle’’-duweenheid -, komt de verplichting tot schadevergoeding ten laste van de eigenaren van dat schip, dat wil zeggen van dat duwstel (artikel 938 van het wetboek). De derde-gelaedeerde, die veelal niet kan nagaan en beoordelen op welk deel van het duwstel de oorzaak van het verkeerd varen van het duwstel in concreto ligt, kan volstaan met zich tot alle eigenaren van de samenstellende delen te wenden. 5. Het betoog van [eiser] , dat de ‘’EWT 31’’, toen deze bak bakboord-uit liep en de beschoeiing raakte, geen deel meer uitmaakte van de duweenheid en een zelfstandig varend schip was geworden, zodat de juridische consequenties van het feit dat een duwstel een nautische éénheid is in casu geen rol speelt, faalt reeds hierom omdat het breken van de stuurboordskoppeldraad is geschied bij het varen van het ‘’Jelle’’-duwstel als nautische eenheid. Dat als gevolg van dat breken de voorste duwbak, onbestuurd en onbemand, bakboord-uit is gelopen was een verkeerd varen van dat duwstel. 6. Ook het betoog van NRV, dat de duwboot zozeer en in elk opzicht het samenstellen van en het varen met het duwstel beheerst, dat in geval van door schuld van het duwstel veroorzaakte aanvaringsschade uitsluitend de eigenaar van de duwboot aansprakelijk moet worden gehouden, kan niet slagen. In de eerste plaats kan het - verwijtbaar - breken of op andere wijze tekort schieten van uitrusting of toebehoren van duwbakken, dan wel van die bakken zelf, mede gelet op artikel 43a lid 2 van het Vaarreglement, tot gevolg hebben dat - zoals [eiser] in casu stelt - de aansprakelijkheid voor het gebeurde veeleer aan de zijde van een duwbak dan bij de duwboot ligt. In de tweede plaats ontbreekt een wettelijke basis om, anders dan onder 4 is overwogen, in geval van schuld van een schip, de verplichting om de door de schuld van dat schip veroorzaakte aanvaringsschade te vergoeden geheel te brengen ten laste van de eigenaar van een gedeelte van dat schip. Het onder 2 vermelde Koninklijk Besluit van 7 februari 1952 kan deze leemte niet opvullen, nog daargelaten dat daaruit niet blijkt, dat de verhoogde beperkte aansprakelijkheid van de duwboot als consequentie heeft dat de eigenaar van een duwbak in het geheel niet aansprakelijk is. 7. Nu, gelijk onder 4, is overwogen, alle eigenaren van de samenstellende delen van de ‘’Jelle’’- duweenheid voor de door de Staat geleden schade aansprakelijk zijn, kan zowel de stelling van [eiser] dat de oorzaak van het breken van de draad geheel ligt in de slechte kwaliteit van deze door NRV geleverde koppeldraad, als de bewering van NRV dat het personeel van de duwboot bij het koppelen van de duwbakken onjuist heeft gehandeld en te veel spanning op de bewuste draad heeft gebracht waardoor deze is gebroken, buiten behandeling blijven. 8. Hoe in een geval als het onderhavige moet worden geoordeeld over de aansprakelijkheid van de eigenaren van de delen van een duwstel voor door dat duwstel als schuldig schip aan een derde veroorzaakte schade, is onduidelijk. a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.