8 januari 1982 C.S. De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak nr. 11.722 van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 april 1980, kosteloos procederende ingevolge beschikking van de Hoge Raad van 18 september 1980, vertegenwoordigd door Mr. J van Schellen, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n de vereniging tot exploitatie van Het Dorpshuis te [plaats], gevestigd te [plaats], verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J.L.W. Sillevis Smitt, mede advocaat bij de Hoge Raad;Gehoord partijen;Gehoord de Advocaat-Generaal Franx in zijn conclusie, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest;Gezien het bestreden arrest en de stukken van het geding, waaruit het volgende blijkt:Bij exploot van 6 april 1977 heeft eiser tot cassatie – [eiser] – de verweerster in cassatie – het Dorpshuis – gedaagd voor de Arrondissementsrechtbank te utrecht en haar veroordeling gevorderd tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat, ter zake van letsel en schade opgelopen door [eiser];Na verweer van het Dorpshuis heeft de Rechtbank bij vonnis van 13 december 1978 de vordering van [eiser] afgewezen.Van deze uitspraak is [eiser] in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam, dat bij zijn thans bestreden arrest deze beslissing van de Rechtbank heeft bekrachtigd, na daartoe onder meer te hebben overwogen: “4. Op zichzelf is juist hetgeen [eiser] in zijn toelichting op de zesde grief aanvoert, namelijk dat hij de aansprakelijkheid van het Dorpshuis niet alleen heeft gebaseerd op de gedragingen van de ten tijde van het ongeval in functie zijnde beheerder en van de schoonmaakster, te rekenen tot het in de aangevallen overweging 11 bedoelde “personeel”, doch mede op zijn – door de Rechtbank blijkbaar niet in haar overweging betrokken – stelling dat de toen voormalige beheerder bij zijn vertrek er niet op heeft gewezen dat er natronloog in het berghok aanwezig was en er niet voor heeft gezorgd dat een ieder zou kunnen opmerken dat de stof (in plastic zakje en in emmertje) natronloog was, welke een en ander hij – volgens [eiser] – had behoren te doen.Het Hof echter is van oordeel dat tussen dat pretense nalaten van de voormalige beheerder, in beiderleivorm, en de aan [eiser] opgekomen schade geen juridisch relevant verband (anders dan misschien een pure condito sine qua non) aanwezig te achten is en mitsdien die schade niet aan de voormalige beheerder kan worden toegerekend en dus evenmin aan het Dorpshuis als zijn werkgever, nog daargelaten dat allerminst is komen vast te staan dat de voormalige beheerder bekend is geweest met de aanwezigheid van de stof, in vaste of vloeibare vorm, in het berghok.5. Hetgeen [eiser] in de toelichting op deze grief aanvoert betreffende het doen en laten van de ten tijde van het ongeval fungerende beheerder en de schoonmaakster kan deze tegen rechtsoverweging 11 gerichte grief niet ondersteunen, doch behoort veeleer thuis bij de zevende grief. Grief 6 kan derhalve niet tot vernietiging van het vonnis leiden.6. Blijkens de toelichting behelst grief 7 de volgende verwijten aan de Rechtbank:De Rechtbank heeft niet in haar overweging betrokken dat behalve de stof in het plastic zakje ook de vloeistof in het emmertje gevaarlijk van aard heeft kunnen zijn. De Rechtbank had niet, zonder [eiser] toe te laten tot het aangeboden getuigenbewijs, mogen aannemen dat niet zonder meer duidelijk was, wat de inhoud van het (zich in de vloeistof bevindende) zakje was en dat voor de vaststelling daarvan een onderzoek nodig zou zijn, een onderzoek dat de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer niet van het Dorpshuis zou vergen.Het Hof tekent hierbij aan dat [eiser] in eerste instantie geen (getuigen-) bewijs heeft aangeboden.7. Naar het oordeel van het Hof is te dezen niet van belang dat de beheerder en/of de schoonmaakster wisten of hadden behoren te weten dat het plastic zakje natronloog bevatte en er daarom op verdacht hadden behoren te zijn dat de vloeistof in het emmertje een natronloogoplossing was. Relevant te dezen is de vraag of de schoonmaakster en de beheerder zich ervan bewust hadden moeten zijn dat het voor de vuilophalers klaarzetten van een emmertje waarin een mogelijk gevaarlijke vloeistof op de ten processe vaststaande wijze (emmertje gezet in een kartonnen doos en daaromheen een dichtgebonden plastic zak) gevaar zou kunnen opleveren voor het personeel van de reinigingsdienst. 8. Deze vraag beantwoordt het Hof ontkennend. Voor de schoonmaakster en de beheerder was niet te voorzien dat het personeel van de reinigingsdienst, dat naar algemeen bekend is de klaargezette vuilniszakken optilt, naar de achterzijde van de vuilnisauto draagt en achterin die auto deponeert, gevaar zou lopen om met de in het emmertje aanwezige stof (vloeistof en/of droge stof in het zakje) in aanraking te komen; dat als gevolg van de werking van het mechaniek in de laadbak van de vuilnisauto een straal van die vloeistof achteruit de laadbak naar buiten zou komen kon geen enkele buitenstaander, zoals schoonmaakster en beheerder waren, verwachten. In dit verband is het derhalve niet van belang of de schoonmaakster en de beheerder hebben geweten dat het om natronloog (-oplossing) ging dan wel om een andere mogelijk bijtende stof en behoefde daaromtrent geen nader onderzoek plaats te vinden, evenmin als in het kader van deze procedure de ware aard van de stof behoeft te worden onderzocht. 9. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat de door hem – ook in de toelichting op grief 6 – vermelde omstandigheden, kort gezegd: op het zakje zou natronloog hebben gestaan, de schoonmaakster had gevoeld dat het zakje (van buiten) glibberig aanvoelde, men heeft zich van de vloeistof in de emmer kennelijk niet via gootsteen of toilet willen ontdoen, erop wijzen dat de schoonmaakster en/of de beheerder een bepaalde achterdocht nopens de goedaardigheid van de stof gehad zullen hebben maar het Hof acht, naar ook uit het voorgaande blijkt, zulks niet relevant omdat schoonmaakster en beheerder ervan mochten uitgaan dat stof en vloeistof, gelet op de wijze van klaarzetten voor de vuilophalers, geen kwaad konden doen. 10. De zevende grief kan derhalve niet tot vernietiging van het vonnis leiden en de achtste grief, die naast de zesde en de zevende geen zelfstandige betekenis heeft evenmin. Het door [eiser] in hoger beroep gedane bewijsaanbod kan derhalve voor wat betreft de vordering tegen het Dorpshuis als niet ter zake dienend worden gepasseerd. Het vonnis voor zover betreffende de pretense vordering van [eiser] tegen het Dorpshuis dient mitsdien bekrachtigd te worden en [eiser] dient als de in zoverre in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep aan de zijde van het Dorpshuis gevallen te dragen.”Overwegende dat [eiser] deze uitspraak bestrijdt met een middel van cassatie, als aangehecht aan deze uitspraak en daarvan deel uitmakende; Overwegende omtrent dit middel:1. In deze zaak staan de volgende feiten vast:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.