8 januari 1982 Req.nr. 5738C.S. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het verzoekschrift van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] , echtelieden, wonende te [woonplaats] , vertegenwoordigd door Jhr. Mr. D.J. de Brauw, advocaat bij de Hoge Raad, welk verzoekschrift strekt tot vernietiging van na te noemen beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 10 maart 1981, alsmede tot het verlenen van vergunning om te dezer zake in cassatie kosteloos te mogen procederen; Gelet op de conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh tot vernietiging van de beroepen beschikking voor wat betreft de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, en voor het overige tot verwerping van het beroep; Gezien de bestreden beschikking en de stukken, waaruit, voor zover thans nog van belang, het volgende blijkt: Bij deurwaardersexploit van 12 maart 1980 heeft de Stichting [verweerster] - verder aan te duiden als: de Woningstichting -, gevestigd te [vestigingsplaats] aan verzoekers tot cassatie - verder gezamenlijk [het echtpaar] te noemen - de huur van het door hen bewoonde woonhuis aan de [a-straat 1] te [woonplaats] opgezegd tegen 1 januari 1981. Bij verzoekschrift van 14 mei 1980 heeft de Woningstichting zich vervolgens tot de Kantonrechter te Enschede gewend met het verzoek het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen. Nadat [het echtpaar] tegen dit verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 26 november 1980 bepaald dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot voornoemd pand zou eindigen op 31 december 1980 en dat [het echtpaar] het pand alsdan diende te hebben ontruimd. Van deze beschikking is [het echtpaar] in hoger beroep gekomen bij de Arrondissementsrechtbank te Almelo die, nadat de Woningstichting de door het echtpaar aangevoerde grieven had bestreden, bij haar in cassatie aangevallen beschikking van 10 maart 1981 als volgt heeft beslist; "I. Vernietigt de hiervoor vermelde beschikking van de Kantonrechter te Enschede van 26 november 1980, waarvan beroep en opnieuw rechtdoende: II. Bepaalt dat de tussen de hiervoor genoemde partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het woonhuis met aanhorigheden, staande en gelegen aan de [a-straat 1] te [woonplaats] , zal eindigen op dinsdag 31 maart 1981 te 24.00 uur; III. Bepaalt dat [het echtpaar] dit pand op 31 maart 1981 te 24.00 uur (...) dient te hebben ontruimd; IV. Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;". De Rechtbank heeft daartoe overwogen: "1. Tussen partijen staat het navolgende vast: a. [het echtpaar] heeft van de Woningstichting in huur het woonhuis met aanhorigheden, staande en gelegen aan de [a-straat 1] te [woonplaats] b. [het echtpaar] bewoont dit huis samen met hun meerderjarige zoon en een, eveneens meerderjarige dochter; c. de onderhavige woning maakt deel uit van een complex van woningen, vallende onder een renovatieplan hetwelk de Woningstichting doende is te realiseren; (...) 2. Blijkens een door de Woningstichting bij haar verweerschrift in hoger beroep overgelegd stuk heeft de Woningstichting bij het hiervoor vermelde exploit van 12 maart 1980 als gronden die tot de opzegging van de onderhavige huurovereenkomst hebben geleid, vermeld: a. dat zij reeds geruime tijd bezig is met de realisering van de renovatie van een groot aantal woningen, welke bij haar in beheer zijn; b. dat bereids zestig woningen zijn gerenoveerd en dat het onderhavige woonhuis - het perceel [a-straat 1] te [woonplaats] - met aanhorigheden in de planning is opgenomen om in januari 1981 te worden gerenoveerd; c. dat [het echtpaar] evenwel niet instemt met een redelijk voorstel met betrekking tot een nieuwe huurovereenkomst voor het onderhavige woonhuis met aanhorigheden. 3. In haar, op 19 mei 1980 ter griffie van het Kantongerecht te Enschede binnengekomen, verzoekschrift aan de Kantonrechter aldaar tot vaststelling van het tijdstip waarop de onderhavige huurovereenkomst zal eindigen, heeft de Woningstichting onder andere gesteld: a. dat de onderhavige woning behoort tot een complex van 81 woningen, waarvan zij, de Woningstichting , reeds geruime tijd doende is met de realisering van een renovatieplan; b. dat deze renovatie zover gevorderd is dat inmiddels van dat complex zestig woningen zijn gerenoveerd; dat het onderhavige woonhuis in januari 1981 in de planning is opgenomen; c. dat [het echtpaar] weigerachtig is om aan de voorgenomen renovatie mede te werken, althans aan zijn medewerking daartoe dermate onredelijke eisen stelt dat de Woningstichting daaraan niet tegemoet kan komen zonder daarmede onrecht aan te doen aan de andere bewoners van de te renoveren woningen; d. dat de Woningstichting dan ook, teneinde de voortgang in de werkzaamheden te continueren en de belangen van de andere bewoners niet te schaden, zich genoodzaakt heeft gezien de huur van het onderhavige woonhuis met aanhorigheden aan [het echtpaar] te doen opzeggen; (...) 5. Primair voert [het echtpaar] als grief tegen de beschikking waarvan beroep, aan: " ... dat de Kantonrechter in zijn beschikking de grondslag van het inleidend verzoekschrift heeft verlaten. Immers, de Woningstichting heeft niet aangegeven op welke grond zij de huuropzegging baseerde. Ten aanzien van het daaromtrent door [het echtpaar] gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het inleidende verzoek wordt door de Kantonrechter geen overweging en/of een beslissing gegeven. Om deze reden komt de bestreden beschikking voor vernietiging in aanmerking. [het echtpaar] is nog steeds van mening dat het verzoek tot beëindiging van de huurovereenkomst omdat het echtpaar (gemotiveerd) weigert mee te werken aan de door de Woningstichting voorgestelde renovatie, niet kan worden gegrond op één der limitatieve en imperatieve opzeggingsgronden vermeld in artikel 1623e lid 1 sub 1 tot en met 5 van het Burgerlijk Wetboek". 6. Van de zijde van [het echtpaar] is niet betwist dat, gelijk door de Woningstichting is aangevoerd, de thans door hen bewoonde woning [a-straat 1] te [woonplaats] deel uitmaakt van een blok van - enige - woningen en [het echtpaar] heeft voorts niet, althans niet gemotiveerd, betwist: dat de renovatie onder andere inhoudt dat de achtergevel van het huis wordt uitgebroken en dat daarom het niet mogelijk is de andere woningen van het blok wel, doch de huidige woning van [het echtpaar] niet te renoveren, zodat al deze feiten tussen partijen vaststaan. Uit hetgeen door partijen is aangevoerd, volgt voorts dat degenen wier woningen in het kader van de onderhavige renovatieplannen worden gerenoveerd, voor enige tijd een andere woning, een zogenaamde wisselwoning, betrekken, daar het niet mogelijk is dat zij gedurende de werkzaamheden ter renovatie van hun woning in dat huis blijven wonen. 7. Uit hetgeen onder 6 is overwogen volgt dat de Woningstichting er dringend behoefte aan heeft, dat zij gedurende de tijd van de werkzaamheden ter renovatie van het blok woningen waarvan het perceel [a-straat 1] deel uitmaakt, ten behoeve van het kunnen doen uitvoeren van die werkzaamheden de beschikking heeft over het gehele blok woningen, mitsdien ook over het perceel [a-straat 1] , hetwelk [het echtpaar] thans van haar in huur heeft. Mitsdien heeft de Woningstichting dit perceel [a-straat 1] dringend nodig voor eigen gebruik, als bedoeld in artikel 1623e, eerste lid, onder 3e van het Burgerlijk Wetboek, zoals door de Woningstichting subsidiair is aangevoerd. 8. In het deurwaardersexploit waarbij de Woningstichting de onderhavige huurovereenkomst aan [het echtpaar] heeft opgezegd, noch in haar inleidend verzoekschrift aan de Kantonrechter heeft de Woningstichting met zoveel woorden gesteld, dat zij de onderhavige woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik, doch zowel in dat exploit als in dat verzoekschrift spreekt zij over de renovatieplannen die zij ten aanzien van een groot aantal woningen doende is te realiseren. In het exploit van huuropzegging vermeldt de Woningstichting onder andere: dat bereids zestig woningen zijn gerenoveerd en dat het onderhavige woonhuis met aanhorigheden in de planning is opgenomen om in januari 1981 te worden gerenoveerd. In haar inleidend verzoekschrift aan de Kantonrechter werkt de Woningstichting dit uit als hiervoor sub 3 onder b, c en d is weergegeven. 9. Krachtens artikel 1623b, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek moet, indien de verhuurder de huur opzegt, de opzegging op straffe van nietigheid de gronden vermelden die tot de opzegging hebben geleid en is een opzegging door de verhuurder op andere dan de in artikel 1623e, eerste lid, van dat wetboek genoemde gronden, nietig. Krachtens artikel 1623d, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek neemt de rechter bij zijn beslissing op het verzoek van de verhuurder tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen, uitsluitend de in de opzegging vermelde gronden in aanmerking. Voorts kan krachtens artikel 1623c, tweede lid, van dat wetboek dit verzoek tot vaststelling van dat tijdstip uitsluitend worden gebaseerd op de gronden in de opzegging vermeld. Dit een en ander betekent echter niet, dat bij de formulering van de grond, of de gronden, die tot de opzegging van de huur hebben geleid, de bewoordingen van artikel 1623e, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek moeten worden gevolgd. Voldoende is dat de grond of de gronden die in de opzegging van de huur voor die opzegging wordt, respectievelijk: worden genoemd, overeenstemt, respectievelijk: overeenstemmen, met een of meer van de gronden die in dat artikel 1623e, eerste lid, worden vermeld. 10. Naar uit hetgeen hiervoor onder 7 en 8 is overwogen volgt, heeft de Woningstichting in het deurwaardersexploit waarbij zij de onderhavige huurovereenkomst opzegde, tot uitdrukking gebracht dat die opzegging van de huur geschiedde op grond dat zij er dringend behoefte aan had om gedurende de tijd die voor de realisering van de onderhavige renovatieplannen vereist was, de beschikking over de onderhavige woning te hebben en heeft, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 9 is overwogen, de Woningstichting hierdoor in de opzegging van de huur op voldoende wijze vermeld dat die opzegging geschiedde op grond dat zij, de Woningstichting , die woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik, te weten: het doen uitvoeren van de werkzaamheden ter realisering van de renovatieplannen voor het complex woningen waarvan die woning deel uitmaakt. Van algemene bekendheid is dat de bewoners van huizen die gerenoveerd worden, veelal die woningen voor de duur van de werkzaamheden vereist voor de renovering van die woningen, moeten verlaten en voor die duur een ander huis, veelal een zogenaamde wisselwoning, moeten betrekken. Op grond van dit een en ander is de Woningstichting ontvankelijk in haar bij het inleidend verzoekschrift gedane verzoek tot vaststelling van het tijdstip waarop de onderhavige huurovereenkomst zal eindigen. 11. Ter terechtzitting van 25 februari 1981 heeft de procureur van de Woningstichting medegedeeld dat thans een gerenoveerde wisselwoning voor [het echtpaar] beschikbaar is. Van de zijde van [het echtpaar] is deze mededeling niet bestreden. Naar het oordeel van de Rechtbank blijkt uit dit een en ander dat de huurders - [het echtpaar] - andere passende woonruimte kunnen verkrijgen, als bedoeld in artikel 1623e, eerste lid, onder 3e van het Burgerlijk Wetboek. 12. Van de zijde van [het echtpaar] zijn niet bestreden de stellingen van de Woningstichting , in haar verweerschrift in hoger beroep: dat het hier een renovatieprojekt van 186 woningen betreft waarvan er inmiddels 110 gereed zijn gemaakt en dat [het echtpaar] de enigen zijn die weigeren hun medewerking te verlenen.Voorts heeft, gelijk hiervoor onder 6 is overwogen, [het echtpaar] niet, althans niet gemotiveerd, betwist: dat, gelijk van de zijde van de Woningstichting is aangevoerd, de renovatie onder andere inhoudt dat de achtergevel van het huis wordt uitgebroken en dat daarom het niet mogelijk is de andere woningen van het blok waarvan het huis van [het echtpaar] deel uitmaakt, wel doch de woning van [het echtpaar] niet te renoveren. Uit dit een en ander volgt dat de Woningstichting de onderhavige, door [het echtpaar] van haar gehuurde, woning zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik als bedoeld in artikel 1623e, eerste lid onder 3e, van het Burgerlijk Wetboek, dat van haar, de belangen en behoeften van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd. - Onderhuurders van deze woning of een gedeelte van deze woning zijn er niet, zodat met belangen en behoeften van eventuele onderhuurders geen rekening behoeft te worden gehouden - . (...) 16. Van de zijde van de Woningstichting is aangevoerd dat uiterlijk 1 april 1981 dient te worden begonnen met de renovatie van het blok woningen waarvan de onderhavige, door [het echtpaar] gehuurde, woning deel uitmaakt. Deze stelling van de Woningstichting is van de zijde van [het echtpaar] niet betwist. In verband met dit een en ander zal de Rechtbank het tijdstip waarop de onderhavige huurovereenkomst zal eindigen, vaststellen op 31 maart 1981 te 24.00 uur, nu voor [het echtpaar] een gerenoveerde wisselwoning beschikbaar is, en zal de Rechtbank het tijdstip van de ontruiming vaststellen op 31 maart 1981. 17. Gelet op het gerechtvaardige belang van de Woningstichting bij een spoedige ontruiming van de onderhavige woning door [het echtpaar] , acht de Rechtbank termen aanwezig om de onderhavige beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren."; Overwegende dat [het echtpaar] voornoemde beschikking bestrijdt met de volgende middelen van cassatie: "I. Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, omdat de Rechtbank in de overwegingen 6 en volgende van haar beschikking op de gronden als in die overwegingen genoemd heeft beslist dat de Woningstichting ontvankelijk is in haar bij het inleidend verzoekschrift gedane verzoek tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen haar en [het echtpaar] zal eindigen, zulks ten onrechte en wel om de volgende, zo nodig in onderling verband te lezen redenen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.