19 september 1983 Strafkamer Nr. 76.080 U LG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 april 1983 omtrent een verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland tot uitlevering van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring te Amsterdam. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [verzoeker] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten. 2. Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door [verzoeker] . Namens deze heeft Mr. J.G. Cnossen, advocaat te Amsterdam, het navolgende middel van cassatie voorgesteld en bij pleidooi toegelicht: Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 9 sub e en 28 Uitleveringswet. Toelichting op grond van Nederlands recht en het Verdrag van Rome is geen vervolging meer mogelijk omdat de feiten waarvoor thans uitlevering wordt gevraagd ruim twee jaar geleden zijn gepleegd en de requirant destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden. Terzake is requirant later vrijgelaten en nimmer meer vervolgd. De vervolgende instanties dienen binnen een redelijke termijn tot vervolging over te gaan, bij gebreke waarvan het recht tot vervolging is verjaard en derhalve een eventuele vervolging niet ontvankelijk verklaard moet worden. Uitlevering kan derhalve niet meer worden gevraagd en is derhalve niet toelaatbaar. 3. De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 4. Beoordeling van het middel 4.1 Van de feitelijke stellingen waarop het middel een beroep doet, te weten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.