9 maart 1983.nr. 21.163DG. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 1981 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het het jaar 1974;Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest van 19 oktober 1982 strekkende tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing;Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, aan wie voor het jaar 1974 een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd welke aanslag op een daartegen gemaakt bezwaarschrift bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 239.962,--, van die uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt: "Belanghebbende, die is geboren in 1933, oefent te [Z] het vrij beroep van oogarts uit. Te zijnen laste kwamen in het jaar 1974 twee kinderen, welke in dat jaar achtereenvolgens 13 en 12 jaar oud waren. Belanghebbende rekende blijkens zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 1974, per 31 december 1974 tot zijn bedrijfsvermogen een vliegtuig (een Cessna F 177 RC), (hierna te noemen: het vliegtuig), waarvan de aanschaffingsprijs in oktober 1974 bedroeg ƒ 130.000,--. Voordien bezat hij een tot zijn privé-vermogen behorend vliegtuig, dat hij in oktober 1974 heeft vervreemd. De uit het bezit en het gebruik van deze vliegtuigen voortvloeiende kosten beliepen in 1974 een bedrag van ƒ 17.094,97, waarvan een bedrag van ƒ 8.625,-- betrekking heeft op afschrijvingskosten. Belanghebbende heeft van het hiervoor genoemde bedrag van ƒ 17.094,97 een gedeelte ten bedrage van ƒ 12.619,73 als beroepskosten ten laste van zijn winst over 1974 gebracht. Belanghebbende heeft in het jaar 1974 met de achtereenvolgens in zijn bezit zijnde vliegtuigen de volgende vluchten gemaakt: 12 januari local flight Training 13 januari Maastricht Zuidelijk oogheelkundig gezelschap 28 januari Seppe Proefvlucht 10 februari Leliestad Proefvlucht 16 februari Middenzeeland Gastmedicus uit India 24 februari Hilversum Proefvlucht 2 maart Bremen Universiteit 9 maart Bremen Universiteit 23 maart local flight Proefvlucht 24 maart Bremen Universiteit 30 maart Ashford Bespreking contactlenzen 20 april Luxemburg Belgisch oogheelkundig gezelschap 25 april Maastricht Oogheelkundige bespreking 28 april Kopenhagen Oogheelkundigebijeenkomst 19 mei Borkum Proefvlucht 23 mei local flight 25 mei Luxemburg Belgisch oogheelkundig gezelschap 8 juni Bremen Universiteit 5 oktober local flight Instructie en check out 6 oktober local flight Instructie en check out 12 oktober Antwerpen Belgisch oogheelkundig gezelschap 19 oktober Münster Universiteit 26 oktober local flight Training 30 oktober Londen Congres 24 november Antwerpen Universiteit 21 december Bremen Universiteit. De met deze vluchten gemaakte vlieguren kunnen als volgt worden samengevat: Oogheelkundige bijeenkomsten in Maastricht, Luxemburg, Kopenhagen en Antwerpen 17.30 uren Proefvluchten en training 10.25 uren Vluchten met collega's 2.05 uren Congres Londen 4.20 uren Universiteit Bremen, bijwonen operaties (studie) 11.20 uren Besprekingen contactlenzen Ashford 3.30 uren Bezoek universiteit Antwerpen en Münster 2.40 uren -------------- Totaal gevlogen uren in 1974 51.50 uren. Op verzoek van belanghebbende heeft Air Service Holland B.V. op 14 mei 1980 de volgende inlichtingen gegeven: ""In aansluiting op ons gesprek doen wij u onze documentatie toekomen. Zoals in onze documentatie omschreven moet een huurder minimaal 3 uur per dag afnemen. In principe verhuren wij geen vliegtuig, dat meerdere dagen op een vreemd vliegveld blijft staan. De inzetbaarheid van een commerciële vlieger is maar beperkt mogelijk, omdat er maar een beperkt aantal vliegers zijn met de benodigde type aantekeningen op hun vliegbrevet. Vertrouwende u met deze gegevens van dienst te zijn geweest, verblijven wij met vriendelijke groeten,""· Van het hiervoor genoemde bedrag van ƒ 12.619,73 heeft de inspecteur bij de voormelde uitspraak een gedeelte groot ƒ 6.306,-- niet als beroepskosten aanvaard en met dit bedrag de aangegeven winst en het aangegeven inkomen verhoogd. De inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat belanghebbende het vliegtuig niet tot zijn bedrijfsvermogen mocht rekenen en dat de vervoerskosten naar de hiervoor genoemde plaatsen waarheen belanghebbende zich per eigen vliegtuig had begeven, aftrekbaar waren op basis van de kosten van openbaar vervoer (lijnvluchten)."; Overwegende dat het Hof het geschil als volgt heeft omschreven: "dat het geschil de volgende vragen betreft: a. heeft belanghebbende het vliegtuig terecht tot zijn bedrijfsvermogen gerekend en dienden in verband hiermee de kosten voortvloeiend uit bezit en zakelijk gebruik van het vliegtuig tot zijn beroepskosten gerekend te worden en bestond voorts voor hem - belanghebbende - recht op investeringsaftrek ter zake van de aanschaf van het vliegtuig in 1974; b. hoeveel bedroegen, ingeval het vliegtuig niet tot belanghebbendes beroepsvermogen behoorde, de op het beroepsresultaat drukkende kosten, voortvloeiend uit de door belanghebbende hierboven genoemde reizen, niet zijnde proef- en trainingsvluchten en vluchten met collega's;"; Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven: "dat belanghebbende de eerste vraag bevestigend beantwoordt en het in de tweede vraag bedoelde bedrag berekent op ƒ 35.795,62, daartoe het volgende aanvoerend: ad a. Primair. Het vliegtuig van belanghebbende moet tot diens beroepsvermogen gerekend worden omdat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het vliegtuig en het beroep van belanghebbende. Alle met het vliegtuig verband houdende kosten – waaronder afschrijvingen - moeten ten laste van de winst uit het zelfstandig uitgeoefende beroep van belanghebbende komen. De door belanghebbende aan het vliegtuig gegeven bestemming en het gebruik dat hij daarvan maakt, brengen met zich dat het vliegtuig niet anders dan als deel van het beroepsvermogen van belanghebbende kan worden aangemerkt. Belanghebbende heeft het vliegtuig aangeschaft ten einde daardoor beter in staat te zijn congressen en symposia bij te wonen en te kunnen assisteren bij operaties waarbij geavanceerde technieken worden toegepast. Aan de hand van het logboek kan vastgesteld worden dat het vliegtuig vrijwel uitsluitend hiervoor wordt gebruikt. Hieruit vloeit voort dat al deze met de beroepsuitoefening van belanghebbende verband houdende kosten van het vliegtuig - waaronder afschrijvingen - ten laste van de winst uit het zelfstandig uitgeoefende beroep van belanghebbende moeten komen; het komt de inspecteur niet toe in bepaalde gevallen hiervoor fictieve kosten in de plaats te stellen en in andere gevallen kosten buiten aanmerking te laten. Belanghebbende kan het vliegtuig in redelijkheid tot zijn beroepsvermogen rekenen. Alle met het vliegtuig verband houdende kosten – waaronder afschrijvingen - moeten ten laste van de winst uit het zelfstandig uitgeoefende beroep van belanghebbende komen. Het komt de inspecteur niet toe te treden in de beoordeling van het beleid van belanghebbende als beroepsbeoefenaar.Het al of niet behoren van het vliegtuig tot het beroepsvermogen van belanghebbende is afhankelijk van diens wil zoals deze uit zijn gedragslijn in zijn verhouding tot de fiscus tot uitdrukking komt, indien althans belanghebbende daarbij blijft binnen de grenzen der redelijkheid. Belanghebbende heeft altijd tegenover de fiscus duidelijk tot uitdrukking gebracht dat hij het vliegtuig tot zijn beroepsvermogen rekent. Indien een rechtstreekse band tussen het vliegtuig en de beroepsuitoefening van belanghebbende zou ontbreken hangt het van de omstandigheden af of het vliegtuig al of niet tot het beroepsvermogen van belanghebbende gerekend kan worden. Hierbij is van belang of het vliegtuig op enigerlei wijze dienstbaar is aan de beroepsuitoefening van belanghebbende dan wel of het vliegtuig tot deze dienstbaarheid bestemd is. Belanghebbende oefent een oogartsenpraktijk uit met patiënten uit binnen- en buitenland. Zijn bruto-honorarium per jaar is tweemaal zo hoog als het landelijk gemiddelde, dankzij zijn optimale organisatie en zeer intensieve persoonlijke inzet. Hij behoort tot de groep oogartsen in Nederland (ongeveer 50% van het totaal) die zelf opereert. Ingevolge de voor het [A] - en het [B] te [Z] geldende specialistenregeling is hij verplicht te allen tijde beschikbaar te zijn dan wel - zo hij niet zelf beschikbaar kan zijn - te zorgen voor een waarnemer. Het vinden van een waarnemer, die eveneens specialist moet zijn, is een vrijwel onmogelijke opgave. Deze beschikbaarheid is in het bijzonder vereist waar het betreft operatiepatiënten; er kunnen zich complicaties voordoen die het ingrijpen van de behandelende oogarts-chirurg vereisen. Overigens is belanghebbende van mening dat de relatie arts-patiënt zelf reeds medebrengt dat hij voortdurend voor zijn patiënten beschikbaar is. Er is sprake van voldoende beschikbaarheid wanneer belanghebbende binnen 24 uren na het constateren van de complicatie of anderszins ter plaatse kan zijn om zonodig handelend op te treden. Een jaar tevoren geeft belanghebbende aan het ziekenhuis op in welke perioden hij dat jaar niet beschikbaar zal zijn (bij voorbeeld in verband met vakanties etcetera). Enige tijd voor deze perioden worden door belanghebbende geen operaties meer verricht, dit om het optreden van complicaties tijdens afwezigheid tot een minimum te beperken. Op grond van de door belanghebbende met het ziekenhuis gesloten overeenkomst is het hem toegestaan 15 dagen (inclusief zaterdagen en zondagen) per jaar uit te trekken voor het bijwonen van congressen en dergelijke. Daar belanghebbende van een eigen vliegtuig gebruik maakt en daardoor in staat is steeds binnen 24 uren beschikbaar te zijn, heeft het bestuur van het [A] / [B] belanghebbende toegestaan op een groter aantal dagen dan de overeengekomen 15 dagen congressen en dergelijke bij te wonen. Belanghebbende is zich in 1970 bewust geworden van de mogelijkheden welke een klein vliegtuig ook hem kon bieden. Wat met andere vervoersmogelijkheden niet mogelijk zou zijn dan wel slechts mogelijk zou zijn tegen het brengen van het offer van veel tijdsverlies en daardoor derving van honorarium, is thans voor belanghebbende wel mogelijk en wel in meerdere mate dan de in het verleden met het ziekenhuis gesloten overeenkomst toeliet. Belanghebbende wenst zijn beroepsuitoefening op een vaktechnisch en wetenschappelijk zo hoog mogelijk niveau uit te oefenen. Daarvoor is optimale informatie nodig. Behalve de patiënten zijn met dit streven van belanghebbende ook de co-assistenten gebaat welke door belanghebbende in het ziekenhuis worden opgeleid. Bovendien geldt voor oogartsen nog, dat sinds enige jaren ook opticiëns brilleglazen mogen opmeten, zodat er van deze zijde veel aan gedaan wordt deze werkzaamheden naar zich toe te trekken. Oogartsen kunnen echter - en dit in tegenstelling tot opticiëns - naast het opmeten van de sterkte van brilleglazen ook nog de gezondheid van het oog nazien. Eerst sedert enige jaren is bekend dat het oog belangrijk is voor het ontdekken van andere ziekten en wel al op een moment dat de ziekte zich nog niet heeft geopenbaard aan de patiënt. Te denken valt hierbij aan hart- en vaatziekten, suikerziekte en kanker. Over deze medische doeleinden van de oogheelkunde worden jaarlijks dan ook veel congressen en symposia gehouden. Belanghebbende woont zoveel mogelijk deze congressen en symposia bij omdat hij van zich zelf eist zijn praktijk als oogarts optimaal uit te oefenen; hiervoor is een optimale informatie vereist. Op deze congressen en symposia tracht belanghebbende contacten te leggen met collegae en professoren die bekend zijn om het toepassen van nieuwe technieken ofwel die nieuwe technieken hebben gelanceerd. Middels deze contacten tracht belanghebbende zijn kennis te verrijken en wat nog belangrijker is, hoopt hij uitgenodigd te worden ter assistentie bij operaties. Juist de toepassing van nieuwe operatietechnieken is niet uit de literatuur eigen te maken, maar moet worden meegemaakt om alle details te kunnen waarnemen, welke voor de toepassing van vitaal belang zijn. In publicaties blijven deze details veelal onvermeld. Ten slotte moet men voor een operatie zeker zijn van zich zelf en behoort experimenteren niet tot de mogelijkheden. Dit alles bespaart belanghebbende bijzonder veel tijd bij het doornemen van de literatuur, omdat deze nu globaler kan worden doorgenomen. De bezoeken aan collegae en professoren zijn geheel wederzijds, dat wil zeggen, dat ook door belanghebbende uitnodigingen worden gedaan voor het bijwonen en assisteren bij zijn operaties. Uiteraard zijn dit niet de normale veel voorkomende ingrepen, maar juist die ingewikkelde en geavanceerde operaties, welke zonder steun niet zouden kunnen worden uitgevoerd. Belanghebbende is via het lidmaatschap van het Zwitsers Oogheelkundig Gezelschap door introductie van prof. Huber uit Zürich in aanraking gekomen met prof. Dräger uit Bremen, een van de grootste autoriteiten op oogheelkundig gebied. Hij heeft een aantal nieuwe instrumenten ontwikkeld, bijvoorbeeld een speciale microscoop, een keratoon etcetera. Deze door prof. Dräger ontwikkelde microscoop wordt thans ook in het ziekenhuis in [Z] gebruikt. In Bremen worden voor oogartsen belangrijke bijeenkomsten georganiseerd, welke veelal op zaterdagochtend 9.15 uur aanvangen. Somtijds evenwel is het aanvangstijdstip later bij voorbeeld 11.15 uur. Zo worden er vaste cursusdagen en oogheelkundige nascholingscursussen gehouden en vinden er bijzondere operaties plaats. Deze bijeenkomsten duren meestal enkele uren. Daar bij belanghebbende praktijkuitoefening en wetenschappelijke belangstelling hand in hand gaan, vindt hij het van belang - indien zijn kennis en vaardigheid erdoor kunnen toenemen - deze bijeenkomsten bij te wonen. Indien belanghebbende slechts de beschikking zou hebben over een auto als vervoermiddel zou hij deze zaterdagbijeenkomsten niet hebben kunnen bijwonen. Bedacht dient te worden dat belanghebbende normaliter tot vrijdagavond 20.00 uur praktijk uitoefent. Zoals reeds eerder is betoogd, is het maken van vluchten met lijnvluchten alsmede het reizen per trein voor belanghebbende geen in aanmerking komend alternatief. Zoals uit de in 1974 gemaakte vluchten valt af te leiden, hebben de door belanghebbende in het buitenland bijgewoonde congressen etcetera vrijwel uitsluitend op zaterdagen en zondagen plaatsgevonden. Deze bijeenkomsten vinden normaliter in de weekenden plaats om de praktijkuitoefening van de deelnemers zo ongehinderd mogelijk te kunnen doen zijn. In 1974 is belanghebbende op een uitzondering na op dezelfde dag heen- en teruggereisd. Deze uitzondering heeft betrekking op het door belanghebbende in 1974 in Londen bijgewoonde congres, dat drie dagen duurde. De situatie thans verschilt niet wezenlijk van die in 1974; belanghebbende gebruikt het vliegtuig nog steeds frequent om congressen etcetera te bezoeken. Om een meer optimale beroepsuitoefening mogelijk te maken heeft belanghebbende in 1972 een comfortabele en snelle auto aangeschaft; belanghebbende hoopte dat hierdoor ook de grotere afstanden makkelijker binnen zijn bereik zouden komen. Toch waren aan het gebruik van dit vervoermiddel bezwaren verbonden: - vermoeidheid leidde er toe dat belanghebbende zich dikwijls niet optimaal kon concentreren; - veel tijdsverlies, waardoor geregeld op bepaalde dagen geen praktijk kon worden uitgeoefend, nog toegenomen door de invoering van snelheidsbeperkende maatregelen in 1974; - de mogelijkheid om waarnemers te krijgen, die gedurende twee à drie dagen als stand-by wilden fungeren voor spoedgevallen en ziekenhuispatiënten. Deze problemen konden door belanghebbende goeddeels worden opgelost door gebruik te maken van een klein vliegtuig. De aanschaf van het vliegtuig leidde er onder meer toe dat vrijwel geen spreekuren meer opgeofferd behoefden te worden en ook een beroep op extra-waarnemers buiten het normaal gereglementeerde waarnemingssysteem niet langer noodzakelijk was. Het vliegen biedt belanghebbende dermate grote voordelen dat een andere wijze van vervoer zakelijk gezien minder verantwoord zou zijn. Een andere wijze van vervoer zou immers leiden tot verloop van een deel van de oogartsenpraktijk als gevolg van afwezigheid veroorzaakt door het volgen van een aantal congressen en symposia en het bijwonen van operaties in verband met het streven naar een vaktechnisch optimale beroepsuitoefening; het niet-volgen van deze congressen en symposia en het niet-assisteren bij deze operaties zou op de duur leiden tot een beroepsuitoefening op middelmatig niveau waarmee vooral patiënten niet gediend zijn. Bij het besluit van belanghebbende om een eigen vliegtuig aan te schaffen is mede van belang geweest de mededeling van de K.L.M. dat veel plaatsen niet bereikbaar casu quo niet elke dag bereikbaar zijn, alsmede het feit dat het toen uitsluitend voor de bestemming Londen mogelijk was om 's ochtens vanaf Schiphol te vertrekken en dan toch om ongeveer 09.00 uur in Londen te zijn. De door belanghebbende bijgewoonde operaties zijn dan ook uitsluitend mogelijk geweest dankzij het eigen vliegtuig. Zo ontving belanghebbende op vrijdagavond de mededeling dat hij op zaterdag een zeer geavanceerde operatie kon bijwonen in Bremen; een reis met een lijntoestel zou het bijwonen van deze operatie niet meer mogelijk gemaakt hebben. Het betrof hier een hoornvliestransplantatie. Een dergelijke operatie dient binnen vierentwintig uur te geschieden. Dat het bijwonen van deze operatie vruchten afgeworpen heeft, moge blijken uit het feit dat belanghebbende thans ook in Nederland dezelfde geavanceerde techniek toepast. Ook is het voorgekomen dat belanghebbende 's middags het bericht ontving dat hij de volgende dag een operatie kon bijwonen. Een lijnvlucht zou in dit geval wel mogelijk geweest zijn, maar dit zou tot afzegging van een groot aantal patiënten hebben moeten leiden, die voor de rest van die dag reeds waren afgesproken. Tijdens deze bezoeken aan buitenlandse klinieken heeft belanghebbende zich geheel nieuwe technieken bij glaucoomoperaties eigen gemaakt, welke technieken thans door hem succesvol in Nederland worden toegepast. Uit al deze feiten moge volgen dat de keuze van het vliegtuig als vervoermiddel niet zo evident door persoonlijke motieven bepaald is, dat de zakelijke motieven in het niet verzinken. Tussen de beroepsuitoefening van belanghebbende en het vliegtuig bestaat een voldoende verband op grond waarvan belanghebbende in redelijkheid het vliegtuig tot zijn beroepsvermogen kan rekenen. Alle met het vliegtuig verband houdende kosten – waaronder afschrijvingen - moeten ten bate van de winst uit het zelfstandig uitgeoefende beroep van belanghebbende komen. Het vliegtuig is dan ook een zaak welke voor de optimale vervulling van belanghebbendes oogartsenpraktijk bij hem in gebruik is. Het vliegtuig - in oktober 1974 aangeschaft - moet daarom als bedrijfsmiddel worden aangemerkt. Het is bestemd om hoofdzakelijk voor internationale vluchten te worden gebruikt. Derhalve bestaat voor belanghebbende een recht op investeringsaftrek in 1974 van ƒ 10.400,-- (8% van ƒ 130.000,--), waarvan belanghebbende gebruik wenst te maken. Ad b. Ook indien echter het vliegtuig niet als bedrijfsmiddel aangemerkt zou kunnen worden dan nog dienen alle kosten (inclusief afschrijvingen) ten laste van het resultaat van belanghebbendes beroepsuitoefening te komen. Het stond belanghebbende vrij van deze wijze van vervoer gebruik te maken. De inspecteur vermag niet te treden in een beoordeling van het beleid van belanghebbende als beroepsbeoefenaar, hetgeen de inspecteur doet door fictieve kosten in de plaats te stellen van de werkelijk gemaakte kosten. Alle kosten verband houdende met deze wijze van vervoer dienen in mindering van de winst te komen. Behalve de door de inspecteur als zakelijk erkende vluchten naar het buitenland heeft belanghebbende in 1974 nog een tweetal vluchten gemaakt naar Maastricht ten einde daar bijeenkomsten van het Zuidelijk Oogheelkundig Gezelschap bij te wonen. Voorts heeft belanghebbende dat jaar nog een vlucht met een gastmedicus uit India gemaakt. Belanghebbende is van mening dat de kosten van deze vluchten eveneens ten laste van het resultaat dienen te worden gebracht; de inspecteur houdt met de kosten van deze vluchten geen rekening. Voorts zijn met het vliegtuig in 1974 nog een aantal proef- en trainingsvluchten gemaakt. Aanvankelijk heeft belanghebbende in de veronderstelling verkeerd dat de kosten van deze vluchten niet in mindering op de winst zouden kunnen komen. Deze vluchten echter zijn noodzakelijk om corrosie op delen van de motor en het vliegtuig tegen te gaan. Belanghebbende is daarom thans van mening dat de kosten van deze vluchten ad ƒ 2.705,24 eveneens in mindering op de jaarwinst 1974 dienen te worden gebracht. Een aantal bijeenkomsten zou (althans indien en voor zover de beschikbaarheidseis in de met het [A] / [B] gesloten overeenkomst dit belanghebbende niet reeds zou hebben verhinderd) belanghebbende eveneens hebben kunnen bijwonen wanneer hij met zijn eigen auto zou hebben gereisd. Dan echter zou belanghebbende genoodzaakt zijn reeds in de loop van een normale werkdag (vrijdag) af te reizen om tijdig bij deze bijeenkomsten etcetera aanwezig te kunnen zijn. Dit zou voor belanghebbende leiden tot een belangrijke honorariumderving. Ook de terugreis zou door belanghebbende in een aantal gevallen niet dezelfde dag meer kunnen worden gemaakt, hetgeen tot extra kosten van overnachtingen zou hebben geleid. Rekening houdend met een gemiddelde omzet per gewerkte dag in 1974 berekent hij - belanghebbende - de reiskosten, de extra verblijfkosten en de derving van honorarium op een bedrag van ƒ 35.795,62, als volgt: 1974 Reiskosten Verblijfkosten Honorariaderving Totaal 1 x Maastricht ƒ 94,-- ƒ -,-- ƒ -,-- ƒ 94,-- 5 x Bremen ƒ 3.420,-- ƒ 2.500,-- ƒ 8 .328,70 ƒ 14.278,70 1 x Ashford U.K. ƒ 1.035,-- ƒ 320,-- ƒ 1.671,74 ƒ 3.026,74 2 x Luxemburg ƒ 1.308,-- ƒ 500,-- ƒ 6.686,96 ƒ 8.494,96 1 x Kopenhagen ƒ 1.289,-- ƒ -,-- ƒ -,-- ƒ 1.289,-- 2 x Antwerpen ƒ 946, -- ƒ 500,-- ƒ 3.343,48 ƒ 4.789,48 1 x München ƒ 1.066,-- ƒ 250,-- ƒ 1.671,74 ƒ 2.987,74 1 x Londen ƒ 835 , - - ƒ -,-- ƒ -,-- ƒ 835,-- ----------- ------------- ----------------- ---------------- ƒ 9.993,-- + ƒ 4.080,-- + ƒ 21.732,62 = ƒ 35.795,62 Hij - belanghebbende - wijst erop dat hij in het verleden heeft gekozen voor een eigen vliegtuig en niet voor het huren van een vliegtuig, al dan niet met piloot. Men dient in dat laatste geval een huursom te betalen in de regel gelijk aan de prijs van zeven vlieguren per dag. Uit de door hem overgelegde brief van Air Service Holland B.V. van 14 mei 1980 blijkt dat de inzetbaarheid van vliegtuigen beperkt is, zodat hij zonder eigen vliegtuig er niet altijd zeker van kon zijn zijn bestemming tijdig te bereiken. Hij wijst erop dat wanneer hij de hiervoor genoemde buitenlandse reizen én die naar Maastricht met een gehuurd vliegtuig zou hebben gemaakt, dat een uitgave zou hebben betekend van ƒ 30.800,-- zonder piloot en van ƒ 38.080,-- indien hij een vliegtuig met piloot zou hebben gehuurd; dat de inspecteur de eerste vraag ontkennend beantwoordt en het in de tweede vraag bedoelde bedrag berekent op ƒ 6.104,- zulks in afwijking van de uitspraak, daartoe zakelijk weergegeven, het volgende aanvoerend: Ad a. In de wet worden bedrijfsmiddelen omschreven als zaken, welke voor het drijven van een onderneming worden gebruikt. De vraag, die in het onderhavige geschil beantwoord moet worden, is dus deze: wordt het vliegtuig gebruikt voor het drijven van belanghebbendes onderneming. Voor een bevestigend antwoord op deze vraag zal nodig zijn te onderzoeken of en in hoeverre er een relatie bestaat tussen het vliegtuig en de oogartsenpraktijk. Naar zijn mening bestaat er tussen die twee (vliegtuig en oogartsenpraktijk) geen directe relatie. Weliswaar zal de oogarts, om aan congressen en dergelijke deel te nemen, gebruik (en in casu zelfs veelvuldig gebruik) maken van een vliegtuig. Maar dat brengt die directe relatie nog niet mee. Evenmin als er een direct verband bestaat tussen een trein en een oogartsenpraktijk of tussen een boot en een oogartsenpraktijk.Zijn, des inspecteurs, mening is dat het belanghebbende niet in redelijkheid vrijstond om de beslissing te nemen het vliegtuig tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, laat staan, dat hij daartoe verplicht was, zoals belanghebbendes primaire stelling luidt. Naar zijn mening overschrijdt belanghebbende de grenzen der redelijkheid door het vliegtuig als een bedrijfsmiddel aan te merken. De vaste en variabele kosten van het vliegtuig kunnen naar zijn - des inspecteurs - mening noch geheel noch ten dele worden aangemerkt als kosten voortvloeiend uit belanghebbendes beroepsuitoefening. Voor het verlenen van investeringsaftrek is onder deze omstandigheid geen reden. Overigens betreft het hier niet een vliegtuig dat hoofdzakelijk bestemd is voor internationale vluchten, zodat belanghebbende - indien het vliegtuig als bedrijfsmiddel zou moeten worden beschouwd - slechts aanspraak zou kunnen maken op een investeringsaftrek van 4% van ƒ 130.000,-- in de jaren 1974 en 1975. Hij - inspecteur - is van mening dat belanghebbende – als enthousiast vlieger - het vliegtuig in de eerste plaats houdt uit hoofde van persoonlijke behoefte-bevrediging. Hij is van mening dat de door belanghebbende in zijn berekeningen ingevoerde schattingen niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en in het voordeel van belanghebbende zijn gedaan. De door belanghebbende berekende met het reizen per vliegtuig behaalde tijdwinst is in aanzienlijke mate te hoog gesteld. Naar zijn mening zou op de binnenlandse vluchten naar Maastricht in het geheel geen sprake geweest kunnen zijn van tijdwinst in vergelijking met het afleggen van de route [Z] - Maastricht vice versa per auto. Ad b. Hij is van oordeel dat belanghebbende voor de reizen naar de onder de feiten genoemde bestemmingen slechts de kosten van openbaar vervoer, waaronder hij voor de buitenlandse bestemmingen begrijpt het vervoer per K.L.M. eerste klasse, kan opvoeren, welke kosten hij als volgt berekent: Luxemburg
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.